'jin 86 . 1015 INDISCH NATUURONDERZOEK M. J. SIRKS , RECKFT , " )EK. INDISCH NATUURONDERZOEK. INDICUS MALABARICUS AMSTELODAMI c . ( J , ounpbmu J. ^ ( J OANNIS VAN SOME REN et Anno cla L) c Lxxvm . OANNIS VAN DYCK. INDISCH NATUURONDERZOEK ACADEMISCH PROEFSCHRIFT TER VERKRIJGING VAN DEN GRAAD VAN DOCTOR IN DE PLANT- EN DIER- KUNDE A AN DE RIJKS-UNIVERSITEIT TE UTRECHT, OP GEZAG VAN DEN RECTOR- MAGNIFICUS DR. H. S NELL EN JR., HOOGLEERAAR IN DE FACULTEIT DER GENEESKUNDE, VOLGENS BESLUIT VAN DEN SENAAT DER UNI- VERSITEIT, TEGEN DE BEDENKINGEN VAN DE FACULTEIT DER WIS- EN NATUURKUNDE, TE VERDEDIGEN OP DINSDAG 23 MAART 1915, DES NAMIDDAGS TEN 4 URE, DOOR MARIUS JACOB SIRKS fc/ t * i GEBOREN TE ROTTERDAM AMSTERDAMSCHE BOEK- EN STEENDRUKKERIJ V/H. E L L E R M A N, HARMS & CO. 1915 '5 A AN MiJN MOEDER IX DANKBARE HERINNERING AAN MIJN VADER De aanleiding tot het samenstellen van dit proefscJirift is ge- weest de prijsvraag, voor het jaar igi2 uitgescJireven door Iiet voormalio Koloniaal Museum le Haarlem, luidende : ..Een be- o knopte gescJiiedenis van de beoefening der natimnvetenschappen in de NederlandscJie Kolonien\ Bij den over gang van het Koloniaal Museum aan het Koloniaal Institiiut, werd de prijsvraag door dit laatste overgenomen met verlenging van de inzendingstermijn tot i Januari 1914. Het eenig ingekomen antwoord op deze prijsvraag werd door de jury een bekroning waardig gekeurd. In omgewerkten vorm, waarbij dankbaar gebruik gemaaJd tverd van de wenken der beoordeelingscommissie (Prof. Dr. F. A. F. C. WENT, Prof. Dr. MAX WEBER, Prof. Dr. P. VAN ROMBURGH, Dr. R. D. M. VERBEEK en Dr. ]. DEKKER) en van de Heeren Prof. Dr. A. A. PULLE en Dr. }. P. v. D. STOK, bicd ik mijn arbeid thans aan de faculteit als proefscJirift aan. De Raad van Beheer van het Koloniaal Instituiit en in het bijzonder zijn Algemeene Secretaris, Prof. Dr. H. P. WIJSMAX, moge overtuigd zijn van mijn erkentelijkJieid voor de uitgavc van mijn proefscJirift. Voorts breng ik mijn dank aan alien, die mij bij iict verkrijgcn ix van vaak iccinig toegankelijkc litteratuur behulpzaam warcn, vooral aan de Heeren A. DE BRACONNIER, bibliotJiecaris van liet Koloniaal Institnnt en }, }. VERWTJNEN, bibliothecaris van Tey/ers boekerij. Het is mij een beJioefte hier een woord aan toe te voegen tot hen, aan wie ik mijn wetenschappclijke opleiding te danken heb. Behalve aan de Hoogleeraren der LeidscJie Universiteit, wier colleges ik bijwoondc en van wie ik direct of indirect leiding ontving, wil ik niet nalaten, hier aan Dr. J. P. LOTSY te Haarlem hartelijk dank te zeggen voor de wehvillendlieid, die hij me na het verlaten der Universiteit betoond heeft en voor de gastvrijheid, die ik steeds in zijn proeftuin of op zijn studeerkamer genieten mocht. De bewerking van dit proefschrift heeft mij in de eerste plaats met U, hooggeachte promoter WENT, in aanraking gebracht. Sta mij toe Jiier ofjicieel mijn warmen dank uit te spreken voor Uiv hnlp en Uw bereidvaardigheid, mijn promoter te willen zijn. x I N H O U D. Bladr. TNLEIDING i HOOFDSTUK I : BAANBREKERS 4 HOOFDSTUK II: G. E. RUMPHIUS 25 HOOFDSTUK III: DE ACHTTIENDE EEUW (17021816) 62 HOOFDSTUK IV : DE NATUURKUNDIGE COMMISSIE (1816 1850). OPKOMST VAN 'S LANDS PLANTENTUIN 86 HOOFDSTUK V: F. W. JUNGHUHN 141 HOOFDSTUK VI : ALGEMEENE NATUURWETENSCHAP NA 1850 .... 154 HOOFDSTUK VII : DE VERDERE ONTWIKKELING VAN 's LANDS PLANTEN- TUIN EN HET PLANTKUNDIG ONDERZOEK NA 1850 183 HOOFDSTUK VIII : DE STUDIE DER DIERENWERELD NA 1850 216 HOOFDSTUK IX: SCHEIKUNDIGE ARBEID NA 1850 227 HOOFDSTUK X: GEOLOGISCHE ONTDEKKINGEN NA 1850 240 HOOFDSTUK XI: NATUURKUNDIGE AARDRIJKSKUNDE NA 1850 .... .-54 HOOFDSTUK XII: TOEGEPASTE NATUURWETENSCHAP. HET PROEF- STATIONWEZEN 265 HOOFDSTUK XIII : DE WEST-INDISCHE BEZITTINGEN 284 REGISTER VAN PERSOONSNAMEN 295 XF INLEIDING. Een verheugend verschijnsel in onzen tijd is het, dat overal, op elk gebied, een verlangen naar historische kennis ontwaakt, naar het begrijpen en daardoor waardeeren van den arbeid onzer voorgangers. Zoo volkomen juist zijn de woorden van den physicus VOLKMANN : ,Je alter man wird, destomehr schatzt man iiberhaupt Geschichte. Man iiberschatzt nicht in dem Masse, wie die Jugend, die Gegenwart, man betrachtet bereits die Entwicklungsepoche, an der man selbst Teil hat, als einen Abschnitt kommender Geschichte''. In twee richtingen kan deze belangstelling in den ontwikke- lingsgang onzer wetenschappen zich uiten : diepgaande geschied- kundige navorsching, archief- en bronnenstudie, op welk gebied wij voor het Indisch natuuronderzoek dankbaar moeten zijn aan mannen als GRESHOFF, TREUB en H. J. VETII, maar daarnaast ook overzichtswerk, samenvattend het gansche gebeurde op een min of meer uitgebreid veld van onderzoek. Weemoedig stemt het ons te bedenken, dat de beste kenner van de geschiedenis der natuurwetenschappen in Indie, MAURITS GRESHOFF, niet meer onder ons vertoeft, dat zijn werkkracht niet meer in staat ge- weest is, een overzicht als dit over de studierichting, die zoo geheel zijn liefde had, te geven. Want niemand had met meer IN LEI DING. \varmte en meer gloed dit onderwerp kunnen behandelen; waar GRESHOFF een levensbeschrijving gaf, daar stond de levende persoon voor ons, daar gevoelden wij mee met KUHL en VAN HASSELT hun gewaarwordingen in onherbergzame streken van Preanger en Banten, daar werden wij doordrongen van het edele en bewonderenswaardige in een persoonlijkheid als NlCOLAAS WlTSEN. Het evenwicht tusschen de twee elkaar steeds tegenwerkende krachten : volledigheid en beknoptheid, is een in hooge mate wankelbaar evenwicht; de minste uitwijking kan het verstoren. Ik heb in de volgende bladzijden getracht, het zoo goed mogelijk door alle tijden heen te bewaren ; ongetwijfeld zal door menig ander hier en daar, vooral in de nieuwere geschiedenis, een eenigszins andere opvatting hieromtrent gehuldigd worden ; indi- vidueele waardeering van feiten en personen is hierbij een doorslaggevende factor. Een uitvoerige verdediging van de stofverdeeling te geven, lijkt mij te dezer plaatse overbodig en ongewenscht. Slechts enkele punten wil ik hier kort toelichten. In de eerste plaats werd als aanvangsjaar door mij gekozen het begin der zeventiende eeuw ; dit neemt niet weg, dat ook in de zestiende eeuw door de HOUTMANS, door HUYGEN VAN LINSCHOTEN, wiens ,,Itinerario, Voyage ofte schipvaert . . . naar Oost- ofte Poortugaels Indien", door de Linschotenvereeniging thans in ruimer kring bekend is, belangrijke astronomische en cartographische arbeid verricht werd, maar toch kunnen wij dit niet tot het systematise!! natuuronderzoek rekenen. Tot 1850, het jaar waarin de kwijnende Indische Natuur- kundige Commissie ontbonden werd, leek een chronologisch algemeen overzicht het meest gewenscht; tot dat jaar vorm den alle natuurwetenschappen in zekeren zin een geheel, terwijl in de tvveede helft van de negentiende eeuw ieder der verschillende O INLEIDING. takken van natuuronderzoek zijn eigen weg ging en hierdoor een afzonderlijke behandeling vereischt werd. In het bijzonder het zeer recente werk, als dat der proefstations, is nog te Jong, om een objectief oordeel mogelijk te maken. Ten derde is de omgrenzing van het begrip natuurweten- schap voor verschillende omschrijvingen vatbaar; m. i. is hiervan de meest juiste de meening, in de wet op het Hooger Onderwijs gehuldigd, waarbij tot natuurwetenschappen gerekend worden : astronomic en meteorologie, natuurkunde en scheikunde, plant- en dierkunde, pharmacologie, geologic en palaeontologie, met inbegrip van haar toepassingen, voor zoover deze uit natuur- wetenschappelijk oogpunt van beteekenis zijn. Topographic, mijnwezen in engeren zin, ethnographic en de zoo nauw ver- wante anthropologie zijn ongetwijfeld studievakken van groot belang voor onze kolonien, maar vallen geheel buiten het aldus omschreven gebied der natuurwetenschappen. Een overzichtswerk als dit wijst in het bijzonder op de fouten, die er gemaakt zijn, op de groote gedeelten, die er in onze koloniale natuurstudie nog ontbreken en op de ruime velden, die daar in het verre Oosten wetenschappelijk nog te ontginnen zijn. Maar terecht zegt VAN GORKOM in zijn Scheffer-biographie : ,,De geschiedenis heeft geen waarde, zoo wij haar beteekenis niet doorgronden, en ons daarnaar niet gedragen". HOOFDSTUK I. Baanbrekers. De eerste helft der zeventiende eeuw was geen tijd van rust voor onzen Oost. De opkomende en in bloei steeds meer toenemende Oost-Indische Compagnie was nog pas meester over een klein gedeelte van den Maleischen Archipel en streefde er met alle macht naar, dit deel te vergrooten, zooveel in haar vermogen lag. Het gevolg hiervan was, dat zij en haar be- langen de voile toewijding van haar ambtenaren vergden ; de Compagnies-zaken namen hun geheele aandacht in beslag. Zij konden, hoe gaarne sommigen van hen het misschien ook wilden, zich niet met natuuronderzoek bezighouden ; de Com- pagnie vorderde ander werk van hen, oorlogsbezigheden in de eerste plaats; voor de ,,werken des vredes" was hun tijd niet bestemd. De belangstelling in de wonderlijke fauna dier tropische gewesten, in de weelderige flora, in de voor Euro- peanen zoo vreemde en vaak zoo overweldigende Oostersche natuur, ze was er wel, maar ze kon zich niet uiten. Dat ze er was, blijkt uit de talrijke reisverhalen van dien tijd; steeds worden de meest merkwaardige vertelsels opgedischt over datgene, wat de reizigers in die verre landen van het Oosten Luc cium Batav . .frufici/cum. J&ckium A' 164.2 BAANBREKERS. gezien hadden; altijd brachten de Oost-Indie-vaarders voor- werpen mee naar huis, om daaraan in den kring hunner tamilie de vreemdste fabels vast te knoopen. Slechts een persoon heeft in dien tijd onze kolonien bezocht, die zich met zulke fantastische verhalen niet tevreden stelde, die, zooveel hij kon, trachtte te weten te komen, w at juist was in die vertelsels omtrent tropische natuurvoortbrengselen en wat te danken was aan de overrijke fantasie der zeevaarders en inlanders. Die persoon was JACOBUS BONTIUS, lijfarts van JAN PIETERSZOON KOEN. Ongetwijfeld had BONTIUS, door zijn opleiding aan de Leidsche Universiteit, door zijn afstamming uit een geleerde familie, veel voor op de overige ambtenaren der Compagnie; dit vermindert zijn verdiensten niet. BONTIUS was een man van een buitengewone werkkracht, van een onbluschbare belan^stellinsf in alles, wat de natuur hem bood, o o niet alleen tijdens zijn verblijf in de tropen, maar ook reeds in den tijd, dien hij in Holland doorbracht. De gewezen Gouverneur-Generaal JAN PIETERSZOON KOEN vertoefde sinds 1623 m net vaderland en was bezig zooveel mogelijk welgestelde gezinnen te bewegen, zich in de kolonien te gaan vestigen. De nieuwgestichte stad Batavia moest bevolkt worden; op de eilanden, Ambon b.v., zouden de Hollanders heel wat aan invloed winnen, als er hier en daar kolonies van Hollandsche gezinnen bestonden. Zooals eigenlijk vanzelf spreekt, zocht KOEN, die voornemens was, naar Indie terug te gaan, ook iemand, bereid hem te vergezellen, en dan de gezondheid van Batavia's inwoners te verzorgen. Wie was daarvoor beter geschikt dan JACOBUS BONTIUS, Medicinae Doctor, een man, die behalve een groote medische kennis, ook een voorliefde voor plantkunde bezat, waardoor hij zich met de inlandsche plant- aardige geneesmiddelen spoedig vertrouwd kon maken? Al mogen de resultaten van BONTIUS' natuurwetenschappelijk werk, BAANBREKERS. vergeleken met die van latere onderzoekers, niet zeer groot zijn, het feit, dat hij de eerste was, die zich heeft toegelegd op een systematische beoefening der natuurvvetenschappen in onze kolonien, rechtvaardigt volkomen, dat wij hier iets omtrent zijn leven meedeelen, wat wij ontleenen aan de uitvoerige biographic door Dr. SWAYING *). JACOBUS BONTIUS was de jongste zoon van den Leidschen hoogleeraar GERARDUS BONTIUS, die bij de stichting der Hooge- school tot hoogleeraar benoemd, dit ambt tot zijn dood, 15 Sep- tember 1599, heeft bekleed. GERARDUS had vier zoons : REINIER, JAN, WILLEM en JACOBUS, die alien in de wetenschap een goeden naam hebben verworven. REINIER was medicus, gaf reeds in 1599 colleges en werd in 1603 aangesteld als hoogleeraar aan de Universiteit ; JAN was eveneens medicus en is geneesheer te Rotterdam geweest; WILLEM was rechtsgeleerde en heeft, na gedurende eenige jaren hoogleeraar te zijn geweest, daarna langen tijd het ambt van schout te Leiden waargenomen. De jongste van het viertal, JACOBUS, werd op i2-jarigen leeftijd (15 Mei 1604) als studiosus artium liberalium ingeschreven, volgde allereerst de inleidende lessen van zijn breeder REINIER en andere hoogleeraren, om later te gaan studeeren onder leiding van mannen als PETRUS PAVIUS, AELIUS EVERARDUS VORSTIUS en OTTO HEURNIUS. Van den verderen studietijd van JACOBUS weten we niet veel: alleen nog dat hij 22 Juni i6i4 2 ) gepromoveerd is tot Doctor Medicinae, en dat hij zich, na afloop zijner studien, te Leiden als arts vestigde. Bij resolutie C. SWAYING, 1868. Ter gedachtenis van JACOBUS BONTIUS, M.D. (Natuurk. Tijdschr. v. Ned.-Indie. XXX. p. 285342). a ) Zie J. E. KROON, 1911. Bijdragen tot de geschiedenis van het geneeskundig onderwijs aan de Leidsche Universiteit. (Dissertatie Leiden. 1911). p. 124125. Naar Dr. KROON mij welwillend mededeelde, is deze datum door hem ontleend aan de Ada Senatus der Leidsche Universiteit. Dr. SWAVING noemt den promotie- datum onbekend. BAANBREKERS. van de ,,Heeren Zeventienen" van 24 Augustus 1626 werd JACOBUS BONTIUS aangesteld als ,, Doctor, Apotheker en Opzigter van de Chirurgijns in Indie, wervvaarts hij met de Vloot van J. P. KOEN, ingescheept op 't schip Vianen, den igden Maart 1627 zeilde, vergezeld van zijne vrouw en kinderen. Zijne vrouw stierf op de reis van het Vaderland naar de Kaap de Goede Hoop" '). Op 13 September kwam BONTIUS te Batavia aan. Waarschijnlijk heeft hij spoedig na zijn aankomst in Indie een dienstreis gemaakt naar de Molukken en Timor; indien wij tenminste zijn verklaring gelooven kunnen, dat hij ,,geene wonderen van hooren zeggen verhaalt, maar alleen datgene, wat hij met eigene oogen gezien of met oordeel begrepen heeft; zoodat wij ons niet kunnen voorstellen, dat hij over Timor's klimaat of plaatselijke ziekten van Ambon b.v. schrijven zal, zonder op die eilanden gevveest te zijn" 2 ). BONTIUS zelf verklaart met nadruk: Scribant alii, quibus ista mens est, miracula ex auditu : Ego, quod hisce oculis et qualicunque meo judicio percepi, vobis spectandum propono 3 ). In ieder geval was hij met den aanvang van het eerste beleg van Batavia door Sultan AGENG, den vorst van Mataram (22 Augustus 1628- 3 December 1628) weder in Batavia terug, waar hij verder steeds is gebleven. Hij heeft dus ook het tweede beleg door denzelfden Sultan AGENG (21 Augustus 1629 2 November 1629) medegemaakt. Verder blijkt BONTIUS in den tijd tusschen deze beide bele- geringen gedurende vier maanden ziek te zijn geweest, tenge- G. F. POP, 1868. De Geneeskunde bij het Nederlandsch Zeewezen. Geschiedkundige nasporingen. Zesde stuk. (Geneesk. Tijdschr. v. d. Zeemagt. VI. p. 207263). p. 233 noot. Idem. Zevende stuk. (Ibidem VII. p. i 36). 2 ) C. SWAYING, 1868. p. 301. 3) JAC. BONIRJS, 1642. De medicina Indorum Lib. IV. L.B. apud Franciscum Hackium. Anno 1642. 12. p. no. BAANBREKERS. volge van malaria, beriberi en dysenteric ; na zijn genezing begonnen zijn tweede vrouw, SARA GERARDI, met wie hij inmiddels gehuwd was, en zijn beide zoons aan dezelfde kwalen te suk- kelen. Omstreeks dezen tijd schijnt BONTIUS lid van den Raad van Justitie te Batavia geworden te zijn, waarna op I Mei 1630 zijn benoeming tot advocaat-fiscaal, als opvolger van ANTONIUS VAN DEN HEUVEL, gevolgd is. (Resolutie van Gouverneur-Generaal SPECX, d. d. i Mei I63O 1 ). Van 15 October 1630 tot 1 8 Januari 1631 nam hij bovendien het ambt van Baljuvv van Batavia tijdelijk waar. Nadat zijn tweede vrouw op 8 Juni 1630 aan cholera overleden was, trad BONTIUS voor de derde maal in het huwelijk en wel nu met de weduwe van den tijdens het tweede beleg overleden predikant JOHANNES CAVALLERIUS. Mogelijk is BONTIUS den i4 daar echter de Raadsleden over het algemeen een niet geheel zuiver geweten hadden en de Landvoogd volkomen van hun tekortkomingen op de hoogte was, lieten ze alles bij het oude; ze zouden immers toch aan het kortste eindje trekken. Zoo- doende was de geheele Raad afhankelijk van den wil des Gouverneurs, en waren zijn leden niets dan speelpoppen. Of VAN REEDE als Gouverneur van Malabar van zijn macht mis- bruik gemaakt heeft iets, wat in die dagen een zeer gewoon verschijnsel was waag ik niet te beslissen r wel heeft zijn vroegere chef en beschermer, VAN GOENS, later, zooveel als in zijn vermogen lag, beschuldigingen tegen hem ingebracht bij de Hooge Regeering te Batavia en hij heeft het daarbij zoover gestuurd, dat VAN REEDE in het laatst van 1676 plotseling ge- dwongen werd zijn waardigheid neer te leggen, en naar Batavia te vertrekken, teneinde deze kuiperijen van den kant zijner vijanden want VAN GOENS was niet de eenige, die naijverig 16 BAANBREKERS. was op VAN REEDE'S voorspoedige loopbaan , te verijdelen. Dat schijnt hem volkomen gelukt te zijn ; tenminste hij werd te Batavia benoemd tot ,,Raad extraordinaris van India". Het verluidde, dat VAN GOENS bestemd was, den Gouverneur- Generaal MAETSUYKER op te volgen, en VAN REEDE koos zeker de wijste partij, toen hij besloot, de komende dingen nietafte wachten en voor dien tijd naar het vaderland terug te keeren. Dat deed hij dan ook in het einde van 1677 als Vice-Admiraal der retourvloot. In het vaderland aangekomen, vestigde hij zich in de provincie Utrecht, verkreeg hier de Heerlijkheid Mijdrecht, en nam daarna zitting in de Staten. Doch dit verblijf in het vaderland zou van korten duur zijn: na vier jaar (16 October 1684) werd hij aangesteld als Commissaris-Generaal der Oost- Indische Compagnie, teneinde een nauwkeurig onderzoek te gaan instellen naar de toestanden in de zoogenaamde ,,West van Indie" (n.l. Ceylon, Malabar, Coromandel, Bengalen en Suratte), waar de ,,morshandel", de verboden handel der Com- pagnies-beambten, welig tierde. VAN REEDE had volmacht, iederen ambtenaar, dien hij schuldig bevond, af te zetten of te ver- plaatsen naar eigen willekeur, met dien verstande, dat de Hooge Regeering te Batavia zijn handelwijzen moest goed- keuren, voor zoover het hooggeplaatste ambtenaren betrof. Het schijnt, dat VAN REEDE zich van zijn taak op een al te nauwgezette wijze wilde kwijten; hij trad met te groote ge- strengheid op. Toch is het hem niet gelukt, het zoo diep ge- wortelde kwaad uit te roeien. Bovendien heeft hij zijn reis niet ten einde kunnen brengen ; in het laatst van 1691 van Ceylon vertrokken naar Suratte, om hier zijn onderzoek voort te zetten. overleed hij aan boord, den isden December 1691, aan een ingewandsontsteking. Na aankomst te Suratte werd het lijk aldaar met groote praal ter aarde besteld. Hoe heeft nu deze man, staatsman in merg en been, een 17 BAANBREKERS. van de hoogste ambten der O.-I. Compagnie bekleedend. iets kunnen doen voor de kennis der natuur onzer toenmalige kolo- nien? Hij zelf heeft op deze vraag het antwoord gegeven in zijn ,,Praefatio ad Benevolos Lectores", die het derde deel van zijn standaardwerk : ,,Hortus Malabaricus" vooraf ging. Het grootste en meest belangrijke deel dezer voorrede kan men vertaald vinden in de reeds genoemde biographic van de hand van Prof. P. J. VETH 1 ), terwijl ik hier wil laten volgen, wat RUSKEN HUET in zijn ,,Land van Rembrand" 2 ) over dit grootsche werk mededeelt : ,,In den dienst der Compagnie opgeklommen tot Raad van Indie en gouverneur der kust van Malabar, het voormalig rijk der Portugeezen met Goa tot hoofdstad, bezat hij, hoewel een marine-officier zonder wetenschappelijke opleiding, al op zijn veertiende jaar aan boord gegaan, den aangeboren botanischen zin van een geniaal dilettant. Hij is een der Nederlanders ge- weest, die met niet veel methode, maar met eene des te harts- tochtelijker liefde, binnen een bepaald gebied zich op de tropische flora geworpen hebben. Hetgeen hij zelf verhaalt omtrent de wijs, waarop hij aan die honderden fraai uitgevoerde afbeel- dingen van boomen, planten en vruchten gekomen is, verraadt den onverzadelijken beminnaar eener onbekende, geheimzinnig weelderige natuur". ,,Eerst klampt hij te Koetsjin, in zijn gouvernement van Malabar, pater MATTHAEUS VAN SINT-]OZEF aan; een bejaard roomsch zendeling en karmelieter monnik, afkomstig uit Napels, die al sedert langen tijd, zoo goed en kwaad het ging, met Indische botanie zich heeft beziggehouden. Daarna krijgt hij, hoewel maar voor eene poos, een Nederlander te pakken : PAULUS HERMANNUS, geneesheer in dienst der Compagnie, weldra P. J. VETH, 1887. III. p. 460-473. 2 ) CONRAD BUSKEN HUET, 1886. Het land van Rembrand. Tweede druk, Haarlem, 1886. II, 2. p. 6970 18 BAANBREKERS. te Leiden tot Professor benoemd, en naar het moederland terug- gekeerd. (Zie biz. 12). Een gezegend toeval voert eindelijk naar Koetsjin onder de Nederlanders werd Goa door Koetsjin vervangen een Jong gereformeerd predikant, JOHANNES CASEARIUS. in de wetenschappelijke botanic even on- bedreven als VAN REEDE zelf, maar bezield met eene even vurige belangstelling". ,,Nu heeft hij iemand bij de hand, die in vloeijend latijn, bij de te vervaardigen afbeeldingen. den onmisbaren tekst schrijven kan. De voorraad dier beschrijvingen groeit dagelijks aan. De Malabaren zijn een volk met eene beperkte, maar eeuwen- heugende beschaving; en weldra heeft de Hollandsche Gouver- neur uit hun midden vier teekenaars gekozen. welke hij aan zijne dienst verbindt, en die hem overal vergezellen. Onder zijne leiding vormt zich een kollegie van vijftien of zestien geleerde Bramanen, dienst doende als adviseurs. Er wordt aan alle inlandsche vorsten en hoofden geschreven om medewerking ; en daar deze lieden niets liever verlangen, dan bij den gouver- neur uit de verte hunne opwachting te maken, zenden zij vrachten exemplaren in. De specimens worden door de Bra- manen onderzocht, geschift, geklassifice erd ; alles naar de regelen der oude en overgeleverde inlandsche kennis. Somtijds rijzen er tusschen die vakmannen wetenschappelijke geschillen, die echter nooit tot oneenigheid leiden. Het treft integendeel VAN REEDE, dat er in dezen kring gedebatteerd wordt met eene voorbeeldige hoffelijkheid en humaniteit". ,,Enkele boomen en planten zijn zoo zeldzaam, dat er in den loop van een geheel jaar maar een exemplaar van aangebracht wordt. Naar andere wordt door den gouverneur in persoon medegezocht. Hij volbrengt of verzint, namens de Compagnie, zendingen naar het binnenland, rivieropwaarts en doet bij deze tochten door een paar honderd Malabaren zich vergezellen, die, 19 BAANBREKERS. zoo vaak de stroom een bosch aandoet, door hem aan land gezet, en de boomen ingejaagd worden. Van den buit, dien zij aan boord brengen, worden aanstonds door de nooit ont- brekende teekenaars afbeeldingen gemaakt, en Ds. CASEARIUS draalt niet met zijne ontwerp-beschrijving. Op die wijs komt de eenmaal beroemde Hortus Malabaricus tot stand". Ja, zoo kwam het handschrift van den Hortus Malabaricus tot stand, maar daarmee was het einddoel van VAN REEDE niet bereikt; op den weg, die voor hem lag, wachtten hem nog heel wat meer moeielijkheden, dan hij totnogtoe overwonnen had. Jammer is het, dat BUSKEN HUET het niet noodzakelijk geoor- deeld heeft, ook de wijze van publicatie van den Hortus Malabaricus te beschrijven; zeker zou dan de indruk, dien zij n woorden op den lezer maken, niet minder zijn. Nu is het beeld, dat wij van de door VAN REEDE overwonnen bezwaren krijgen, onvolledig en vaag. Volkomen juist zegt VETH x ) : ,,Maar, toonde hij zich een uitstekend man in het verzamelen der gegevens voor zijn Hortus Malabaricus, niet minder legde hij eene zelfop- offerende volharding aan den dag bij de uitgave van dit werk, waarbij hij opnieuw met groote zwarigheden te worstelen had". De plantkunde was in den tijd van VAN REEDE nog in den volsten zin des woords een beschrijvende wetenschap ; de kruidboeken der geleerden bevatten voor het grootste deel afbeeldingen en beschrijvingen van de waargenomen planten ; oorspronkelijk was hun doel, de geneeskrachtige planten, voor- komende in de werken van THEOPHRASTUS, PLINIUS, DIOSCORIDES, terug te vinden en opnieuw als medische kruiden in gebruik te nemen. Langzamerhand werden zoodoende de eerste schreden op het glibberige pad der systematiek gezet; men had een classificatie der beschreven planten noodig en maakte ze. De *) P. J. VETH, 1887. III. p. 473. 20 BAANBREKERS. groote, reeds door ARISTOTELES aangenomen, groepen waren deze drie : boomen, struiken en kruiden ; aan die indeeling werd met hand en tand vastgehouden. De verdere indeelingen waren meestal geheel afhankelijk van de willekeur der schrijvers; enkele groepen, waarvan de geleerden a. h. w. bij intuitie de onderlinge verwantschap voelden, werden algemeen aangenomen, zooals die der Composieten, der Umbelliferen, der Mossen, e. a. Zoo was de wijze van werken in den tijd van LEONARD FUCHS, die in 1542 zijn ,,Historia StirpiurrT' publiceerde, zoo was het bij CAROLUS CLUSIUS, wiens ,,Rariorum plantarum Historia" in 1576 verscheen, en zoo was het nog in den tijd van VAN REEDE. Wei had de systematiek groote vorderingen gemaakt, wat de kleinere groepen betreft; de hoofdindeeling was zelfs bij de beste systematici uit den voor-Linneaanschen tijd, CASPAR BAUHIN en ANDREA CAESALPINO, nog die in boomen en kruiden. Om een voorbeeld te geven : CLUSIUS' Rariorum plantarum Historia bestaat uit een zestal boeken, waarvan het eerste handelt over boomen, struiken en halfstruiken ; het tweede over bol- en knol- planten ; het derde over welriekende bloemen, het vierde over reukelooze bloemen ; het vijfde over vergiftige, narcotische en scherpsmakende planten, terwijl het zesde een beschrijving bevat van melksapgevende planten, Umbelliferen, Varens, Grassen, Leguminosen, en eenige Cryptogamen. Dat was ook de systematiek, die VAN REEDE toepaste ; in het eerste deel van zijn ,,Hortus Malabaricus", uitgegeven in 1678 '), dus voordat VAN REEDE in het vaderland teruggekeerd J ) De volledige titel voorin deel I van VAN REEDE'S werk luidt: ,,Hortus || Indicus II Malabaricus || Continens || Regni Malabarici apud Indos celeberrimi || omnis generis Plantas rariores || Latinis, Malabaricis, Arabicis et Bramanum Charac- teribus nominibusque expressas, || Un& cum Floribus, Fructibus et Seminibus, naturali magnitudine a || peritissimis pictoribus delineatas, et ad vivum exhibitas. II Addita insuper accurata earundem descriptione, qua colores, odores, sapores, facultates, II et praecipue in Medicina vires exactissime demonstrantur. II Adornatus 21 liAANBREKERS. was, worden boomen en heesters behandeld, eigenlijk tegen VAN REEDE'S zin, daar nu de goede rangschikking verstoord was, doordat nog lang niet alle boomen beschreven en afge- beeld waren. VAN REEDE was van plan eerst nadat hij alle boomen bijeenverzameld had, met de publicatie te beginnen ; cloor een misverstand werd in het vaderland met het drukken en uitgeven een aanvang gemaakt, zoodra men een behoorlijke hoeveelheid afbeeldingen en beschrijvingen van CASEARIUS ont- vangen had. De uitgave van het eerste deel werd bezorgd door ARN. VAN SYEN, hoogleeraar te Leiden; aan de volgende deelen werd meegewerkt door JOHANNES COMMELIN (26 126 deel) ; W. TEN RHYNE (26 deel); JOHANNES MUNNIKX (36 56 deel); THEODORUS JANSZONIUS AB ALMELOVEEN (6e deel); en ABRAHAM VAN FOOT (ye 126 deel). Het tiende deel van zijn standaard- werk is het laatste, aan welks bewerking VAN REEDE zelf nog gearbeid heeft; het verscheen in 1690, terwijl het elfde pas in 1692 van de pers kwam, dus na den dood van VAN REEDE, die II per || HENRICUM VAN RHEEDE, VAN DRAAKENSTEIN || Nuperrime Malabarici Regni Gubernatorem, nunc supremi Consessus apud || Indos Belgas Senatorem Extra- ordinarium, et primum successorem || loco ordinario destinatum, || et I! JOHANNEM CASEARIUM, Ecclesiast. in Cochin. llNotis adauxit, et commentariis illustravit || ARNOLDUS SYEN, Medicinae et Botanices in Academia || Lugduno-Batava Professor. II Amstelodami II Sumptibus JOANNIS VAN SOMEREN llet HjoANNis VAN DYCK|| Anno MDCLXXVIII. Op latere deelen worden als uitgevers vermeld: Vidua JOANNIS VAN SOMEREN, Heredes JOANNIS VAN DYCK, HENRICUS et Vidua THEODORI BOOM. In 1689 verscheen bij deze uitgevers een vertaling van de eerste twee deelen: ,,Malabaarse Kruyd-Hof, Vervattende het raarste slag van allerlei soort van Planten, enz. Bijeenvergaard door HENRIC VAN RHEEDE VAN DRAAKESTEIN. In het Latijn beschreven door JOHANNES CASEARIUS. Met aantekeningen verrijkt door ARNOLDUS SYEN. Vertaalt door ABRAHAM VAN FOOT. M.D. Anno MDCLXXXIX Tot Amsteldam. Bij de weduwe van JOHANNES VAN SOMEREN, de erfgenamen van JAN VAN DYCK, HENRIK BOOM en de weduwe van DIRK BOOM". Het oor- spronkelijke voornemen, van het geheele werk een Hollandsche vertaling uit te geven, schijnt na VAN REEDE'S dood opgegeven te zijn. __ o 2 BAANBKEKERS. den i5den December 1691 stierf. Bezig zijnde met de bewerking van het twaalfde deel, overleed COMMELIN in 1692, zoodat VAN FOOT de eenige medewerker was, ,,die", zooals VETH het uit- drukt ') ,,het einde van het vverk beleefde (1703), vermoedelijk met een gemengd gevoel van vreugde en afmatting. Waar- schijnlijk schreef hij het vvoord Laatste deel met groote vol- doening op den titel, en daar hij gelegenheid vond, ook op dien titel zelven, rekenschap te geven van het ontbreken van COMMELIN'S aanteekeningen bij plaat 15 en volgenden, was geen voorrede noodig. Zij bleef dan ook achterwege. Gelukkig echter wordt een algemeen register op de twaalf deelen niet gemist". Als standaardwerk is de ,,Hortus Malabaricus" van blijvende \vaarde al moge BUSKEN HUET spreken van ,,eenmaal beroemd" \verk, al moge het overtroffen worden door het meer bekende Herbarium Amboinense van den grooten RU.MPHIUS, het is en blijft een werk van buitengewone verdienste. De bruikbaarheid van het werk voor den tegenwoordigen tijd is zeer vergroot door HASSKARL, die in de jaren 1861 2 ), 1862 3 ) en 1867 4 ) een sleutel heeft gepubliceerd waarmee men van iedere plant ter- stond den naam volgens Linneaansche nomenclatuur vinden kan. Enkele voorbeelden, ontleend aan het eerste deel, wil ik hier noemen : de eerste plaat stelt voor een plant, waarvan als Latijnsche naam opgegeven wordt: Tenga; tegenwoordig is ze bekend als Cocos; Bala heet thans Musa; Balam pulli nu Tamarindus. ') P. J. VETH, 1887. IV. p. 123 2 ) J. K. HASSKARI., 1861. Horti Malabarici clavis nova. (Flora oder Allgem. Botan. Ztg. XLIV. p 401-408, 481488, 545 552, 577584,609616,641648. 705712, 737-745)- 3) J. K. HASSKARL, 1862. Xachtrage und Verbesserungen zu ,, Horti mala- barici clavis nova". (Flora XLV. p. 4148, 7380, 121 128, 153160, 187192). 4) J. K. HASSKARL, 1867. Horti malabarici Rheedeani clavis locupletissima. (Abh. K. Leop-Car. d. A. Vol. XXXIV. 1867. p. 1 134). BAANBREKERS. Tn denzelfden tijd, waarin in het vaderlancl met ijver gewerkt werd aan de uitgave van den ,,Hortus Malabaricus'', leefde in ons Indie, op een afgelegen eiland, ver van alle wetenschappelijke centra, de man, wiens werk wij reeds genoemd hebben als waardig tegenhanger, ja als overtreffer van VAN REEDE'S arbeid: GEORG EVERHARD RUMPHIUS. 24 EFFIGIES GEORGII EVERHAKDI RUMPHII, HAKOVZENSIS ATAT ixvm. i / /tY:'/. .'...(' ;s -fit,- Vtilttt cst '(,i>-niftim.< rrtt/rttt .d-f!/.< - ' . <$t~,*~-* J ~ ~. ' ' ~ ' ' ~ """ " BotaJliProieffl Amitflaedr aimo Kon hac eflieies BUKMAXTVI sculpta; seA ipsiun Arte I'vonietliea vivere m aere vlAe* . TaHs Paeottiw inditalur pelle4-e ! morlios ^rjbw, ant laetai Chlortcloa auggt opfs - Hi's oculis proavi, gciil torque hat B^nte remileiit Vsr^iae pi^nora ^entiSi babe r - is^eiidum lonsros T3vi G. E. RUMPHIUS. Zeventienen weer over het Herbarium Amboinense gesproken vvordt: pas in 1736 blijkt de Amsterdamsche hoogleeraar JOHANNES BURMANNUS het voornemen te hebben het Kruidboek uit te geven; dit wordt hem toegestaan: ,,met consent om deselve boecken, buyten kosten van de Comp. vervolgens in druk te mogen uytgeven, zonder eghter daerin te brengen eenige passagien die tot nadeel van de Compagnie zouden konnen strecken". Inderdaad, Prof. HARTING had wel gelijk, toen hij in zijn RuMPHius-biografie schreef 1 ): ,,alles, wat de politieke en commercieele belangen dier kolonien en de daar- van voor het moederland te trekken voordeelen betrof, werd achter een driedubbel slot bewaard, en het zoude aan de daar aangestelde ambtenaren der Compagnie als verraad zijn toe- gerekend, daaromtrent zonder uitdrukkelijk verlof iets wereld- kundig te maken". Oorspronkelijk had RUMPHIUS zijn werk in het Latijn ge- schreven (zie zyn brief aan Heeren Bewinthebberen d.d. 20 Augustus 1663, biz. 29: een werck, daerinnen int Latyn be- schreven), maar later in het Hollandsch vertaald. BURMAN achtte het nuttig, dit weer in het Latijn over te brengen en Hol- landsche en Latijnsche tekst samen uit te geven. Zoo verscheen ,,Het Amboinsche Kruidboek. Dat is beschrijving van de meest bekende Boomen, Heesters, Kruiden, Land- en Water-Plan ten, die men in Amboina en de omleggende eylanden vind. Na haare gedaante, verscheide benamingen, aanqueking, en gebruik : mitsgaders van eenige insecten en gediertens, Voor 't meeste deel met de Figuren, daar toe behoorende, Allen met veel moeite en vleit in veele jaaren vergaadert, en beschreven in twaalf boeken door GEORGIUS EVERHARDUS RUMPHIUS" . . . . , in zes folio- *) P. HARTING, 1885. GEORGE EVERHARD RUMPIUS geschetst door (Album der Natuur. 1885. p. 1 15). p. n. 41 G. E. RUMPHIUS. deelen in de jaren 1741 1750'); als zevende deel verscheen nog in 1755 het Auctuarium, eveneens door de zorgen van BURMAN 2 ). De plantensystematiek was in den tijd, waarin RUMPHIUS zijn Herbarium Amboinense bevverkte, nog een wikkelkindje ; het stelsel van indeeling, dat door VAN REEDE (zie biz. 21), werd gebruikt, was ook het systeem van RUMPHIUS; een korte opgave van de titels der twaalf boeken zal voldoende zijn om deze wijze van orde-scheppen in een overweldigende veelvuldigheid van vormen te kenmerken : Boek I : Begrypende alderley Boomen, die eetbare Vrugten dragen, en door Menschen gehavend worden ; Boek II : Behelzende de speceryagtige Boomen : dat zyn die gene, die eenige speceryagtige vrugten, schorssen, ofte wel- riekend hout dragen o Boek III : Behelzende die Boomen, dewelke eenig Hers, aan- zienlyke Bloemen, of schadelyke Melk van haar geven ; Boek IV : Handelende van de wilde Boomen, waar van v men Timmerhout heeft ; Boek V : Handelende van de overige wilde bomen onder malkanderen ; x ) Uitgevers van dit werk waren: te Amsterdam FRANCOIS CHANGUION en HERMANUS UYTWERF, te 's Hage PIETER GOSSE, JAN NEAULME, ADRIAAN MOETJENS en ANTONY VAN DOLE ; voor de deelen I IV bovendien te Amsterdam JAN CATUFFE en te Utrecht STEVEN NEAULME. Daarna kwam in 1750 een nieuwe titeluitgave van de pers, nu bij MEINARD UYTWERF, te Amsterdam, die door aankoop eigenaar van het recht tot uitgaaf geworden was. 2 ) Dit Auctuarium werd uitgegeven bij MEINARD UYTWERF en de Wed. S. SCHOUTEN EN ZOON. Verdere bibliographische bijzonderheden omtrent deze uitgaven zijn te vinden in de reeds genoemde ,,Eerste proeve van een Rumphius- Bibliographie", door G. P. ROUFFAER en W. C. MULLER. (Rumphius-Gedenkboek. 1902. p. 165220), een arbeid, z66 mooi van opzet en uitwerking, en zoo vol belangwekkende mededeelingen, dat de titel: ,,Eerste proeve", wel wat heel bescheiden is. 42 G. E. RUMPHIUS. Boek VI : Handelende van de Heesters, zo tamme als wilde ; Boek VII : Behelzende de Bosch-touvven en kruypende Heesteren ; Boek VIII : Behelzende de Hofkruyden, zo wel die tot de kost, als Medicyn, en vermaak dienen ; Boek IX : Van Winden en omslingerende kruipende Kruiden ; Boek X: Handelende van de Wilde Kruiden door Malkander; Boek XI : Handelende van de overige of resteerende wiltle Kruiden ; Boek XII : Handelende van de Zeeboompjes, en steenagtige Zeegewassen, die na een Plant gelijken. Weliswaar ontbeert een dergelijke indeeling alien vveten- schappelijken grondslag ; maar toch heeft ze een eigenaardige bekoring: ,,die Boomen, dewelke eenig Hers, aanzienelyke Bloemen, of schadelyke Melk van haar geven", ,,Bosch-touwen" voor lianen, zijn het geen bewijzen voor den onbevangen blik, waarmee RUMPHIUS in zijn Ambonsche natuur rond zich zag? In al die hoofdstukken geeft RUMPHIUS niet alleen uiterlijke beschrijvingen van de besproken planten, beschrijvingen, die meestal tot in kleine bijzonderheden juist zijn, een enkele maal wel eens, vooral waar het heel kleine bloemen betreft, niet volkomen nauvvkeurig ; maar verder een aantal aanteekeningen, volkomen natuurgetrouw en zuiver, omtrent de produkten, die door de planten geleverd worden, de plaats, waar ze gevonden of gekweekt worden, den tijd, waarin ze bloeien, de wijze van cultuur, het gebruik, dat ervan gemaakt wordt, en wel zoowel medisch als technisch, en andere dergelijke bijzonderheden. Bovendien geeft hij zooveel mogelijk van de planten, behalve Hollandsche, Maleische en Latijnsche namen, nog die in de talen van Amboina, Ternate, Banda, Makassar, Java, soms Arabic en China, Portugal en Hindoestan. ,,En daarbij had 43 G. E. RUMPHIUS. hij niet", zegt HENSCHEL in zijn meergenoemde biographie '), ,,zooals VAN REEDE te beschikken over raadgevingen en kennis van geleerde Europeanen en Brahmanen, maar hij moest zijn wetenschap zelf uit het leven putten en door eigen ervaring ,,in dese Indiaense wildernisse" met grooten ijver verkrijgen". Ook al wat op de zeden en gewoonten der bevolking betrek- king had, vvelk bijgeloof bijv. er omtrent een bepaalde plant heerschte, decide hij mede, steeds verdichtsels van waarheid scheidend. Dan vergeleek hij zijn resultaten met de mede- deelingen van PLINIUS, ARISTOTELES, zijn onmiddellijke voor- gangers BONTIUS, GARCIA AB ORTA e.a., daarbij steeds van een groote scherpzinnigheid en een schitterende belezenheid blijk gevend. Zuiver zijn zijn waarnemingen ; is hij niet volkomen zeker van de juistheid zijner mededeelingen, dan vermeldt hij dit uit- drukkelijk; waar hij bijv. voor het in zijn tijd raadselachtige voorkomen der ,,coco de mer", de vrucht der Seychellen-palm, die in Indie soms aan de kust aangespoeld aangetroffen wordt, een oplossing zoekt, daar geeft hij er een, maar met aarzeling ; hij voelt heel goed het gebrek aan feitenmateriaal en hecht zelf aan zijn vermoeden, dat genoemde vruchten zouden be- hooren tot een onder zee groeiende plant, weinig waarde. Daartegenover heeft hij bij tal van andere onderwerpen de gelegenheid te wijzen op het eigenaardige karakter der tropische flora, op de aanwezigheid van biologische bijzonderheden in het plantenleven, waar men in Noordelijke streken niet van droomt; zoo zijn ,,Bosch-touwen" ; de bekende bekerplanten, wier bekers niet als vruchten der planten, maar ,,slegts voor een uitwas van 't blad" gehouden moeten worden; het merkwaardig en nog voor onzen tijd moeilijk te verklaren verschijnsel van cauli- ') A. G. E. TH HENSCHEL, 1833. p. 50. 44 G. E. RUMPHIUS. florie, d.w.z. het te voorschijn komen van vruchten onmiddellijk uit den stam, bijv. bij Cacao, en tal van andere, belangrijke biologische waarnemingen. Van de bekende stamwoekerplant Cassytha bijv. geeft hij deze schildering : ,,de voeten van de vis Polypus gelykende, namentlyck korte vingers van witagtige wratten gemaekt, waarmede sij haer aen de voorn. takken vast setten, en haer voordeel uyt een vreemt liggaem trecken, op de selfde manier als het Viscum onze Maretakken doet, dierhalve moet men dese pootjens, voor syne wortels houden, die op den geheelen struyck soo verspreydt syn, dat men niet raden kan welcke de eerste hoofdwortel sij, daer hij syn eerste begin van genomen heeft". Ook over de verspreiding van planten heeft RUMPHIUS belang- rijke waarnemingen gedaan ; van tal van Amerikaansche planten, die vooral door den handel van Spanjaarden en Portugeezen in onze kolonien waren terecht gekomen, vermeldt hij de ver- moedelijke herkomst; bij de verspreiding van Carica Papaya bijv., waarvan trouwens reeds door JAN HUYGEN VAN LINSCHOTEN gewag gemaakt wordt, denkt RUMPHIUS aan de mogelijke mede- werking van vogels. Zoo is met recht het Ambonsch Kruidboek een standaard- werk van blijvende waarde, een voortdurende bron van studie, ook voor den botanicus der twintigste eeuw. \Veliswaar is de nomenclatuur van tegenwoordig een geheel andere, dan de door RUMPHIUS gebruikte : de officieel aangenomen prioriteitsdatum (1753, Linnaeus' Species Plantarum) immers doet het Herbarium Amboinense daar buiten vallen ; de door OTTO KUNTZE aange- wende poging om het jaar 1737 als aanvang van prioriteit te doen beschouwen, zoodat RUMPHIUS' werk er ook in betrokken werd, is mislukt. Dientengevolge is het niet altijd gemakkelijk een bepaalde plant in het Herbarium Amboinense terug te vinden ; belangrijke hulpmiddelen zijn wel hierbij de ,.Clavis 45 G. E. RUMPHIUS. Herbarii Amboinensis" van HENSCHEL ') en vooral de ,,Neuer Schliissel" van HASSKARL 2 ). Dit laatste werk heeft voor de be- studeering van RUMPHLUS' Kruidboek zeer groote waarde, temeer daar er in opgenomen zijn de resultaten van een botanische reis door de Molukken, door den Buitenzorgschen Hortulanus TEYSMANN verricht (1853 1860), door wien een aantal planten, ten tijde van HENSCHEL nog onbekend, weergevonden zijn. Behalve een uitvoerige bespreking van alle twaalf boeken van het Kruidboek, geeft HASSKARL een drietal alphabetische in- houden: een voor de Latijnsche namen van RUMPHIUS, een voor inlandsche namen, en een voor de wetenschappelijk-syste- matische namen, die in 1866 van kracht waren. Uit het totnogtoe medegedeelde blijkt dus ten duidelijkste, hoe groote verdiensten RUMPHIUS als botanicus had ; hoe hij niet alleen door zijn floristische beschrijvingen de kennis van den plantengroei op Ambon en andere eilanden van onzen Indischen Archipel heeft gegrondvest, maar hoe hij ook in zijn Kruidboek een groot aantal wetenswaardigheden over het leven der planten heeft bijeengebracht, zoodoende een begin makend met de biolo- gische bestudeering der tropische flora. Veel minder gemakkelijk is het de waarde van RUMPHIUS' werk op zoologisch gebied in zijn vollen omvang te overzien : wel geeft de Amboinsche Rariteitkamer ons een inzicht in zijn wijze van werken, en een kleine afschaduwing van zijn vele belangwekkende vondsten, maar toch zijn er gronden om aan te nemen, dat deze Rariteitkamer eigenlijk meer een werk, bestemd voor liefhebbers van natuurhistorische wonderproduk- ten, die er in dien tijd in overvloed waren, zou zijn. Voor een juiste beoordeeling van RUMPHIUS als zooloog is x ) A. G. E. TH. HENSCHEL, 1833. p. 139202. 2 ) J. K. HASSKARL, 1866. Neuer Schliissel zu Rumph's Herbarium Amboinense. (Abhandl. Naturf. Ges. Halle. IV. 1866. p. 143389). _ 46 - G. E. RUMPHIUS. dit echter geenszins voldoende, waar wij weten, dat hij behalve deze Rariteitkamer nog een boek : ,,Van Land-, Lugt- ende Zeegedierten deser eylanden", bewerkt heeft. Of dit laatste werk nog door hem afgemaakt is, is onbekend; in 1697 no g schreef de regeering te Amboina aan de Hooge Regeering over deze beide werken : ,,om welcke te perfectioneeren hij zelffs weynigh moed heeft wegens zyn ouderdom ende aen- groeyende swackheden". Maar toch wil hij gaarne aan het werk blijven, ,,om de geesten wat werck te geven, zonder het welck hy anders sorgt in melancholy zyne dagen te sullen moeten eyndigen". Helaas is echter van dit ,,Amboinsch Dier- boek" niets bekend : het handschrift schijnt verdwenen te zijn ; uitgegeven is het nooit, zoodat wij absoluut niet in staat zijn, de waarde van dit Dierboek te schatten. Wat er ooit van gedrukt is, en dit is misschien meer dan vermoed wordt, staat niet op naam van RUMPHIUS, maar is opgenomen in de ,,Ver- handeling der dieren van Amboina'', van Ds. VALENTYN. Immers het is nu wel zekerheid geworden, wat LEUPE ') en na hem tal van anderen, o. a. WARBURG 2 ) als vermoeden geuit hadden, dat nl. VALENTYN bij de bewerking van zijn in de jaren 1724 1726 verschenen ,,Oud- en Nieuw-Oost-Indien" een ruim gebruik gemaakt heeft van de aanteekeningen en handschriften van RUMPHIUS, terwijl hij het daarbij niet of maar een enkele keer noodig achtte den naam van zijn ,,zwager en boezemvriend" RUMPHIUS te noemen. Waarschijnlijk heeft VALENTIJN dan ook in zijn ,,Verhandelingen der dieren van Amboina" 3 ) RUMPHIUS' Dierboek zoodanig ,, bewerkt" of overgeschreven, dat BURMAN, J ) P. A. LEUPE, 1871. p. 3738. 2 ; O. WARBURG, 1897. Die Muskatnuss. Ihre Geschichte, Botanik, Kultur, Handel und Verwerthung, sowie ihre Verfalschungen und Surrogate. Zugleich ein Beitrag zur Kulturgeschichte der Banda-Inseln. Leipzig. 1897. p. 320. 3) Oud- en Nieuw-Oost Indie'n. Deel III. Stuk i en 2. 47 <:. E. RUMPHIUS. die in 1746 het plan opperde, om ook dit Dierboek, vvaarvan het handschrift ,,zoo ik verstaan heb, van zyn naastbestaande ofte nakomelingen zeer zorgvuldig bewaart" is, dit plan in 1 747 reeds voorgoed opgegeven heeft. Dat VALENTYN gebruik o-emaakt heeft van RUMPHIUS waarnemingen is dus zeker, alleen is niet na te eaan, in hoeverre dit o-eschied is. Kenmerkend ^> ^5 voor VALENTYNS ,,oorspronkelijkheid" zijn wel de voorbeelden die ROUFFAER en MULLER in him bibliographic ') opgeven om- trent de Paradijs-vogels als liefhebbers van Tsjampadaha- vruchten, waarover RUMPHIUS in zijn Kruidboek Deel I Boek I Fol, 109, schrijft en er bijvoegt: ,,daarvan kan bij 't Amboinsch Dierboek parte 2, wat nader gezien en gelezen worden", en de ,,Beschryvinge van den Serpenticida, of Moncus". Hoe dit echter zij, zeker is, dat RUMPHIUS behalve zijn uit drie boeken bestaande Rariteitkamer, nog drie boeken over Land-, Lugt- ende Zeegedierte geschreven heeft en voornemens was, deze drie als een Dierboek samen te vatten. Nu kennen wij RUMPHIUS' dierkundig werk zeer onvolledig en mogen wij dus over zijn waarde als zooloog geen oordeel uitspreken, al zou dit oordeel ook naar de gegevens, die wij thans hebben, heel gunstig moeten luiden. Het handschrift van de ,,Amboinsche Rariteitkamer, behelzende eene Beschrij- vinge van allerhande zoo weeke als harde Schaalvisschen, te weete raare Krabben, Kreeften en diergelijke Zeedieren, als- mede Hoorntjes en Schulpen, die men in d'Amboinsche Zee vindt. Daar beneven zommige Mineraalen, Gesteenten en soor- o ten van Aarde, die in d'Amboinsche en sommige omleggende Eilanden gevonden worden", dit handschrift kwam met bekwame hulp van SIPMAN en RUMPHIUS junior in 1699 gereed en werd irezonden aan een van RUMPHIUS' beste vrienden, den Delftschen o ROUFFAER en MULLER. 1902. p. 167. - 48 - Gedrtikt by FRANCOIS HALMA Boelcverkoper. 1705. G. E. RUMPHUIS. burgemeester Dr. D'ACQUET. Na het in 1701 ontvangen te hebben, oordeelde D'ACQUET het raadzaam dit werk, dat van zoo groot nut kon zijn voor de talrijke lief hebber-verzamelaars van ,,Schulpen en hoorntjes", die ons land toentertijd herbergde. zoo spoedig mogelijk nit te geven. Hij vertrouwde de uitgave toe aan den Amsterdamschen boekhandelaar FRANCOIS HALMA, bij wien het in 1705 verscheen. HALMA is zoo verstandig ge- weest bij de verzorging van het werk de hulp in te roepen van een deskundige: SIMON SCHIJNVOET; hij schrijft hierover in zijn opdracht aan Dr. D'ACQUET : ,,Veele zaaken ook, Ed.Achtb. Heer, waren door den Schryver maar, als men zegt, met den vinger aangeroert, die nootwendig eene nadere uitbreidinge vereischten ; gelyk'er ook zulke in 't geheel ontbraken, die er, zonder de schikking en orde van 't werk te schenden, niet aan mogten gemist worden. Hiertoe was tyd, onderzoek en arbeid van nooden; en wy willen voor Uwe Ed.Achtb. niet verbergen, dat wy zonder de hulpe en vlyt van den Heere SIMON SCHYN- VOET, groot kenner en liefhebber dezer Frayigheden, en onzer beide geeerde vriendt, niet waren terecht gekomen; als die, alles in den orond kennende, niet alleen de aftekenincren der o o af beeldzelen die 'er ontbraken, maar het werk zelf met zyne nauwkeurige waarnemingen, die hetzelve eene byzonderen luister en veel lichts toebrengen, doorgaans verrykt heeft". Op een dergelijke wijze dus als BURMAN zorgde voor de uitgave van het Kruidboek, was door SCHYNVOET gezorgd, dat de Rariteit- kamer meer volmaakt werd. Immers RUMPIIIUS bezat op zijn ver van alle westersche wetenschap verwijderde woonplaats zoo goed als geen boeken over het onderwerp, dat in zijn Rariteit- kamer behandeld werd en de weinige boeken, die hij bezeten had, waren door den grooten brand van 1687 vernietigd. Dus was het handschrift, zooals het uit Indie kwam, niet voor de pers geschikt; het moest hier en daar wat bijgewerkt en aan- 49 G. E. RUMPHIUS. gevuld en verbeterd worden, zoodat het meer in overeen- stemming kwam met den stand der wetenschap in het Westen. Het eerste boek der Rariteitkamer, gewijd aan de ,,Weeke Schaalvisschen", bevat een uitvoerige behandeling van de in de Molukken voorkomende Crustaceeen, waaronder vooral zijn beschrijving van de in vele opzichten zoo belangrijke Molukken- kreeft, Limulus Moluccanus Lam., onze belangstelling verdient ; verder geeft hij beschrijvingen en afbeeldingen van een aantal stekelhuidigen : Zeeegels, Zeesterren, en Slangsterretjes en van nekele Koralen, uit welke groep echter de meeste vertegenwoor- digers besproken zijn in het twaalfde boek van zijn Herbarium Amboinense ; in het geheel beslaat dit eerste boek der Rariteit- o kamer 54 bladzijden en 16 platen. Zooals overal in zijn werken geeft RUMPHIUS ook hier niet een droge beschrijving der in de Molukken voorkomende diersoorten, maar vlecht hij hier en daar bijzonderheden in van groot belang omtrent het leven der dieren, hun aardrijkskundige verspreiding, hun nut voor den inlander e.a. Zoo is bijv. uitermate belangrijk, ook voor ons in den tegenwoordigen tijd nog, wat hij meedeelt over het zoo merkwaardige voorkomen van de ,,Wawo", Lysidice Oele R. HORST (Rariteitkamer Boek I, Hooftdeel 44, Fol. 51 54) ') Hetgeen RUMPHIUS ons hier verhaalt over wat hij omtrent de levenswijze van deze, twee eeuwen na zijn tijd nog bijna even raadselachtige, wormsoort waarnam, is een zoo mooi bewijs voor zijn scherpe opmerkingsgave, dat ik er hier even bij wil stilstaan. RUMPHIUS beschrijft deze dieren als: ,,Wormtjens, schaars een voet lang, in de dikte zommige als zeilgaarn, doch de meeste als getweernde zyde, in klompjes door malkander vermengt, daar in men altyd d'eene grooter, dikker en langer ziet dan de andere, 't welk men voor de Moeder houd. De *) R. HORST, 1902. Over de ,,Wawo" van RUMPHIUS. (Rumphius-Gedenkboek. 1902. p. 105108). 50 G. E. RUMPHIUS. coleur is veelderley. De meeste zyn donker groen, doch daar onder speelt vuilwit of geel, rood, bruyn en een weinig blauw , . . . welk men de Moeder noemt heeft de dikte van het groffste zeilgaren, en zomtyds als een dunne schacht, bleekgeel of wit- agtig, het hooftje even buiten 't water steekende, daaraan men niets dan twee hoorentjes bekennen kan, gelyk de Slekken hebben, en aan iedere zyde vier duidelyke voetjes, gelyk rupzen". Maar behalve deze uiterlijke vormbeschrijving doet RUM- PHIUS ons hier een allermerkwaardigst verschijnsel kennen, dat deze wormen vertoonen: ze komen alleen op gezette tijden, en wel eenmaal per jaar, ,,na zonsondergang op het water drijven, nabij die stranden, waar groote rotsen in zee staan, die vol scheuren zijn; bij brandende toortsen worden ze dan met uitgespannen doeken of fijne zeven uit het water geschept" J ). En de tijd, waarop de dieren aan het strand komen is juist na zonsondergang ,, alleen den 2den, -^den en 4- bibliographie gezegd : ,,De studie, die naar waarheid teruggeeft, hoe aanzienlijk veel RUMPHIUS gecorrespondeerd heeft met 57 <;. E. RUMPHIUS. allerlei soort van personen, geleerden en ongeleerden, doch alien belangstellenden, alles ter vermeerdering van zijn kennis, alles vooral ter verrijking van zijn Kruidboek en zijn Rariteit- kamer, . . . deze zeker hoogst belangwekkende studie moet nog geschreven worden"! RUMPHIUS woonde welisvvaar in een uithoek der wereld, verstoken van dagelijkschen omgang met andere geleerden, maar toch niet geisoleerd. Zijn verdienstelijke werkzaamheid werd algemeen bekend; van allerlei kanten trachtte men hem hiervoor te huldigen-, de Heeren Bewinthebberen deden op him manier het hunne om te toonen, hoezeer ze zijn arbeid op prijs stelden. Zij moedigden hem steeds aan op den ingeslagen weg voort te gaan en wisten werkelijk zijn Kruidboek naar waarde te schatten; zijn zoon PAULUS AUGUSTUS werd, zooals we zagen, benoemd tot koopman ,,omme die pryselycke moeyte niet onbeloont te laeten, en voornoemde RUMPHIUS bij provisie eenigermate dieswegen te remunereren". Ook uit wetenschappelijke kringen werd hern getoond, van hoe groot belang men zijn pioniersarbeid in de tropen achtte; vermoedelijk op aanbeveling van zijn twee vrienden CLEVER en MENTZEL werd hij in 1 68 1 benoemd tot lid der Academia Naturae Curiosorum ; hem werd volgens de in dat genootschap heer- schende merkwaardige gewoonte de bijnaam ,,Plinius Indicus" gegeven. Goed bedoeld was deze ,, cognomen" zeker en de leden der Academia wilden hiermede vooral uitdrukken, hoe- zeer RUMPHIUS' werkkracht en veelzijdigheid hun verdienstelijk voorkwam ; maar toch kunnen we Du PETIT THOUARS geen ongelijk geven, als hij in zijn korte levensbeschrijving van RUMPHIUS T ) in de Biographic Universelle de volgende opmer- L. M. A. A. Du PETIT THOUARS, 1825. Artikel: ,,RUMPF, (GEORGE EVERARD)" in: Biographic Universelle ancienne et moderne .... redige'e par une Societe de gens de lettres et de savants. (Tome 39. p, 317322). p. 3190. - 58 - G. E. RUMPIIIUS. king maakt: ,,C'etait pour cela que, suivant son usage, cette compagnie savante 1'a nomme Pline par autonomase; mais il y avait cette difference que Pline 1'Ancien avait adopte souvent sans examen ce que ses predecesseurs lui avaient transmis, tandis que le Nouveau avait verifiee par lui-meme tout ce qu'il avait annonce de plus extraordinaire". Dat in den tegenwoordigen tijd de vereering door weten- schappelijke personen niet minder is, blijkt wel ten duidelijkste uit de reeds vermelde woorden van Prof. WICHMANN (zie biz. 54), maar vooral ook uit de algemeene instemming, die aan de in 1902 door het Koloniaal Museum georganiseerde Rumphius- herdenking is ten deel gevallen. Tal van geleerden, botanici, zoologen, geologen, historici, werkten daarbij samen om een zijner waardig Rumphius-Gedenkboek tot stand te brengen en inderdaad is deze Hollandsch-Duitsche eendracht met groot succes beloond. Bovendien werd hem ter eere een Rumphius- medaille geslagen en een Rumphiusfonds gesticht met het doel deze Rumphius-medaille in goud periodiek toe te kennen ,,aan natuuronderzoekers, die geoordeeld worden groote verdiensten zich verworven te hebben voor het onderzoek van den Neder- landsch-Indischen Archipel, bepaaldelijk het oostelijk gedeelte daarvan" '). Is het voor een land als het onze, met een zoo groote bron van inkomsten in de kolonien niet een betreurens- waardig feit, dat dit zoo sympathieke fonds pas ongeveer f 7000 bedraagt, waarvan de helft uit een legaat afkomstig? Hoe lang zal het nog moeten duren, voor de grootsche gedachte van GRESHOFF : ,,Indien eenmaal de Molukken uit hun huidige lethargic gewekt worden, dan zal er te Hila op Amboina een .,,Rumphius-station" moeten verrijzen als centrum voor 't natuur- Zie Inleiding Rumphius-Gedenkboek. 1902. (p. VIII) en Bijlage van het Bulletin Kolon. Museum. No. 28 (p. 12 noot). 59 (I. E. RUMPH1US. historisch onderzoek der door Nederland zoo vervvaarloosde Molukken" verwezenlijkt wordt? Waarlijk, ons land kan een man als RUMPIIIUS niet genoeg in eere houden ; op tal van onderzoekingsgebieden was hij de baanbreker ; voor het syste- matisch onderzoek der flora en fauna van Indie heeft hij ons een voorbeeld gegeven als geen ander, een voorbeeld, dat totnogtoe te weinig navolging gevonden heeft. En daarbij werkte en schreef RUMPHIUS met een bescheidenheid en een nauwgezetheid, als helaas in personen van wetenschap te vaak ontbreken. ,,A11 for love, nothing for reward", het woord, dat Prof. GOEBEL ') als motto boven het Kruidboek zou willen plaatsen, is zoo volkomen juist gekozen. Hoe RUMPHIUS vanuit Europa aangemoedigd werd met zijn studien voort te gaan, hebben we gezien ; nog te vermelden valt het blijk van belangstelling, dat hem COSIMO III DE MEDICI, Groothertog van Toskane, gaf door een uitgezochte collectie ,,rariteiten" waaraan RUMPHIUS jarenlang gewerkt had, van hem als geschenk aan te nemen. Als mooi resultaat van de Rumphius- herdenking mag wel gelden het terugvinden van alle daarop betrekking hebbende papieren, waaronder brieven van RUMPHIUS, en enkele voorwerpen daaruit, in het museum te Florence. Een groot deel dezer collectie, vooral schelpen, bevindt zich thans in het Staatsmuseum te Weenen. De 1 5<3e Juni 1 702 was een belangrijke dag voor het natuur- onderzoek van Indie ; een dag, waarop de eerste periode van bloei, die wij danken aan krachtige figuren als VAN REEDE en RUMPHIUS door het overlijden van den laatste afgesloten werd. De belangrijke ontwikkeling van dit natuuronderzoek in de zeventiende eeuw lag dus voornamelijk op het gebied van J ) K. GOEBEL, 1902. RUMPHIUS als botanischer Naturforscher. (Rumphius- Gedenkboek. 1902. p. 5962). 60 G. E. RUMPHIUS. flora- en fauna-bestudeering ; hier en daar werden de eerste pogingen gedaan tot onderzoek der eigenlijke biologie, terwijl de anorganische natuurwetenschappen nog zeer weinig beoefend werden. Wat daarover in dien tijd gewerkt is, is uitsluitend het zeer primitieve scheikundig onderzoek der mineralen in RUMPHIUS' Rariteitkamer Boek III, waarbij vooral een criterium was, of de mineralen in limoensap kookten en een enkele optische waarneming, als bijv. de phosphorescentie van diamant. Zoo is het jaar 1702 geworden een punt van scheiding tusschen een bloeiperiode en de volgende ,,steriele" acht- tiende eeuw. 61 HOOFDSTUK III. De achttiende Eeuw. 1702 1816. Scherp is de tegenstelling tusschen het Indisch natuuronder- zoek in de gouden eeuw en in het volgend tijdvak, dat een aanvang neemt na RUMPHIUS' dood (1702) en zich meer dan honderd jaren lang voortzet tot de teruggave van onze kolonien door de Engelschen (1816): de gouden eeuw getuigend van opgewekt leven, van doelbevvuste natuurstudie, zij het dan ook slechts door weinige personen, met als schitterende resultaten de grootsche werken van een VAN REEDE en een RUMPHIUS ; haar opvolgster getuigend van een droevig lijden : een enkele, die zijn krachten geven wil, wordt daarin door de koopmans- staatkunde der Compagnie gedwarsboomd. Voor de Compagnie zelf was het begin der achttiende eeuw een tijdperk van uitwendigen, van schijnbaren bloei, van oogen- schijnlijk belangrijke welvaart, tenminste van groote winsten. Schatten werden verdiend ; aandeelen en uitkeeringen stegen al hooger en hooger; jaarlijksche dividenden van 30, ja 40 procent waren geen zeldzaamheid ; aandeelen werden verhandeld tegen het twaalfvoud hunner oorspronkelijke waarde. Steeds meer 62 DE ACHTTIENDE EEUNV. gebied werd aan het bezit der Compagnie toegevoegd ; krachtige bestuurders en tactvolle admiraals vverkten samen om het aan- zien der Souvereine Maatschappij te vergrooten. En toch waren deze kenteekenen van bloei uitwendig : de Compagnie had haar hoogtepunt reeds overschreden ; innerlijk begon een periode van geleidelijk verval. Als zoo vaak had ook hier toenemende welvaart een verslapping van het geestelijk leven ten gevolge : het persoonlijk karakter harer ambtenaren Het dikwijls te wenschen over; de zorg voor geestelijke belangen werd op den achtergrond gedrongen, waar het geld al meer en meer macht kreeg en steeds meer zijn invloed deed gelden. ,,Het geheele raderwerk der inwendige administratie was allengs een zoodanig weefsel van intrigues geworden, dat de Compagnie nauwelijks meer op bekwame of eerlijke dienaren rekenen kon, en diefstal en onrecht, aan het algemeen belang gepleegd, niet alleen straffeloos geduld, maar verontschuldigd en zelfs beloond werden" '). Waar zulke toestanden heerschten, was uit den aard der zaak onder de ambtenaren der O.-I.-C. iemand, begaafd met liefde en aanleg voor wetenschappelijk onderzoek, een witte raaf; temeer waar de Hooge Regeering maar zelden blijken gaf, dergelijke onderzoekingen te willen steunen en tot de openbaarmaking ervan te willen medewerken. De houding van het Indisch Bestuur gedurende deze eeuw tegenover iedere uiting van wetenschappelijke werkzaamheid, wordt wel het best gekenmerkt door de woorden, waarin uitgedrukt was de voor- waarde, gesteld aan den Hoogleeraar DONATI, die zich .,met voorschrijving der Kamer van Zeventienen tot wetenschappelijke nasporingen naar Batavia begeven had, wien dan ook, uit dien hoofde, de Indische Regeering de noodige hulp daartoe beloofde, J ) H. BLINK, 1913. Een eeuw van koloniaal bewind. (Vragen van den Dag. - P- 513-605). p. 523. DE ACHTTIENDE EEIAY. cloch met het bekrompene bijvoegsel, ,,van tevens te zullen zorgen, dat die heeren hunnen weetlust alleen bij voorwerpen hunner studie bepaalden, en gelijk niet zelden gebeurd is, geen misbruik van het verleende verlof zouden maken" ' '). Weinigen waren er dan ook, die zich, ondanks de geringe belangstelling van de zijde der Regeering, toch aan werk in dienst der Wetenschap wijdden, en niemand toonde een zoo grootsche gave en een zoo onuitputtelijke werkkracht, als de grootste der zeventiende eeuw, RUMPHIUS. pRANgois VALENTYN, jonger dan RUMPHIUS en in vele op- zichten zijn leerling, was een man van ongetwijfeld groote gaven, van een aanzienlijke werkkracht, maar zonder veel oor- spronkelijkheid. Een volkomen rechtvaardige beoordeeling van VALENTYNS werk op het gebied van Indisch natuuronderzoek te geven, is een uiterst moeilijke taak ; aan den eenen kant komen we onder den indruk van zijn overweldigend groote kennis en het omvangrijke feitenmateriaal, waarvan zijn Oud- en Nieuw-Oost-Indien 2 ) een zoo schitterend getuigenis aflegt ; maar daartegenover moeten we voortdurend in het oog houden, *) N. G. VAN KAMPEN, 18311833. Geschiedenis der Nederlanders buiten Europa. (3 din. in 4 bdn. Haarlem. I. 1831; II. 1831; III. i. 1832; III. 2. 1833). III. i. p. 169. 2 ) De titel luidt: Oud en Nieuw || Oost-Indien, || vervattende || Een Naaukeurige en Uitvoerige Verhandelinge van || Nederlands Mogentheyd || In die || Gewesten, || Benevensll Eene wijdlustige Beschrijvinge der Moluccos, Amboina, Banda, Timor, || en Solor, Java, en alle de Eylanden onder dezelve Landbestieringen || behoorende; het Nederlands Comptoir op Suratte, en dellLevens der groote Mogols; ||als ook |1 Een Keurlijke Verhandeling van 't wezenlijkste, dat men behoort te weten van || Choromandel enz. enz. II door || FRANCOIS VALENTYN ,||Onlangs Bedienaar des Goddelijken Woords in Amboina, Banda, enz. ||in vijf deelen. || T ( Dordrecht ) ... $ JOANNES VAN BRAAM, ) Boekver- ' t Amsterdam \ J \ GERARD ONDER DE LINDEN, ji koopers. MDCCXXIV. Met Privilegie. - 64 - FRANCISCU.S VALEKTINUS, Qws.^tMr.r.r M.J,,-L- VERBI DIVINI MINISTER AMBOINE N > I > . Kfat: 5 8 DE ACHTTIENDE EEUW. van hoe weinig originaliteit en hoe weinig eerlijkheid zijn handel- wijze met betrekking tot RUMPHIUS' Dierboek (zie biz. 47) ons spreekt. VALENTYN was een werker in den goeden zin des woords, maar hij was ook een ijdele persoonlijkheid, die zich niet schaamde, handschriften van zijn overleden leermeester en verwant RUMPHIUS als de zijne uit te geven. Dordtenaar van geboorte (1666), gaf hij reeds als jongen van een jaar of twaalf blijk van grooten aanleg en van buiten- gewonen ijver, vooral op taalkundig gebied, studeerde theologie en was reeds op zeventienjarigen leeftijd proponent, vertrok Mei 1685 naar den Oost, waar hij spoedig na aankomst ,,door zijn innemend gedrag en gepaste vrijmoedigheid", zegt VAN KAMPEN T ), met den Gouv.-Gen. CAMPHUYS in kennis kwam, die hem op zijn v.erzoek als prediker naar Ambon zond. Hier kwam hij onder invloed van RUMPHIUS, die hem een leermeester was voor de Maleische taal en door wiens hulp hij ook met Ambons natuurlijke gesteldheid vertrouwd raakte. Op Ambon vertoefde hij van 1686 tot 1694, welk verblijf echter onder- broken werd door een verplaatsing naar Banda, vanwaar hij na een tienmaandsche afwezigheid weer naar Ambon terug- keerde. In 1694 vertrok hij naar het vaderland, om eerst in 1705 naar Indie en in 1707, dus lang na RUMPHIUS' dood. naar Ambon weer te keeren, in 1714 voorgoed de tropen te verlaten en zich in het vaderland te vestigen, waar hij de uit- gave van zijn Oud- en Nieuw-Oost-Inclien verzorgde (1724 1726). VALENTYNS werk op natuurwetenschappelijk gebied maakt geheel den indruk van compilatie-arbeid, van een ineenvlechten van talrijke belangwekkende bijzonderheden, die hij aan anderer werk, en wel voor een deel aan het handschrift van RUMPHIUS' Dierboek ontleende. Van oorspronkelijk natuuronderzoek, van N. G. VAN KAMPEN, 1831. II. p. 398. _ 65 - DE ACHTTIENDE EEUW. zelfstandige beoefening der natuurwetenschap was bij hem eigenlijk geen sprake ; hij was in de eerste plaats letterkundige en zocht maar al te vaak zijn kracht in mooie zinswendingen, in gezwollen taal en in omhaal van woorden. De meening van VAN KAMPEN ') : ,,Gelijk RUMPHIUS de voortbrengselen van Amboina en den omtrek voor den Natuurkundige beschreven heeft, zoo heeft VALENTYN zulks voor den gewonen lezer en liefhebber gedaan, en maakt daarom ook geene aanspraak op bijzondere botanische of zoologische kunde of rangschikking, maar slechts op de gave van goede en nauwkeurige waar- nemingen", lijkt mij dan ook in drie opzichten onjuist, enwel: ie was RUMPHIUS' Rariteitkamer veeleer een goed populair boek, dan VALENTYNS werk ; 26 maakte RUMPHIUS ook geen ,,aanspraak op bijzondere botanische of zoologische kunde of rangschikking", en 36 waren de ,, goede en nauwkeurige waarnemingen" niet van VALENTYN, maar van anderen. Daarmede is echter volstrekt niet gezegd, dat VALENTYNS Oud- en Nieuw-Oost-Indien voor onze kennis der natuur waar- deloos zou zijn; het boek bezit ontegenzeggelijk groote ver- dienste en is nog steeds een belangrijke bron van ons weten, maar daartegenover is een lofprijzing als een boek, waarin ,,al hetgeen hij ons heeft medegedeeld het kenmerk van eenvoudig- heid en waarheidsliefde draagt" 2 ), even onjuist als onverdiend. Zelfstandig natuurwetenschappelijk onderzoek is in de acht- tiende eeuw schaars, vooral op het gebied der organische natuur. Dank zij de koopmansstaatkunde der O.-I.-C., die zelfs reizen naar het binnenland als weglooperij en vagabondage beschouwde en met kettingstraf bedreigde, is dan ook de geheele periode van het begin der eeuw tot 1778 een trooste- x ) N. G. VAN KAMPEN, 1831. II. p. 399. 2 ) W. R. VAN H6EVELL, 1839. p. 35. - 66 DE ACHTTIENDE EEUW. looze woestenij, waarin zich slechts hier en daar kleine oasen bevinden. Enkele bijdragen in dezen tijd tot onze kennis der tropen- wereld danken wij aan een klein getal expedities, die meest met politieke doeleinden uitgerust werden en wier leden nu en dan een gedwongen oponthoud op een der eilanden gebruikten, om flora en fauna en vooral de nuttige gewassen te bestu- deeren. Het meeste resultaat hebben wel opgeleverd de tochten van BOUGAINVILLE, van JAMES COOK en van PROVOST. BOUGAINVILLE'S tocht, die tot voornaamste doel had de Falk- landseilanden aan Spanje terug te geven, was een reis om de wereld (1766 1769), waarop van onze kolonien bezocht werden Boeroe, Boeton, Saleyer en Java. Als natuuronderzoeker ging mee COMMERSON, die in 1773 op Mauritius stierf en dus waar- schijnlijk geen deel had in BOUGAINVILLE'S reisbeschrijving. COMMERSONS plantenverzamelingen bevinden zich in Parijs en Geneve. Ook JAMES COOK werd op zijn eerste reis (1768 1771) door den natuuronderzoeker Sir JOSEPH BANKS vergezeld, die zich in onzen Archipel vooral met het verzamelen van visschen bezig hield, terwijl de Fransche onderzoeker P. SONNERAT zich aansloot bij een door POIVRE, den Gouverneur van Mauritius uitgeruste expeditie onder bevel van PROVOST. Deze expeditie, die in de jaren 1771 1772 plaats vond, is van het drietal de meest succesvolle geweest; SONNERAT keerde in 1773 naar Frankrijk terug, waar in 1776 zijn reisverhaal als boek verscheen I ). In 't bijzonder mogen zijn vogelplaten genoemd worden en zijn beschrijving van muskaat en kruidnagelen in de Molukken. P. SONNERAT, 1776. Voyage a la Nouvelle Guinee [paries Seychelles et les Philippines] dans lequel on trouve la description des Lieux, et des details relatifs a 1'Histoire Naturelle dans le Regne Animal et le Regne Vegetal. Paris 1776. Duitsche vertaling: Reise nach Neu-Guinea. Leipzig 1776. - 67 - DE ACHTTIENDE EEUW. Maar gelukkig was onder 1 de Nederlanders in de kolonien de liefde voor de natuur nog niet geheel ingeslapen, het voor- beeld van NICOLAAS WITSEN, den Amsterdamschen Maecenas, die steeds bereid was wetenschappelijk onderzoek te steunen en de kosten van ontdekkingsreizen op zich te nemen ') en die ook op zijn kosten een keurcollectie teekeningen van Javaansche planten maken liet, welke verzameling zich thans in Teylers Museum bevindt 2 ), wekte navolging. Met behulp van teeke- ningen, grootendeels door SAMUEL FALLOURS, ziekentrooster op Amboina, gemaakt, vermoedelijk met steun van den Amboin- schen Gouverneur BALTHASAR COYETT en door CORNELIS DE VLAMING uit Indie meegebracht, bewerkte Louis RENARD, agent van den Koning van Frankrijk te Amsterdam, omstreeks 1720 zijn groote werk over de Moluksche visch- en kreeftenfauna 3 ). Maar het meest in bijzonderheden bekend zijn de lotgevallen der teekeningen, vervaardigd door den kunstenaar J. C. LOTEN 4 ). LOTEN, als onderkoopman in 1731 naar Indie gegaan, werd spoedig aangesteld als fiscaal van Java's Noordkust, met stand- plaats Semarang, keerde 1741 naar Batavia terug, vertoefde 1744 1750 als Gouverneur van Makassar op Celebes, werd benoemd tot Raad extraordinaris en in 1752 tot Gouverneur *) Zie over NICOLAAS WITSEN het boeiend geschreven artikel : M. GRESHOFF, 1909. NICOLAAS WITSEN als Maecenas. (Album der Natuur. 1909. p. 125153. m. portr.). 2 ) Zie D. LUBACH, 1867. Notes bibliographiques. II. Piantae javanicae pictae. (Archives du Musee TEYLER. I. p. 140-143). En D. LUBACH, 1880. Teekeningen van Javaansche planten, bezorgd door NICOLAAS WITSEN. (Album der Natuur. 1880. p. 3132). 3) L. RENARD, 1754. Poissons, ecrevisses et crabes de diverses couleurs, et figures extraordinaires, que Ton trouve autour des Mouluques et sur les cotes des terres australes. Amsterdam. 1754. fol. De catalogus der bibliotheek-TEYLER vermeldt het bestaan van een i en druk van 1718. 4) P. J. VAN HOUTEN, 1906. Twee natuurlief hebbers uit de i8 e eeuw. (Bulletin Kol. Mus. Haarlem. No. 34. 1906. p. 7181). 68 DE ACHTTIENDE EEUW. van Ceylon. Hier was het, dat LOTEN, die vroeger zelf zich met het teekenen van Indische dieren had beziorcrehouden, het oo teekentalent ontdekte van DE BEVERE, een jongen man van grootendeels inlandsche af komst. De BEVERE wordt door LOTEN in huis genomen en eenigszins in de teekentechniek onderricht ; LOTEN zegt van hem in een zijner brieven, dat hij was ,,een jongeling, van inlandsche Ceylonsche ouders geboren, bij mij inwonende en mij zeer veel in het afteekenen helpende". Het blijkt dus, dat ook LOTEN zelf zich nog tijdens zijn verblijf op Ceylon, met teekenen bezighield. Het kunste- naarstalent van DE BEVERE ontwikkelde zich schitterend; streng nauwgezet werker, fantaseerde hij nooit, gaf hij met een bewon- derenswaardige vaardigheid en vastheid van hand lijnen en kleuren weer, yoornamelijk van vogels, maar ook wel van zoog- dieren, visschen, planten, enz. LOTEN maakte bij al deze platen ,,Aanteekeningen om indertyd te kunnen dienen tot het in order brenaen van het creene ik successive heb verzameld zo in tekenen > O naar het leeven als geschrift om eenig licht te kunnen bybrengen tot de Natuurlyke Historic van Oost-Indien en voornamelyk van Java, Celebes en Ceylon". Bij LOTEN'S vertrek van Ceylon naar Batavia als ,,Raad ordinair van Indie" ging DE BEVERE mee, die ook daar teekeningen vervaardigde o.a. van aldaar aange- brachte Moluksche papegaaien. In 1758 repatrieerde LOTEN als Admiraal cler retourvloot, vestigde zich daarna te Fulham bij Londen, later te Utrecht, waar hij 25 Februari 1789 overleed '). Het was dus wel geen wetenschappelijk onderzoek, dat door ') Van LOTEN'S platenverzameling is o.a. gebruik gemaakt voor de illustratie van G. EDWARDS, 1758. Gleanings of natural history, exhibiting figures of quadrupeds, birds, insects, plants, etc. Most of which have not, till now, been either figured or described. With descriptions of seventy different subjects, designed, engraved and coloured after nature on fifty copper-plate prints. London, 1758. - 69 - DE ACHTTIENDE EEUW. al deze bekende en onbekende kunstenaars beoefend werd, veeleer een uiting van liefde voor het schoone, kleurenrijke en indrukwekkende der Indische dierenwereld. Onderzoek van zuiver wetenschappelijken aard, naspeuringen over het leven der dieren ontbreken in deze eeuw geheel. Een richting van natuurvvetenschap was er, die buiten het bereik der Compagnies-achterdocht viel en wier licht niet ver- duisterd worden kon door de invloedrijke domperpolitiek dier dagen, namelijk de sterrenkunde. In de inleiding zagen we reeds, hoe door de zeevaarders onzer zestiende eeuw, door de HOUTMANS, HUYGEN VAN LiNscHOTEN, en zooveel anderen hier en daar wetenschappelijk sterrenkundig onderzoek was verricht, weliswaar zonder veel systeem en meer met het oog op de practische resultaten, maar toch als pioniersarbeid vermeldens- vvaard. Dat was ook het eenige gebied, waarop in de acht- tiende eeuw, tenminste in de eerste helft, zelfstandig onderzoek in onze kolonien verricht werd. Onder de Indische predikanten was te dien tijde een weten- schappelijke drang merkbaar, die zich meest kenbaar maakte in taal- en letterkundige studien, in bijbelvertaling en in ver- taling van Javaansche en Maleische sagen, maar zich ook wel eens in natuurwetenschappelijke richting bewoog. Zoo was de eenige zelfstandige werker in dien tijd een predikant, JOHAN MAURITS MOHR, geboren (Aug. 1716) Duitscher, maar reeds op i6-jarigen leeftijd te Groningen als student ingeschreven. Even twintig jaar oud, werd MOHR voor de Indische kerken aange- nomen, deed eerst eenigen tijd dienst bij leger of vloot en aanvaardde in Februari 1739 het predikambt bij de Portugeesche Gemeente te Batavia. MOHR'S predikantenloopbaan was een glansrijke, al waren er, vooral in het begin, tallooze moeilijk- heden voor hem te overwinnen. O.a. bekleedde hij van 1745 tot X 753 het rectorsambt van het door den G.-G. VAN IMHOFF 70 DE ACHTTIENDE EEUW % opgerichte Seminarium te Batavia 1 ). Omstreeks 1750 begint MOHR zich op sterrenkundige studien toe te leggen ; tenminste in dat jaar en enkele volgende jaren worden hem door den Leidschen hoogleeraar JOHANNES ZULOFFS en een zekeren J. PAAUW Jr., misschien instrumentmaker, boeken en instrumenten gezonden : astronomische verrekijker, heliometer, pluviometer, zee-octant, enz. In 1761 werd door hem voor het eerst de ware lengte van Batavia vastgesteld, in welk jaar hij de passage van Venus over de zon waarnam. Batavia's Jigging bepaalt hij op 6 9' zuiderbreedte en 106 50' oosterlengte van Greenwich. Maar dit betrekkelijk primitief ingerichte onderzoek geeft MOHR geen bevrediging; hij moet een observatorium hebben, om zich daar geheel in zijn astronomische studies te verdiepen. Van de O.-I.-C. is geen hulp te verwachten; er blijft hem niets anders over, dan zelf een gebouw te stichten, waartoe hem zijn groot fortuin in staat stelt. Hoe MOHR zoo onmetelijk rijk geworden is, is onbekend; VETH 2 ) vermoedt, dat zijn huwelijk met de Weduwe VAN GEHREN ,,de voorname bron van zijn rijkdom zal geweest zijn". In ieder geval was MOHR niet rijk, toen hij Europa verliet en kunnen we ons niet voorstellen, dat hij van de 90 gulden 's maands, welk salaris later tot 130 gulden ver- hoogd werd, ,,onmetelijke rijkdommen" overlegde, ook al nemen we in aanmerking, dat het rectoraat van het Seminarium hem 1000 gulden per jaar extra opbracht. ,,De heer MOHR", schrijft de reeds genoemde wereldreiziger BOUGAINVILLE 3 ), ,,eerste leeraar van Batavia, een man van on- metelijke rijkdommen, maar veel achtingswaardiger door zijne ') Zie P. J. VETH, 1885. JOHAN MAURITS MOHR (Gids, 1885. 4 e Serie. 3 e Jrgng. III. p. 5587). p. 69. 2 ) P. J. VETH, 1885. p. 67. s) Zie P. A. LEUPE, 1864. lets over den Nederlandschen Sterrekundige JOHAN MAURITS MOHR te Batavia. (Bijdr. tot de taal-, land- en volkenkunde van Ned.-Indie. Nieuwe volgreeks. Zevende deel. 1864. p. 160168). p. 162. DE ACHTTIENDE EEUW. kundigheden en geneigdheid tot de wetenschappen, heeft aldaar Batavia in een tuin van een zijner lusthuizen, een sterre- schouwplaats, die ieder koninklijk geslacht eer zoude aandoen, laten oprigten". Verder vindt BOUGAINVILLE ,,het lofwaardigste" in dezen sterrekundige, dat hij, ,,die buiten kijf de rijkste der kinderen van Urania is, er zelf waarnemingren doet" o Het was MOHRS bedoeling, het observatorium gereed te hebben voor Juni 1769, wanneer weer een overgang van Venus voor de zon verwacht werd, en inderdaad vinden wij dan ook in de Verhandelingen van de Holl. Maatschappij van Weten- schappen te Haarlem r ) een ,,Waarneming van Venus bij haren uitgang van de Zonneschijf, gedaan den 41 5 (15 Januari) de organisatie van Onderwijs, Geneeskundigen dienst, Landbouw, Nijverheid en Wetenschappelijk Onderzoek in Indie opgedragen werd, een taak, te veelomvattend voor de werkkracht van een persoon, ook voor een ,, steeds werkzamen geest", als die van REINWARDT. Bevorderine van natuuronderzoek was wel de meest aan- c> trekkelijke taak voor den geleerde : weliswaar vermeldt het tweede artikel van het Koninklijk Besluit als zijn plicht, om ,,onze Commissarissen-Generaal, alsmede Gouverneur-Generaal in rade, te dienen van consideratien en advies over alle poincten en questien over welke zy respectievelyk goed zullen vinden hem te raadplegen speciaal voor zooveel die betrekking hebben tot de cultuur van den grond, de houtbosschen daaronder begrepen ; tot de maatregelen ten nutte der openbare gezondheid, tot de opvoeding der jeugd, enz.", en schijnt dus zijn opdracht in de eerste plaats op de practijk gericht, maar daarnaast vinden we een meer ideeele opvatting van het doel zijner werkkring in artikel 14 van hetzelfde Kon. Besl. : ,,Hoofdzakelijk echter, en om zich ter vervulling der plichten bij art. 2 omschreven des te beter te bekwamen, zal hij den aard van den grond en deszelfs voortbrengselen nauwkeurig gadeslaan, delfstoffen op- sporen en nuttige waarnemingen doen omtrent het dierenrijk. Van alle merkwaardigheden zal hij trachten zich een of meerdere exemplaren te verschaffen, teneinde het Kabinet van Natuurlijke Historic te Amsterdam hoe langer hoe meer te verrijken". Met het doel, hem ,,in de rigtige uitvoering van zijn last" ter- zijde te staan, werden hem ter beschikking gesteld de teekenaar A. J. BIK en de Harderwijksche hortulanus W. KENT. Van hoe groot belang REINWARDTS zending door de geleerde wereld be 89 DE NATUURKUNDIGE COMMISSIE. schouwd werd, blijkt uit de aan het Kon. Besl. van 15 Januari 1815 als Bijlage toegevoegde lijst van ongeveer honderd vragen, op zeer verschillende onderwerpen betrekking hebbend '). Maar REINWARDT was er de man niet naar, te wachten tot Heeren Commissarissen-Generaal hem om ,,consideratien en advies" vroegen; uit eigen beweging gaf hij aan de Hooge Regeering een aantal plannen 2 ) ter overdenking op alle hem toevertrouwde gebieden ; wel een der eerste en in de gevolgen het meest verstrekkende voorstel was dat, hetwelk hij den I5en April 1817 tot het besturend driemanschap richtte : ,,ie om aan mij authorisatie te verleenen tot het doen aanleggen van eenen kruidtuin, geschikt ter aankweking van gewassen en tot het doen van landbouwkundige proeven, en zulks op een ge- deelte der tuingronden op Buitenzorg, tot dat einde door Zijne Excellence den Gouverneur-Generaal aangeboden, en 26 tot Hortulanus van den Plantentuin op Buitenzorg te benoemen en aan te stellen JAMES HOOPER, op een maandelijksch trakte- ment van een honderd en vijftig gulden enz." Het was REIN- WARDTS bedoeling, aan den hortulanus HOOPER, die reeds een tocht naar China medegemaakt had en zes jaar lang aan den beroemden plantentuin van Kew was werkzaam geweest. het dagelijksch beheer van den Buitenzorgschen Hortus op te dragen, om dan den Harderwijkschen hortulanus KENT te kunnen medenemen op de onderzoekingstochten, die hij in het vooruit- zicht had. De bestemming van den nu gestichten ,,'s Lands Planten- tuin", de inrichting, die wij vanaf het jaar 1817 als het middel- punt van het wetenschappelijk botanisch onclerzoek van Java J ) Zie VV. H. DE VRIESE, 1858 (en J. PIJNAPPEL). Reis naar het Oostelijke gedeelte van den Indischen Archipel in het jaar 1821 door C. G. C. REINWARDT. (Amsterdam, 1858). p. 3748. 2 ) Zie P. H. v. D. KEMP, 1914. p. 1113. 90 DE NATUURKUNDIGE COMMISSIE. en de Buitenbezittingen kunnen beschouwen, was tweeerlei ; in de eerste plaats zal ,,zulk eene plaats niet alleen kunnen dienen ter aankweking van vele gewassen, die in onze kolonie inlandsch zijn, maar men zal aldaar ook voorloopig de kultuur van vele andere nuttige gewassen kunnen beproeven", en bovendien ,,zal zij al nader geschikt zijn tot een kweekschool en verzamel- plaats van planten, welke van hier voor onderscheidene kruid- tuinen en soortgelijke stichtingen in verschillende gewesten en in Nederland verlangd worden". De bestudeering van Indische planten, die in onherbergzame streken groeien, om dus van merkwaardige gewassen een meer nauvvkeurige kennis te ver- krijgen, lag dan ook volkomen in de lijn van REINWARDTS ruime opvattingen. Na het overwinnen van talrijke moeilijkheden, vooral door het gebrek aan werkvolk veroorzaakt, kon den iSden Mei 1817, dus nauwelijks een maand, nadat REINWARDT zijn voorstel bij Commissarissen-Generaal had ingediend en door deze bestuur- deren hierop een beslissing was genomen, een aanvang met de werkzaamheden gemaakt worden. Die datum, door TREUB ') terecht ,,de geboortedag van 's Lands Plantentuin" genoemd, is een keerpunt in de geschiedenis van het koloniaal-weten- schappelijk onderzoek. Vaak, zoo bijv. door DE VRIESE 2 ) en VETH 3 ) wordt de wetenschappelijke beteekenis van 's Lands Plantentuin onderschat; VETH'S woorden : ,,niet enkel, en zelfs niet in de eerste plaats, tot bevordering van de wetenschap- pelijke kennis der plantenwereld, maar vooral met het doel om het nuttig gebruik op te sporen dat van vele planten kan gemaakt worden, en om zich de gelegenheid te openen tot *) M. TREUB, 1892. Korte Geschiedenis van 's Lands Plantentuin. (In: 's Lands Plantentuin te Buitenzorg. 18 Mei 1817 18 Mei 1892. Batavia p. i 58). p. 7. 2 ) W. H. DE VRIESE, 1858 (en J. PIJNAPPEL). p. 58. 3) P. J. VETH, 1884. p. 117. 91 DE NATUURKUNDIGE COMMISSIE. allerlei proeven in het belang der verschillende takken van Industrie in Indie en in het Moederland", zijn dan ook een gedeeltelijke miskenning van REINWARDTS ruim-opgezette plannen en worden terecht tegengesproken door TREUB, die met liefde gebruik gemaakt heeft van de gelegenheid, hem door zijn ambt van directeur van den Plantentuin geboden, uit de archieven dier instelling een geschiedkundigen ontwikkelingsgang samen te stellen en wien wij dan ook een tweetal historische overzichten danken; een, een uitvoerige ,,Geschiedenis van 's Lands Plan- tentuin te Buitenzorg" '), waarvan helaas slechts het eerste gedeelte verschenen is, hetwelk het tijdvak 1817 1844 be- handelt en een andere ,,Korte Geschiedenis van 's Lands Plantentuin", versierd met de portretten der leiders (REINWARDT, BLUME, HASSKARL, BINNENDIJK, SCHEFFER) en een inleiding vormend tot het gedenkboek ter gelegenheid van het 75-jarig bestaan uit- gegeven 2 ). Nadrukkelijk zegt TREUB 3 ) : ,,Uit al het aangehaalde blijkt, dat de meening, als zoude te Buitenzorg oorspronkelijk een proeftuin zijn gesticht, uit welken zich eerst veel later een botanische tuin ontwikkeld zou hebben, door de geschiedenis geheel wordt weersproken. Een botanische tuin was het, tot welks oprichting op Java den i5den April 1817 werd besloten, eene wetenschappelijke instelling dus, vvier groote praktische beteekenis van den aanvang af werd voorzien en voorbereid''. Zoolang REINWARDT in Indie bleef, berustte bij hem het hoogste beheer van 's Lands Plantentuin ; hij was echter uit den aard zijner werkkring heel weinig te Buitenzorg, zoodat HOOPER dan ook de dagelijksche leiding in handen had. De talrijke reizen, door REINWARDT, vergezeld van KENT, gedaan, J ) M. TREUB, 1889. Geschiedenis van 's Lands Plantentuin te Buitenzorg. I. Van 1817 tot 1844. (Meded. 's Lands Plantentuin. VI. 1889. 79 pp.). 2 ) Zie M. TREUB, 1892. s) M. TREUB, 1892. p. 5. 92 DE NATUURKUNDIGE COMMISS1E. stelden hem in staat steeds meer materiaal voor den Plantentuin bijeen te brengen, planten en zaden naar Buitenzorg te verzenden, waar ze dan door HOOPER'S zorgen een plaats in den tuin vonden. Maar niet alleen de flora der bezochte streken wekte REINWARDT'S aandacht; zijn veelomvattende geest hield zich bezig met het onderzoeken en verzamelen van natuurvoorwerpen in den ruimsten zin ; een in Juli 1817 aangevangen reis der Commissarissen- Generaal v. D. CAPELLEN en ELOUT, door REINWARDT meegemaakt, welke reis zich over bijna geheel Java, van Cheribon tot Besoeki, uitstrekte, stelde hem in staat voortdurend te verzamelen, van alles, wat zijn aandacht trok, preparaten te maken, skeletten en huiden te bewaren en een groote collectie insecten bijeen te brengen. Alle op deze tochten ten behoeve der wetenschap gemaakte verzamelingen werden, met nog een belangrijke hoeveelheid schelpen en koraalgewassen uit de Molukken, een aantal mineralen en delfstoffen uit Java, China, Bengalen, ver- zonden met het linieschip ,, Amsterdam'' om na aankomst in het vaderland aan verschillende musea te worden rondgedeeld. In September 1818 volgde met de ,,lda Aleida" een tweede bezending; in Februari 1819 een derde, waaronder tal van zeldzame vogels en insecten, planten voor 's Rijks Academie- tuinen en teekeningen van A. J. BIK, den teekenaar, die REINWARDT toegevoegd was, en een keurbende Indische kleeder- drachten. Al deze verzamelingen, de resultaten van twee jaren ingespannen arbeid, van onvermoeid reizen en trekken, werden door het spel der zee vernietigd ; de drie schepen werden door hevige stormen overvallen en verongelukten : het noodlot wilde wel den onvermoeibaren REINWARDT tarten ! ,,Zou het te verwon- deren geweest zijn", zegt P. J. VETH '), ,,zoo hij, dit wreede spel van het noodlot moede, alle verdere nasporingen opgegeven ') P. J. VETH, 1884. p. 129. 93 DE NATUURKUNDIGE COMMISS1E. en de handen in den schoot gelegd had?" Veeleer werkten al deze tegenslagen als krachtige prikkel ; in den loop van 1819 ondernam REINWARDT nog groote tochten naar de Preanger- bergen Salak en Gedeh, waar hem in 't bijzonder de groote uito-estrektheid van het nog te bewerken gebied opviel. Het schijnt. dat Neptunus voor een dergelijk onverwinbaar door- zettingsvermogen eerbied koesterde ; van nu af aan eischte hij geen enkel van REINWARDT'S zendingen meer als slachtoffer zijner zeeen op. Intusschen was REINWARDT'S tijd, bestemd voor zijn verblijf in Indie, verstreken; oorspronkelijk was deze op twee jaar bepaald, hoogstens tot vier te verlengen, doch REINWARDT wilde geen onvoltooid werk achterlaten. Door medewerking van den Gouverneur-Generaal v. D. CAPELLEN, een man met een ruimen blik en een ruime schatkist (misschien beschouwde hij deze wel eens als te ruim), verkreeg hij verlenging van zijn opdracht en werd hem in Juli 1820 toegestaan tot het einde van 1821 in de tropen te biijven, om dan in September 1822 het ambt van Hoogleeraar te Leiden te aanvaarden, een waardigheid, waartoe hij reeds in 1819, na den dood van den grooten BRUGMANS, geroepen was, en ondertusschen in dezen tijd een reis te maken naar Timor, deMolukken en Noord-Celebes. Van deze reis, die belangrijke resultaten opleverde, kwam hij in Maart 1822 te Buitenzorg terug, om 24 Juni d. o. v. naar het vaderland scheep te gaan. De indruk, dien wij krijgen, als wij de resultaten van REINWARDT'S werk in het belang van de natuurwetenschap overzien, is onge- twijfeld die van teleurstelling. REINWARDT'S arbeidzaamheid was, wij zeiden het reeds, onbegrijpelijk ; zijn organisatorisch talent heeft aan Indie den Plantentuin geschonken ; zijn altijd-werkende geest en zijn onvermoeibaar lichaam stelden hem in staat, reizen en bergbeklimmingen te ondernemen, waarvoor menig ander 94 DE NATLTJRKUNDIGE COMMISSIE. teruggedeinsd zou zijn ; de liefde voor zijn vak heeft hem bij het maken van zijn verzamelingen steeds bezield en hem behoed voor neerslachtigheid, die toch zoo licht het gevolg van de aan zijn verzamelingen overkomen rampen had kunnen zijn. Maar met dat al hadden wij van een man als REINWARDT meer mogen verwachten, wat zijn professoraat betreft; wat hij na de aanvaarding van dit ambt te Leiden verricht heeft, was in hooge mate teleurstellend. Zeker, het is begrijpelijk, dat een nauwgezette persoonlijkheid als REINWARDT ongetwijfeld was, zooals VETH ') ter zijner verdediging aanvoert, ,,of geen of een uitstekend leeraar wilde zijn, en volkomen besefte, dat hij. het laatste kiezend, daaraan al zijn krachten had te wijden", maar onbegrijpelijk en onwaardig is m. i. de verklaring, die VETH geeft: ,,te meer daar hij de verbazende vorderingen had in te halen, door de natuurkundige wetenschappen, en inzonderheid door de chemie, in het tijdperk zijner zevenjarige uitlandigheid gemaakt". Op nog een eigenaardige gevolgtrekking in de overigens uitmuntende REiNWARDT-biographie van VETH 2 ) wil ik hier de aandacht vestigen : VETH haalt uit REINWARDT'S inaugureele rede (3 Mei 18233), de woorden aan : .,daarom heb ik mij in Indie op de studie der natuur toegelegd, zooveel de talrijke verp tickling en aan mijne veelzijdige taak verbonden, maar eenigszins veroorloofden", en vindt hierin een verklaring, ,,waarom hij tot het einde van zijn lang leven de nog steeds hier en daar opduikende hoop heeft teleurgesteld. dat hij een duurzaam gedenkteeken van zijne nasporingen stichten zou''. Voor een verschil in werkzaamheicl tijdens de Indische periode P. J. VETH, 1884. p. 139. 2 ) P. J. VETH, 1884. p. 141. 3) C. G. C. REIXWARDT, 1823 Redevoering over hetgeen het onderzoek van Indie tot uitbreiding der natuurlijke historic heeft toegebragt, vertaald door M. SIEGENBEEK. Amsterdam. 1823. 95 DE NATUURKUNDIGE COMMISSIE. en tijdens zijn Hoogleeraarschap is cle veelomvattendheid van den Indischen vverkkring toch geen verontschuldiging. Hoe dit nu zij, het is niet te ontkennen, dat het verder verloop van REINWARDT'S wetenschappelijk leven over het algemeen teleurstelling gewekt heeft, en gedeeltelijk met recht. REINWARDT, die getuige zijn inaugureele redevoeringen en zijn voordrachten, die hij in het Kon. Ned. Instituut (de tegen- woordige Kon. Acad. van Wet.) hield, over een zeer vloeiende en welo-evormde stiil beschikte, heeft zich nooit de moeite o J gegeven, zijn talrijke in Indie opgedane ervaringen tot een boek te vervverken en niet meer gepubliceerd dan een zeer klein getal wetenschappelijke verhandelingen, terwijl toch in zijn nalatenschap een belangrijk dagboek van zijn laatste reis gevonden werd, kort na zijn overlijden (8 Maart 1854) door het Kon. Inst. voor Taal-, Land- en Volkenkunde van Ned.- Indie uitgegeven '). Hierin vinden we, behalve een uitvoerige levensbeschrijving door DE VRIESE, nog afgedrukt een door REINWARDT gehouden voordracht (27 Dec. 1827 in het Kon. Inst.) : ,,Over de natuurlijke vruchtbaarheid der Oost-Indische eilanden, en bijzonder van Java, en over de waarschijnlijke oorzaken daarvan 1 ', en voorts o. a. opgaven van al wat door REINWARDT ten behoeve der musea naar het vaderland verzonden is. Bovendien heeft DE VRIESE gezorgd voor een eenigszins samenhangende uitgave van REINWARDT'S plantenverzamelingen 2 ), een grootsch opgezet, maar onvolledig gebleven werk, gewoon- ') De uitgave van dit dagboek werd bezorgd door REINWARDT'S leerling en opvolger W. H. DE VRIESE en den Delftschen hoogleeraar J. PIJNAPPEL; het werk werd versierd met platen van REINWARDT'S teekenaars A. J. en J. T. BIK en van den i en luitenant Q. M. J. VERHUELL, wiens belangrijke insectenverza- meling met REINWARDT'S derde zending verloren gegaan was. Zie p. 90, noot i. 2 ) Plantae Indiae batavae orientalis, quas in itinere per insulas archipelagi indici Javam, Amboinam, Celebem, Ternatem, aliasque annis 18151821 explo- ravit GASP. GEORG. CAROL. REINWARDT. Lugduni Batavorum. 1856. - 96 - J I til CO CO < DE NATUURKUNDIGE COMMISSIE. lijk als ,,Plantae Reinwardtianae" bekend. DE VRIESE ontving bij de bewerking hulp van MIQUEL, WEDDELL, BUSE en VAN DE SANDE LACOSTE. terwijl behalve mossen en levermossen, slechts een i4-tal phanerogamenfamilies verschenen zijn. Onze Regeering achtte gelukkig met de zending van REIN- WARDT haar taak, het Indisch natuuronderzoek te bevorderen, niet afgeloopen ; een nog veel grootscher plan werd ontvvorpen en in de bijzondere aandacht des Ministers aanbevolen door VAN SWINDEREN en TEMMINCK, hoogleeraren te Groningen en te Leiden; een in waarheid ,,Koninklijk" besluit kroonde den 2den Mei 1820 de voorbereidingen. Op dien dag werd de ,,Natuurkundige Commissie voor Nederlandsch-Indie" in het leven geroepen. ,,In aanmerking nemende", aldus vangt het bedoelde K. B. aan, ,,de aanstaande terugkomst van den heer REINWARDT, en willende meer en meer bevorderen de kennis van de natuur- lijke gesteldheid en van de voortbrengsels in de Oost-Indien .... Hebben besloten en besluiten : De Heeren H. KUHL, Doctor in de Wis- en Natuurkunde en J. C. VAN HASSELT, worden benoemd om, onder de orders van onzen Gouverneur-Generaal, de Nederlandsche bezittingen in Oost-Indie te bereizen, met het bepaalde doel, om de wetenschappelijke kennis van de voort- brengselen der Natuur, in die landen, uit te breiden". Uit deze woorden blijkt, hoezeer het wetenschappelijk karakter der In- dische Commissie op den voorgrond gesteld werd, hoe er dus een belangrijke wijziging ten goede gekomen was in de richting, waarin de Regeering meende te moeten werken. REINWARDT'S opdracht was, zagen we, in de eerste plaats op de practijk gericht; de taak, aan het vriendenpaar KUHL en VAN HASSELT opgelegd, was van zuiver ideeelen aard. Hun werd nog toege- voegd een ontleedkundige G. VAN RAALTEN en een teekenaar J. KEULTJES. Behalve dat zij de beschikking kregen over een 97 I)E NATUURKUNDIGE COMMISSIE. belangrijke som voor aankoop van instrumenten en hulp- middelen, werd hun toegezegd, dat zij na afloop der reis, die op vier a zes jaar berekend was, nog gedurende drie jaar een gratificatie van f 1 200 zouden ontvangen, teneinde de in Indie bijeengebrachte aanteekeningen, afbeeldingen en verzamelingen te kunnen bewerken. Hoe was de aandacht der Regeering gevallen op de twee jonge mannen KUHL en VAN HASSELT? Wie was de raadsman in deze zaak, door wiens invloed werd dit ondernemende studentenpaar voor een dergelijke zware taak uitgekozen? On- getwijfeld was dit VAN S\YINDEREN, die reeds op 29-jarigen leeftijd professor aan de Groningsche Hoogeschool was en die door zijn gemakkelijken omgang, zijn ideale gaven als leer- meester, KUHL en VAN HASSELT zoowel aan zich als aan elkaar gehecht wist te maken. Van VAN SWINDEREN is het getuigenis gegeven, dat hij was ,,de steeds plannen beramende, de geest- driftige, de arbeidzame", en inderdaad blijkt wel uit de levens- o-eschiedenissen van zijn leerlingen KUHL en VAN HASSELT, hoe groot de prikkelende en aanvurende invloed was, die van hem als hoogleeraar in zijn jonge jaren (later heette hij ,,een on- gemeen deftig en suffisant professor") uitging. De levensgebeurtenissen van KUHL en VAN HASSELT zijn nauwverbonden ; vanaf het oogenblik hunner kennismaking waren zij steeds met elkaar; samen verheugden zij zich in een voordeel, aan een van hen te beurt gevallen, samen over- wonnen zij de moeilijkheden, die zij op hun weg ontmoetten. Hun beider lotgevallen na te speuren en aan het vergeetboek te ontrukken, hun Jong en krachtig levensvuur, hun aanleg en wetensdrang, onweerstaanbaar zelfs in de vermoeiende en uit- puttende tropen, hun liefde voor hun \verk, hun geduldvolle toewijding en geduldelooze onderzoekingsbegeerte, dat alles tot een levensware en warmte-stralende schildering te ver- - 98- DE NATUURKUNDIGE COMMISSIE. werken, is de taak geweest, waaraan GRESHOFF *) een deel van zijn arbeid van groote waardeering gewijd heeft. GRESHOFF'S biographic van KUHL en VAN HASSELT is niet alleen een levens- beschrijving, het is een levensafspiegeling, die het leven zelf weergeeft en den lezer doet gevoelen van hoe edelen aard de O C* persoonlijkheid dier beide vrienden was. Treffend zijn de woorden, die GRESHOFF in het laatste stukje van zijn zoo vol warmte geschreven schets zegt : ,,'t Is waar dat zij zichzelven niet gespaard hebben, maar konden zij het? Verbie de lava, dat zij gloei. ..." Treffend om de groote tragiek, die er achter verborgen ligt, maar heerlijk aandoend om de groote warmte van karakter van levensbeschrijver en beschrevenen, waarvan deze woorden getuigen. Het jaar 1797 was beider geboortejaar ; JOHAN COENRAAD VAN HASSELT was de oudste zoon van den Doesburgschen burgemeester en werd op 26 Juni geboren-, KUHL'S vader was voorzitter van het gerechtshof in Hanau aan den Main, de merkwaardige half-Nederlandsche stad, waaraan we ook onzen RUMPHIUS danken, en waar HEINRICH KUHL den 1 7 zoover te willen doorvoeren, door de benoemingen van nieuwe leden voor de Indische Commissie, en derhalve het natuur- onderzoek van Indie krachtig te willen doorzetten ; Du Bus was dus ,,plus royaliste que le roi", en 26 wilde Du Bus zeli' de invoering van nieuwe cultures krachtig bevorderen : thee, kaneel, kruidnagelen, peper, katoen, papaver, wijnstok, moer- bezie'n voor zijderupsenteelt, al die planten werden beurtelings onderzocht en hun cultuur in Buitenzorg's tuin beproefd; corn- missies ter bevorderinor van den landbouw werden in het leven o geroepen, zoodat we Du Bus niet mogen verwijten. den land ') M. TREUB, 1889. p. 25. I 10 DE NATUURKUNDIGE COMMISSIE. bouw verwaarloosd te hebben". Bovendien werd in 1829 op voorstel van de Hoofdcommissie van Landbouw, besloten tot ,,den aanleg van den Gouvernements-Tuin te Weltevreden", een tuin, ,,voornamelijk bestemd, om in de eerste plaats alle soorten van vruchtboomen te bevatten, die men op Java en in den Indischen Archipel aantreft, even zoo zeer als die planten en heesters, die eenige geneeskundige deugd bezitten, en vooral eindelijk die plantgewassen, die reeds zijn of zouden kunnen worden, voorwerpen voor den landbouw, handel en de con- sumptie" T ). De geheele zaak maakt sterk den indruk, alsof het Du Bus in de eerste plaats om opheffing der directeurs- waardigheid te doen was ; het lijkt mij dan ook volstrekt niet onmogelijk, dat het besluit van 7 Aug. 1826 meer een persoon- lijken aanval op den toenmaligen directeur BLUME, wiens hooghartigheid en ijdelheid vvij reeds kennen, bevatte. De ,,gezondheidsredenen", waarom BLUME aftrad, kunnen zeer goed een papieren voorwendsel geweest zijn. BLUME'S werkzaamheid tijdens zijn Indische periode was buitengewoon ; zoowel in het belang van den tuin, als in dienst der wetenschap, gafhij zich geheel ; tijdens de jaren 1822 1826 nam de tuin onder zijn beheer steeds in beteekenis toe. En al heeft BLUME in later jaren, in zijn hoedanigheid van Directeur van 's Rijks Herbarium te Leiden, heel wat plannen beraamd, die, indien ze ten uitvoer gebracht waren, den ondergang van den tuin tengevolge zouden gehad hebben, toch mag dit alles ons niet BLUME'S groote verdiensten jegens den Hortus Bogo- riensis doen vergeten. Behalve de samenstelling van den Catalogus, op zichzelf een omvangrijk en hoogst verdienstelijk werk, waarin vooral de beschrijvingen van talrijke nieuwe J ) Javasche Courant, dd. 18 April 1829, no. 47. Zie P. H. v D KEMP, 1914. p. 7-8. Ill DE NATUURKUNDIGE COMMISSIE. soorten van beteekenis zijn, werkte BLUME ook nu reeds aan zijn ,,Bijdragen" '), waarvan in 1825 en 1826 ter Landsdrukkerij in Batavia een zeventiental afleveringen verschenen, tezamen een boek van meer dan elfhonderd bladzijden vormend. En van al deze bladzijden waren er slechts weinige van andere hand, al het overige danken wij aan BLUM E'S energie 2 ). Boven- dien bevatten ook de deelen 9, 10 en n van de Verhandelingen van het Bataviaasch Genootschap, hetwelk in die jaren omstreeks 1825 in betrekkelijken bloei verkeerde, een viertal mededeelingen van zijn hand, waaronder een van meer geographischen aard : ,,Over de gesteldheid van het gebergte Cede". En de voortzetting van dit krachtig wetenschappelijk werk, dat voor de toekomst van zoo groote beteekenis zou kunnen worden, werd door het noodlottige besluit onmogelijk gemaakt, gelukkig slechts voorloopig. Dat de Regeering in het moederland deze gevoelens van haar Commissaris-Generaal niet geheel decide, en de bezuini- gingsplannen niet zoover wilde doorvoeren, blijkt wel uit de verdere lotgevallen van de Natuurkundige Commissie, die, hoe- zeer ook nu en dan door geldelijke moeilijkheden in haar werk- zaamheid belemmerd, toch nog tal van jaren na VAN HASSELT'S overlijden een opgewekte levenskracht toonde. Nog voor het bericht van VAN HASSELT'S dood het vaderland bereikt had, werden bij K. B. van 5 December 1823 tot leden der Natuur- kundige Commissie benoemd Dr. H. BOIE, sedert eenigen tijd conservator aan TEMMINCKS Museum, en Dr. H. MACKLOT, een J ) Zie p. 107, noot 5. 2 ) Een ander belangrijk werk van BLUME met betrekking tot de flora van Indie was: Flora Javae nee non insularum adjacentium, auctore Carolo Ludovico Blume, adjutore Joanne Baptista Fischer. Bruxelles, 1828. 3 vol. fol. en: Flora Javae et insularum adjacentium. Nova Series. Scripsit Carolus Ludovicus Blume. Tomus primus. Amstelodami, 1858. fol. T 12 DE NATUURKUNDIGE CUMMISSIE. vriend van BOIE en door zijn bemiddeling ook aan het Museum aangesteld, terwijl ter vervanging van den overleden teekenaar KEULTJES aan hen werd toegevoegd SALOMON MULLER, een jonge man van eenvoudige afkomst, maar voor wien een belangrijke rol in het natuuronderzoek van onze kolonien weggelegd was. Een paar maanden later benoemde de Koning nog als teekenaar der Commissie een zekeren J. C. DE BRUYN, een kunstschilder, die echter al spoedig vervangen werd door P. VAN OORT. Het vertrek dezer nieuwe leden zou nog langen tijd ver- traagd worden : het bericht van VAN HASSELT'S dood en de daarop volgende aankomst in Leiden van zijn verzamelingen en aanteekeningen hadden uitstel wenschelijk gemaakt. BOIE'S hulp aan het Museum bij de bewerking van dit kostbare materiaal was nog dringend noodig; MULLER'S bekwaamheid in het prepareeren van dieren kwam ook hier goed te stade, en zoo werd het December 1825, eer de vier reizigers Texel verlieten. BOIE, MACKLOT en MULLER waren buitenlanders. BOIE'S vader was staatsraad aan het Deensche Hof en Landvoogd van Zuid- Ditmarsen, waar HENDRIK den 4^n Mei 1794 te Meldorf geboren werd. Gedwongen zichzelf een bestaan te veroveren, vertrok hij in 1812 naar Kiel, om zich daar op rechtswetenschap toe te leggen, hoewel hij eigenlijk met hart en ziel natuurliefhebber was. In 1814 verwisselde hij Kiel met Gottingen, om het volgend jaar ook deze hoogeschool te verlaten en naar Heidelberg te trekken. Hier voleindigde hij in 1817 zijn rechtenstudie, maar werd kort daarna door den Hoogleeraar TIEDEMANN, die hem o om zijn grooten ijver en zijn liefde voor dierkundig onderzoek krachtig steunde, aangezocht voor het ambt van conservator aan het Heidelbergsch Zoologisch Kabinet. In 1821 riep TEM- MINCK hem van dezen post naar Leiden, om daar te helpen bij de organisatie en de bewerking van het Museum van Natuurlijke DE NATUURKUNDIGE COMMISSIE. Historic '). BOIE had in 1821 van de Heidelbergsche Universiteit het doctoraat honoris causa in de wijsbegeerte ontvangen. HEINRICH CHRISTIAN MACKLOT, Frankfurter van geboorte (20 October 1799), werd, na een drietal jaren als apothekers- leerling te hebben gewerkt, in 1818 te Heidelberg als student ingeschreven, en promo veerde hier 15 April 1822 tot Doctor in de Wis- en Natuurkunde en de Geneeskunde. Op BOIE'S verzoek kreeg hij een werkkring aan het Leidsche Museum. De laatste van het drietal buitenlanders, SALOMON MULLER, was de zoon van een Heidelbergschen herbergier. Hij kwam door een toeval met BOIE en MACKLOT in aanraking, wien de ijver en bekwaamheid van den jongen SALOMON terstond opviel. Op hun voorstel kwam hij naar Leiden, waar ook TEMMINCK, die waarlijk met lofprijzingen niet royaal was, van MULLERS bekwaamheid een goeden indruk kreeg, en dan ook in 1825 aan den Minister meldde, ,,dat MULLER, zoo noodig, wel berekend was als reiziger op zich zelf op te treden". In een ongunstigen tijd (Juni 1826) kwamen de vier mannen in Indie aan : v. D. CAPELLEN had in Februari het bestuur aan Du Bus overgegeven, en welke plannen deze ontwierp, zagen we reeds: geld was er niet beschikbaar; in het Kon. Besluit hunner benoeming was van bezoldiging niet gesproken, alleen waren BOIE en MACKLOT ,,ten opzigte der personeele uitrusting en provisioneele bezoldiging" gelijkgesteld met ambtenaren 36 klasse, maar daardoor achtte de Indische Regeering zich niet verplicht hen te onderhouden. BOIE klaagt dan ook herhaaldelijk in zijn brieven over de behandeling, die ze van Du Bus onder- vonden ; de oorlog op Midden-Java was wel een ernstig beletsel J ) Zie de korte biographic van BOIE in Handel, en Geschr. v. h. Indisch Genootschap: ,,Onderzoek leidt tot waarheid", V. 1858. p. 81. en J. A. SUSANNA, 1830. Levensschets van HENDRIK BOIE. (In: Magazijn voor Wetenschappen enz. verzameld door N. G. VAN KAMPEN. X. 1830. p. 203). 114 DE NATUURKUNDIGE COMMISSIE, voor de regeering, ,,mais le traitement indigne, qu'on fait essuyer ici a une commission scientifique, envoyee par le roi, est au dessous de toute critique", en het is alleen te danken aan den eerbied, dien hij voor den Administrates van Onder- wijs enz., VAN EWIJK, heeft, dat hij de bijzonderheden niet in Europeesche dagbladen publiceert. De iste secretaris van Du Bus, VAN DE POLL, durft hem vragen, of 3000 gulden per jaar voldoende zou zijn voor alle onkosten der Commissie en geeft hun te verstaan, dat ze de verstandigste partij zouden kiezen, door maar zoo gauw mogelijk naar huis terug te keeren. VAN RAALTEN staat aan de Commissie zijn spaarpenningen af, BoiE tracht zijn lotgenooten moed in te spreken en spoort ze aan geduld te hebben, en TEMMINCK richt een scherp schrijven tot den Minister om hem te verzoeken, den Commissaris- Generaal over het schandelijke van deze behandeling te willen onderhouden. Maar intusschen had Du Bus zelf gevoeld, dat het zoo niet langer ging : hij verstrekte hun een paar keer voorschotten, en betuigde zijn leedwezen over de vertraging, die de regeling hunner bezoldiging ondergaan had ; de Regeering was ongeloofelijk overweldigd door dringende zaken. Du Bus scheen echter wel tijd te kunnen vinden, den Franschman DIARD in staat te stellen een reis naar het nog volkomen on- bekende Borneo te maken, wat voor de leden der Natuurkundige Commissie natuurlijk achteruitzetting beteekende. Eindelijk, in Februari 1827, wordt hun positie geregeld; acht maanden na hun aankomst in Indie neemt de Luit. Gouv.-Gen. MERKUS een besluit, waarbij aan BOIE en MACKLOT een salaris van / 500, aan VAN RAALTEN van / 300, en aan MULLER en VAN OORT van f 200 'smaands toegekend wordt. In dien tijd had BOIE in de omstreken van Buitenzorg, die reeds door KUHL en VAN HASSELT grondig onderzocht waren, belang- rijke waarnemingen over de vogelbevolking gedaan, vooral DE NATUURKUNDIGE COMMISSIE. over hun levenswijze, hun vlucht, hun geluid, en steeds decide hij in zijn brie v en, o. a. aan TEMMINCK, hierover bijzonderheden mede. Een tijdlang wordt in de residentie Krawang vertoefd (Dec. 1826 Mei 1827), waar VAN RAALTEN op jacht door een rhinoceros zwaar verwond werd, maar gelukkig herstelde. Besloten wordt, dat de Commissie een aanvang zal maken met het onderzoek van het nog zoo weinig bekende Sumatra. ZIPPELIUS, de tweede hortulanus van Buitenzorgs tuin. sluit zich bij hen aan ; het vertrek naar Sumatra wordt vastgesteld op eind September. Maar ook deze maand September zou, als reeds driemaal vroeger, voor de Commissie noodlottig worden : haar leider BOIE wordt kort na 's Konings verjaardag (25 Augustus) ernstig ongesteld, om den 4en September te vallen als vierde slachtoffer van het tropisch natuuronderzoek. Met hem verloor de Indische Natuurkundige Commissie een talentvol en energiek leidsman. Het pleit voor MACKLOTS karakter, dat hij besloot aan de regeering voor te stellen, in BOIE'S plaats te benoemen den Franschen onderzoeker DIARD, een man van buitengewoon groote gaven, maar een zeer eigenaardige persoonlijkheid, die zich door zijn scherp en lang niet altijd even billijk optreden en gedrag tal van vijanden gemaakt had en bij TEMMINCK dan ook niet gunstig aangeschreven stond. Maar DIARD was, zooals reeds door zijn zending naar Borneo bleek, een troetel- kind der regeering ; waren het DU Bus' Fransche neigingen, die hen tot elkaar brachten? En TEMMINCK zag heel goed in, dat het voor het onderzoek van Indie van groot belang zou zijn, als DIARD de leiding op zich wilde nemen, en dat het verreweg het verstandigste was, hem voor ons land te winnen, en zoo- doende zijn betrekkingen met het Museum te Parijs te doen ophouden. Bovendien had TEMMINCK ook vrij sterke Fransche sympathien, zoodat DIARDS landaard hem wel aanstond. DIARD 116 DE NATUURKUNDIGE COMMISSIE. zou voorloopig te Buitenzorg blijven ; MACKLOT kreeg een aanschrijving om met zijn vier medeleden een expeditie te gaan meemaken naar de Zuidwestkust van Nieuw-Guinea, op welken tocht Makassar en Amboina bezocht zouden worden, terwijl ze op de terugreis Timor zouden bezoeken. Het zoo weinig bekende Nieuw-Guinea, nog slechts door enkele reizigers bezocht, Sonnerat in 17/6 (zie biz. 67), Duperrey, Dumont d'Urville, Lesson (1824 en 1827), en wel vooral aan de Noord- kust, had voor de leden der Commissie groote bekoring ; ongelukkig moest de commandant van de Triton, het expeditie- schip, reeds na zes weken verblijf voor de kust van Nieuw- Guinea wegens het groote aantal zieken aan boord tot ver- trekken besluiten. In October 1828 kwamen MACKLOT en zijn metgezellen op Timor aan, waar de Commissie voor het onder- zoek der ertsen ruim een jaar bleef en waar twee der leden, de botanicus ZIPPELIUS en de anatoom VAN RAALTEN, de eenige overgeblevene van de oorspronkelijke Commissie, den dood vonden (31 Dec. 1828 en 17 April 1829). Zoowel in zoologisch, als in mineralogisch en botanisch opzicht was deze Triton- expeditie van groot belang. Toen zij in het laatst van 1829 te Buitenzorg teruggekeerd waren, werd aan DIARD en MACKLOT de titel van ,,dirigeerend lid der Natuurkundige Commissie" toegekend, terwijl de Com- missie bij Kon. Besl. van 25 Juli 1830 aangevuld werd met den botanicus P. W. KORTHALS en de preparateurs D. H. R. VAN GELDER en B. N. OVERDIJK. De overgebleven leden vertoefden tot de aankomst der nieuw benoemden op Buitenzorg, om dan in Mei 1831 gezamenlijk, uitgezonderd DIARD, die voor de rege- ling te Buitenzorg bleef, een reis langs de noordkust van Java te ondernemen en langs de zuidkust terug te keeren. In het volgend voorjaar vertoefde de Commissie in Krawang, toen daar op 8 Mei het Chineezen-oproer uitbrak. Daarbij werden alle 117 DE NATUURKUNDIGE COMMISSIE. Europeesche huizen te Poerwakarta door brand vernield, ook dat, waarin MACKLOT verblijf hield en waar hij al zijn resultaten van de tochten naar Nieuw-Guinea en Timor en waarschijnlijk ook een aantal manuscripten van BOIE bewaarde. MACKLOT zelf kon nog- bijtijds vluchten; van zijn bezittingen werd niets gered. Bij een gevecht, den i2en Mei daarop met de Chineezen ge- leverd, werd MACKLOT door lanssteken vermoord. Teneinde alles weer zooveel mogelijk in orde te brengen, vertrok de Commissie naar Buitenzorg; maar het scheen alsof de moed om opnieuw aan het onderzoek te beginnen, sterk verminderd was. Een vol jaar hielden de overgebleven vijf leden te Buitenzorg verblijf om pas in Mei 1833 weer een onderzoekingstocht aan te vangen, en wel naar de Padangsche landen : VAN OORT, KORTHALS en MULLER vertrokken hierheen, terwijl VAN GELDER en OVERDIJK in Januari 1834 volgden. Ook deze Sumatra-tocht zou een van de leden der Commissie als offer eischen, en weer was het de Septembermaand, die noodlottig werd: 24 September 1834 sterft P. VAN OORT te Padang, na een ruim achtjarig verblijf in Indie. Tot het laatst van 1835 bleven de anderen op Sumatra; voornamelijk Tapa- noeli en de residentie Padang werden onderzocht. In December van dat jaar werden alle verzamelingen naar Europa verzonden. Het had de aandacht van den Gouverneur-Generaal ge- trokken, dat van de talrijke reizen, door de leden der Natuur- kundige Commissie gemaakt, nog zoo weinig vruchten gezien waren ; het bewerken der resultaten ging z.i. niet vlug en vooral niet systematisch genoeg. De grootsche plannen door TEMMINCK gemaakt, om o.a. een uitvoerig verzamelwerk : Galerie zoolo- gique, waarvan BOIE'S Erpetologie het eerste deel zou vormen, uit te geven, waren door allerlei ongunstige omstandigheden, o.a. door den Belgischen opstand en zijn gevolgen, niet tot uitvoer gekomen. Om nu de werkwijze der Commissie zoo 118 DE NATUURKUNDIGE COMMISSIE. goed mogelijk te regelen, vaardigde de Gouverneur-Generaal, na overleg met DIARD, een resolutie uit (27 Februari 1836), waarbij bepaald werd, dat KORTHALS en MULLER, vergezeld van den aan de Commissie toegevoegden oflicier van gezondheid HORNER, een Zwitser van geboorte en zeer bekwaam geoloog, een tocht van vier maanden naar Borneo's Zuidoosthoek zouden maken ; KORTHALS zou in het bijzonder voor plantenverzame- lingen, MULLER voor dierkundige studies en HORNER voor mineralogisch onderzoek zorgen ; na terugkomst zouden KORTHALS en MULLER naar Nederland terugkeeren om daar gedurende twee jaar aan de bewerking van hun verzamelingen mede te helpen ; aan HORNER werd opgedragen, in den loop van 1837 Noord-Celebes te gaan onderzoeken, om dan op gelijke voor- waarden naar Europa te vertrekken. In deze resolutie van den Gouverneur-Generaal vinden we de namen van OVERDIJK en VAN GELDER niet vermeld ; zij hadden den dienst der Commissie verlaten om een werkkring te vinden aan het onder leiding van DIARD staande Museum van Natuurlijke Historic, gesticht met ondersteuning der regeering door het Bataviaasch Genoot- schap, waarvan de zeer bekwame Chef van den Geneeskundigen Dienst, Dr. E. A. FRITZE, in dezen tijd secretaris was. Het kwijnend bestaan van dit museum was aanleiding, dat het in 1844 opgeheven werd, waarna de verzamelingen naar Leiden overgebracht zijn. De bloeiperiode van de Natuurkundige Commissie is na MULLER'S vertrek eigenlijk voorbij ; wel worden opnieuw leden aangesteld: 4 Februari 1838 Dr. E. A. FORSTEN, een van de weinige Nederlanders, wien, nadat hij door omstandigheden buiten zijn schuld en tegen zijn wil een vol jaar te Buitenzorg vrijwel werkeloos had doorgebracht, een reis naar Celebes werd opgedragen, na afloop waarvan hij de Molukken als arbeidsveld koos en hier op Amboina 3 Januari 1843 overleed. FORSTEN 119 DE NATUURKUNDIGE COMMISSIE. was een psychisch zeer krachtige persoonlijkheid, die hoewel hij in de tropen voortdurend met ingewandsaandoeningen te kampen had, toch erin slaagde, belangrijke verzamelingen bij- een te brengen (o.a. drie exemplaren van den tot dien tijd nog vrijwel onbekenden Nautilus Pompilius). In het begin van 1842 wordt nog als lid der Commissie benoemd de geoloog C. A. L. M. SCHWANER, Doctor in de Wis- en Natuurkunde, Mannheimer van geboorte. Ook hij werd door geldgebrek gedwongen eerst ruim een jaar te Buitenzorg in werkeloosheid door te brengen; eerst daarna werd hem van regeeringswege het onderzoek naar steenkolenlagen opgedragen ; met dat doel vertoefde hij van 1843 tot 1847 P Borneo '). Zijn zoologische arbeid was bijzaak; hoofdzaak voor hem was de bestudeering der geologische gesteldheid van dit nog zoo weinig bekende eiland en tevens het ethnographisch onderzoek. SCHWANER was de eerste reiziger, die den tocht van Bandjer- massin naar Pontianak door de binnenlanden van Borneo volbracht. Na tot 1850 te Buitenzorg vertoefd te hebben, werd hem in dat jaar opnieuw een reis naar Zuidoost-Borneo opgedragen ; voordat hij zich aan deze taak kon gaan wijden, stierf hij 30 Maart 1851 te Buitenzorg. Ook was nog aan de Commissie toegevoegd de teekenaar H. VON GAFFRON, die zich evenals SCHWANER verdienstelijk ge- maakt heeft door de aanwijzing van steenkolenlagen in de buurt van de rivier Riam Kiwa. VON GAFFRON is administrateur van de kolenmijn Oranje-Nassau te Pengaron (Z.-O.-Borneo) geweest-, later assistent-resident van Billiton. Zijn geschriften betreffen voornamelijk het voorkomen van ertsen in Zuid-Borneo. J ) C. A. L. M. SCHWANER, 1853. Borneo. Beschrijving van het stroomgebied van den Barito en reizen langs eenige voorname rivieren van het zuid-oostelijk gedeelte van dat eiland. Op last van het Gouvernement van Nederl. Indie gedaan in de jaren 184347. (Uitgegeven door het Koninklijk Instituut voor de taal- land- en volkenkunde van Nederlandsch-Indie). Amsterdam, 1853. 1 2O DE NATUURKUNDIGE COMMISSIE. In het vaderland werden de belangen van het natuuronder- zoek behartigd door een Commissie, bestaande uit de drie Hoogleeraren BLUME, REINWARDT en TEMMIXCK ; aan hen werd steeds advies gevraagd over de te nemen maatregelen en de te benoemen personen. Ingesteld den uen September 1837, had deze Commissie tot eersten plicht de verzorging en bewer- king der talrijke verzamelingen te leiden. MULLER en KORTHALS, die met verlof gekomen waren, moesten over de door hen bijeengebrachte collecties aan deze commissie verslag uitbrengen. En opnieuvv werd een grootsch plan tot het uitgeven van een standaardwerk ontworpen ; dit zou den langen titel : ,,Verhan- delingen der Nederlandsche Natuurkundigen betreffende de voortbrengselen en gesteldheid der Nederlandsche overzeesche bezittingen" dragen. In tegenstelling met de overige plannen omtrent uitgave van de resultaten der Indische Commissie, kwam dit plan tenminste gedeeltelijk tot uitvoering; tusschen de jaren 1839 en 1847 verschenen drie folio-deelen : ,,Verhan- delingen over de natuurlijke geschiedenis der Nederlandsche Overzeesche bezittingen door de leden der Natuurkundige Commissie en andere schrijvers, uitgegeven op last van den Koning door C. J. TEMMINCK" ; een deel bevatte de door KORT- HALS bewerkte plantkunde, een deel de zoologische onderzoe- kingen door MULLER en SCHLEGEL, en een deel Land- en Volkenkunde, voornamelijk door MULLER bewerkt. Ook nog op andere wijze toonden deze adviseurs hun taak grondig op te vatten ; in 1842 diende de Commissie een ,,Concept-reglement voor de Natuurkundige Commissie op Java" bij den Minister in, terwijl op haar raad in Mei 1846 een ministerieel besluit verscheen, bevattende ,,Bepalingen tot bete- ren waarborg, dat de dagboeken enz. der Nat. Commissie in Ned. -Indie niet verloren gaan". Beide reglementen zijn van een zeer practischen opzet, maar hebben slechts een nadeelige 121 DE NATUURKUNDIGE COMMISSIE. eigenschap : ze zijn ontworpen, toen het te laat was. Wie er belang in stelt, kan ze in him geheel afgedrukt vinden in de belangrijke dissertatie van H. J. VETH, den geschiedschrijver der Indische Commissie J ). De salarisregeling werd vastgesteld ; ieder lid zou na zesjarig verblijf in Indie, drie jaar Europeesch verlof krijgen, om hier zijn waarnemingen te komen uitwerken ; na tien jaar lid der Commissie geweest te zijn, hadden de onderzoekers aanspraak op pensioen. Alle dagboeken, ver- zamelingen, enz. werden Rijkseigendom ; de verzending naar Europa werd geregeld. Al deze bepalingen zouden misschien van groot nut geweest zijn, indien ze twintig jaar vroeger gemaakt waren ; thans, nu de Commissie zichzelf overleefd had, was ze niet meer geschikt voor hervorming en niet krachtig genoeg voor herleving. Het was een langzaam afsterven, waardoor de eens zoo roemvol begonnen arbeid der Commissie uitgeput werd ; een droevig en weinig eervol einde werd haar beschoren door het Kon. Besl. van 17 April 1850, waarvan het eerste artikel luidt : ,,De Nat. Commissie in Ned. -Indie wordt bij deze ontbonden' . Het dirigeerend lid SCHWANER, volgens een uitdrukking van TEMMINCK : ,,un renegat, qui semble avoir pris la science comme marchepied pour parvenir au but, qu'il se proposait d'atteindre", bleef tot zijn dood, in het volgend jaar, in Indie. Wij verlieten 's Lands Plantentiiin toen deze, in beginsel zoo belangrijke inrichting door de bezuinigingsbepalingen van den Commissaris-Generaal Du Bus, zich op den rand van den afgrond scheen te bevinden (biz. 112). En nog kwam er geen einde aan de noodlottige gebeurtenissen, die ten opzichte dezer instelling plaats grepen : allereerst het vertrek van ZIPPELIUS, x ) H. J. VETH, 1879. Overzicht van hetgeen, in het bijzonder door Nederland, gedaan is voor de kennis der fauna van Nederlandsch-Indie. Dissertatie. Leiden, 1879. p. 99 en p. 114. 122 DE NATUURKUiNDIGE COMMISSIE. die nog niet, zooals H. J. VETH het voorstelt '), een ,,gewezen hortulanus" van 's Lands Plantentuin was, maar waarschijnlijk een werkkring bij de, door de regeering in het moederland ondersteunde, Natuurkundige Commissie veiliger achtte dan een ambt aan 's Lands Plantentuin, geheel af hankelijk van Du Bus' willekeur. Maar erger dan dit wetenschappelijk verlies was het dreigende besluit, door Du Bus 4 September 1827 genomen. De radicale hervormingen, door hem in 1826 inge- voerd, vergden nog te veel van de schatkist; de belangrijke som van f 200 's maands, bestemd voor het onderhoud van 's Lands Plantentuin, werd ingetrokken en bepaald, dat de benoodiorde ^elden ontleend moesten worden aan de voor het o o beheer van den Buitenzorgschen Paleistuin toegestane som van f 1500. Wij kunnen Du Bus niet verwijten, dat hij trachtte de vervvarde Indische finantien weer in orde te brengen, maar verwonderd mogen wij ons toonen over de manier, waarop dit geschiedde: de Commissaris-Generaal krijgt f 1500 per maand voor zijn tuin, een luxe-voorwerp bij uitnemendheid, terwijl de wetenschappelijke Hortus Bogoriensis af hankelijk gemaakt wordt van de willekeur van den Gouvernementsintendant. Zeker, de Plantentuin bleef bestaan, in naam tenminste, maar het is voor de ruime ontwikkeling een ramp geweest, dat een militair het opperbeheer in handen had. Toch houdt, wij kunnen wel zeggen ondanks Du Bus, het besluit van 1827 de kiem in zich van een later zeer nuttig gebleken instelling: de bergtuinen. Bij de gronden van het Paleis behoorde ook een gedeelte bergtuin te Tjipannas in de Preanger Regentschappen ; aangezien dit geen wetenschappe- lijke instelling was, maar een lusthof van den Gouverneur- Generaal, wordt deze tuin door Du Bus niet opgeheven, terwijl ') H. J. VETH, 1879. p. 51. 123 DE NATUURKUNDIGE COMMISSIE. de onkosten eveneens uit de som van f 1 500 bestreden moesten vvorden. Dientengevolge noemt de Comm. Gen. in zijn besluit tegelijkertijd den tuin van het Paleis te Buitenzorg, 's Lands Plantentuin en de inrichting te Tjipannas als 6en geheel. De drie andere bergtuinen: Tjibeureum (tegen de helling van den Gedeh), die op den top van den Pangerango en die te Kandang Badak (in het zadel tusschen Gedeh en Pangerango) werden eerst later, toen weer een bloeitijd aangebroken was (1839 en 1840), aangelegd. Een merkwaardig voorbeeld van inzicht in de beteekenis van den Hortus Bogoriensis vermeldt TREUB'): ,,Toen de Capitaine de Corvette FABRE en de natuuronder- zoeker BELANGE", van goede aanbevelingen voorzien, aan de Regeering verzochten, op Java nuttige gewassen te mogen verzamelen, werd hun toegestaan uit den tuin te Buitenzorg al datgene te nemen, wat zij noodig hadden (Besl. van 30 Mei 1828 no. 13)". De nawerking dezer besluiten van 1826 en 1827 deed zich tien jaar lang gevoelen. Wei werden er door de beschikkingen der opeenvolgende Gouverneurs-Generaal enkele kleine veran- deringen in de regeling betreffende 's Lands Plantentuin gebracht: in November 1829 werd bijv. bepaald, dat de Hortulanus onder- geschikt zou zijn aan den Chef der Natuurkundige Commissie, en werd de Hortulanus HOOPER, die in Dec. 1830 met verlof naar Europa vertrokken en op reis overleden was, eerst tijdelijk, en na 5 Maart 1831 definitief vervangen door J. E. TEYSMANN,. maar toch kunnen wij ons volkomen aansluiten bij de woorden, waarmee TEYSMANN zelf dit tijdvak van weinig belangstelling voor den Hortus kenmerkte : ,,Onder het bestuur van de Gouverneurs-Generaal VAN DEN BOSCH en BAUD (Januari 1830 Februari 1836) werd de Plantentuin als niet bestaande beschouwd".. J ) M. TREUB, 1889. p. 41. 124 J. E. TEYSMANN. DE NATUURKUNDIGE COMMISSIE. Toch waren de bepalingen van 21 November 1829 en 5 Maart 1831 volstrekt niet zonder belang, maar het waren factoren van het toeval afhankelijk, die deze weinige regeerings- bemoeiingen van zoo groote gevolgen deden zijn. En deze factoren waren de karakters van Hortulanus TEYSMANN en van den chef der Natuurkundige Commissie DIARD. JOHANNES ELIAS TEYSMANN ') had, volgens het oordeel van den eigenaar der buitenplaats .,Mentenberg", waar de oude TEYSMANN tuinbaas was, dominee moeten worden, al was zijn karakter verre van zachtzinnig en zijn oordeel, hoewel steeds rechtvaar- dig, nooit ontziend of in overbeleefde termen gekleed. Maar TEYSMANN JR. aangetrokken door het beroep van zijn vader, werd tuinknecht op verschillende landgoederen en kwam in 1830 in dienst bij den nieuwbenoemden Gouv.-Gen. VAN DEN BOSCH. In Buitenzorg werd hij reeds spoedig, zooals we zagen, de vervano-er van den eersten hortulanus van 's Lands Plantentuin, & HOOPER. En juist TEYSMANN was degene, wiens levensloop volkomen saamgeweven werd met het opnieuw ontwaken der hem toevertrouwde botanische installing; niet aan een waardig uiterlijk ontleende hij zijn invloed, evenmin aan parlementaire of diplomatieke handigheden, maar aan de open natuur en de rondborstigrheid van karakter, die hem zoozeer el^en was. Wat o ^y TEYSMANN meende, dat zei hij en wat hij zeide, werd door hem gemeend. En er moest heel wat gebeuren, voordat TEYSMANN een plan door hem in het belang van zijn tuin geacht, zells al was dit tegen den zin van den Gouverneur-Generaal, liet varen. Het meest kenmerkend is wel het bekende antwoord, door TEYSMANN aan een der Gouverneurs-Generaal gegeven, toen deze hem verweet, ten opzichte van enkele maatregelen (het betrof het vellen van boomen) geen rekening met de ') M. TREUB, 1890. J. E. TEYSMANN. Eene korte schets. (Teysmannia. I. p. i 12). 125 DE NATUURKUNDIGE COMMISSIE. wenschen van Zijne Excellence gehouden te hebben. Het kwam tot een gesprek, waarin TEYSMANN op niet al te fijngeslepen wijze zijn meening verdedigde, zoodat de Gouv.-Gen. hem toe- voegde: ,,Wie is hier meester, mijnheer TEVSMANN, u of ik?" En terstond klonk het antwoord : ,,Ik, Excellentie, zoolang u mij niet ontslagen hebt". De eerste zes jaren, door TEYSMANN als hortulanus te Buiten- zorg doorgebracht, waren voor hem een leertijd ; hij trachtte zoo goed het ging zonder de belangstelling der Hooge Regeering, 's Lands Plantentuin in beteekenis te doen toenemen, zette het onder REINWARDT en BLUME begonnen werk voort en zal door zijn persoon aan menig intendant van den Gouv.-Gen. eerbied afgedwongen hebben. Onder het bestuur van den nieuwen landvoogd DE EERENS, opvolger van BAUD, werd een nieuwe koers ingeslagen : een wetenschappelijk ontwikkeld man werd aan den Plantentuin verbonden. Het was J. K. HASSKARL '), ruim drie jaar jonger dan TEYSMANN, maar in kennis verre zijn meerdere. Geboren te Kassel 5 Dec. 1811, bezocht JUSTUS KARL HASSKARL, na de verhuizing zijner familie, te Bonn het gymnasium. Maar in deze richting gingen zijn verlangens niet: hij wilde reizen en de wereld zien. Spoedig verwisselde hij het gymnasiastenpakje tegen dat van tuinmansjongen aan den botanischen tuin te Poppelsdorf bij Bonn, ging daarna plantkunde studeeren en kwam door bemiddeling van den Bonner hoogleeraar GOLDFUSS met een reeder uit Rotterdam in aanraking, die hem het aanbod deed, met een van zijn schepen een reis naar Indie te maken. Het plan, dat JUSTUS bij een neef van den Rotterdamschen reeder te Batavia zou logeeren, ging niet door : de neef liet hem buiten zijn deur. Gelukkig voor HASSKARL, die geen onder- J ) Zie bijv. J. G. BOERLAGE, 1894. In memoriam. JUSTUS KARL HASSKARL en zijn botanische werken. (Teysmannia. 1894. p. 1291481. 126 DE NATUURKUNDIGE COMMISSIE. komen had, vond hij in den reeds genoemden chef van den Geneeskundigen Dienst, Dr. FRITZE, een welwillend beschermer. Door FRITZE'S invloed en door de krachtige medewerking van DIARD, den chef der Natuurkundige Commissie, kreeg HASSKARL (20 Dec. 1837) een aanstelling als assistent-hortulanus, waarbij hem op voorstel van den waarnemenden intendant SCIIARTEN uitsluitend het botanisch gedeelte opgedragen werd. In het advies, door dezen militair aan de Gouv.-Gen. ter benoeming van HASSKARL uitgebracht, vinden wij de volgende eigenaardige opmerking: ,,Doch ten einde alle botsingen voor te komen, welke uit deze afgescheiden betrekkingen zouden kunnen voort- vloeien, is het wenschelijk, dat zij beiden onmiddellijk onder de bevelen van den Intendant van het huis worden geplaatst "'. En doordat deze bepaling ook in HASSKARL'S benoemingsbesluit is opgenomen, -is de militaire invloed op 's Lands Plantentuin nog verscherpt, en heeft de Hortus Bogoriensis, een weten- s:happelijk-botanische inrichting, dertig jaar lang (tot 1868) onder militaire dictatuur gezucht. Als vergoelijking voor die dwaze maatregel wordt er bijgevoegd: ,,dat de geschillen, het vak betreffende, door het dirigeerend lid der Natuurkundige Commissie worden beslist". Het was een zegen voor Buitenzorg's Tuin, dat het drieman- schap DIARD TEYSMANN HASSKARL steeds klaar stond zijn belangen te verdedigen, een zeldzaam Fransch-Nederlandsch- Duitsch verbond van groote beteekenis. Want wat voor gevaren er van de zijde der militaire beheerders dreigen konden, blijkt uit een gouvernementsbesluit van 1 1 Sept. 1840, waarbij TEYSMANN van het toezicht op den bergtuin te Tjipannas ontheven werd, op voorstel van den Kapitein-Intendant STUTEN, en wel om de volgende practische redenen : ,,dat er ter laatstgenoemder plaatse sedert jaren geene aardappelen aangeplant zijn, zoodat dit artikel voor het gebruik van het Gouvernementshuis te Buiten- 127 DE NATUURKUNDIGE COMMISSIE. zorg elders is moeten vvorden aangekocht"! Een verschrikkelijk verzuim van den nalatigen TEYSMANN ! Maar het troost ons, dat reeds het volgend jaar gedaan werd, alsof dit besluit nooit genomen was, en juist gelden voor het onderhoud der berg- tuinen er vvaren drie nieuwe bijgevoegd toegestaan werden. HASSKARL'S verdiensten ten opzichte van 's Lands Plantentuin werden door Prof. TREUB als volgt samengevat ") : ,,In de eerste plaats werd hij, hoewel onder TEYSMANN geplaatst, ongemerkt diens bekwaamste en beste leermeester. In de tweede plaats was hij met zeldzamen ijver en groote bekwaamheden toegerust, de persoon, die de door DIARD gewenschte systema- tische rangschikking der planten in den tuin, uitvoerde, en TEYSMANN de noodzakelijkheid ervan leerde inzien. In de derde plaats was Dr. HASSKARL de vervaardiger van den belangrijken tweeden catalogus van den tuin, voor welks samenstelling een zeer groot aantal gewassen was gedetermineerd en in den tuin uitgeplant". ,,Op dit oogenblik nog dankt 's Lands Plantentuin te Bui- tenzorg in de allereerste plaats zijn wetenschappelijke beteekenis aan de voor een halve eeuw ingevoerde systematische rang- schikking in den botanischen tuin. Aan dit denkbeeld, door HASSKARL het eerst verwezenlijkt en waaraan TEYSMANN, soms de hoogste tegenwerking trotseerend, streng de hand heeft gehouden, dankt de Buitenzorgsche instelling thans de mogelijk- heid, om een gemakkelijk station te zijn voor buitenlandsche botanisten, die eenige maanden aan de bestudeering der tropische plantenwereld willen wijden". En ook de samenstelling van den tweeden catalogus was een werk van groote verdienste; de eerste, reeds achttien jaar geleden door BLUME bewerkt, was natuurlijk door alle veranderingen in den Plantentuin geheel M. TREUB, 1892. p. 13. 128 DE NATUURKUNDIGE COMMISSIE. verouderd. HASSKARL'S tweede catalogus was reeds in 1839 gereed, maar kon door allerlei omstandigheden pas in 1844 verschijnen, nadat de bewerker met verlof naar Europa ver- trokken was (1843). In de jaren 1837 1841 waren het de driemannen DIARD, TEYSMANN en HASSKARL, die voor Buitenzorg's belangen streden ; tegen een toenemende tegenwerking en een misplaatst militair opperbestuur verdedigden zij REINWARDT'S instelling met een steeds krachtiger beleid. Want het waren niet alleen de dwaze bepalingen van ondeskundige militairen, waardoor de ontwikke- ling van den Plantentuin belemmerd werd ; veel ernstiger was de bestrijding door hooggeplaatste deskundigen, door niemand anders dan BLUME en VON SIEBOLD. Oogenschijnlijk met volkomen wetenschappelijke bedoelingen hadden deze beide heeren, van wie een nog wel Directeur van den Buitenzorgschen Tuin was geweest, in 1839 een plan ontworpen eener ,,Ver- eeniging tot invoering en aankweeking van Japansche gewassen in Nederland" en den Minister van Kolonien verzocht, aan den uittezenden kruidkundige (Dr. J. PIEROT) alle mogelijke hulp van de zijde van Buitenzorgs ambtenaren te willen verschaffen. DIARD maakte van deze gelegenheid zeer handig gebruik, om de regeering te adviseeren, dat de door PIEROT bijeengebrachte verzamelingen zouden moeten komen aan alle wetenschappelijke inrichtingen, aan de vereeniging van de Heeren VON SIEBOLD en BLUME, aan de Academie-tuinen van Leiden en Utrecht, maar ook aan den Buitenzorgschen Hortus. Voorloopig was dus van BLUME'S en VON SIEBOLD'S plannen weinig nadeel te verwachten ; twee veranderde omstandigheden zouden echter den toestand minder gunstig maken : DIARD ver- trok in September 1841 naar Europa en werd een jaar later opgevolgd door SCHWANER, wiens eenige wensch was ongestoord op Borneo te kunnen reizen en die zich dus van de zaken den 129 DE NATUURKUNDIGE COMMISSIE. Plantentuin betreffende al heel weinig aantrok en bovendien werd de ,,Vereeniging tot invoering en aankweeking van Japan- sche gevvassen in Nederland" omgezet in een ,,Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot aanmoediging van den Tuin- bouw". Onder bescherming des Konings voelden de Heeren VON SIEBOLD en BLUME zich machtig: hun optreden werd met den dag onbeschaamder ') : ze begonnen met aan den Gouver- neur-Generaal lijsten te zenden van planten ,,welke in 's Lands Plantentuin aanwezig, ter aankweeking in Nederland ten spoe- digste verlangd worden" en kwamen er ten slotte toe, aan den minister van kolonien te verzoeken ,,te willen zorgen, dat de planten, welke door ons uit 's Lands Plantentuin zullen worden aangevraagd, gedurende eenige jaren aan geene andere worden afgeleverd". En ingevolge ministerieele opdracht, wordt door den Gouverneur-Generaal MERKUS in dien zin een besluit uit- gevaardigd. Ook in andere richting trachtte BLUME de wetenschappelijke ontwikkeling van Buitenzorgs tuin tegen te werken. Reeds in 1841 had HASSKARL, krachtig gesteund door DIARD, voorgesteld een bibliotheek en een herbarium aan te leggen ; het eerste werd toegestaan ; tot den aanleg van een herbarium kon de regeering nog niet besluiten. In 1844 zette TEYSMANN ook dit door en wel op de hem zoo kenschetsende wijze. ,,Op 14 Maart 1844", aldus schrijft Prof. TREUB in zijn Korte Geschiedenis 2 ) ,,herhaalde TEYSMANN het vroegere voorstel van HASSKARL, om een Herbariumlokaal te bouwen, en den gen April daaraanvolgende schreef hij aan den Intendant, dat een gedeelte der balken, benoodigd tot het bouwen van een Herbarium in 's Lands Plantentuin, reeds waren ingekocht, en hij zoo spoedig mogelijk een begin met het werk *) Zie M. TREUB, 1892. p. 1819. z ) M. TREUB, 1892. p. 19. 130 J. K. HASSKARL. DE NATUURKUNDIGE COMMISSIE. vvenschte te maken". Maar dezelfde BLUME, nu in zijn hoe- danigheid van ,,Directeur van 's Rijks Herbarium", vond in TEYSMANN'S plannen een ernstige bedreiging voor zijn inrichting ; hij deed aan den Minister van Kolonien (December 1844) een drietal voorstellen, die om hun brutale termen alleen reeds waard zijn, hier vermeld te worden 1 ): ,,ie. Te verbieden, dat iemand van degenen, die bij de Natuurkundige Commissie of bij 's Lands Plantentuin op Java zijn aangesteld .... aan een ander, onder welk voorwendsel ook, eenige gedroogde planten of andere kruidkundige voorwerpen afsta, als zullende alle botanische verzamelingen bij uitsluiting aan 's Rijks Herbarium te Leijden worden afgeleverd; 2e. Te gelasten, dat alle reeds verzamelde kruidkundige collecues, zoo bij 's Lands Plantentuin op Java of vanwege de leden der Natuurkundige Commissie, als speciaal die van den Heer JUNGHUHN, zonder eenige uit- zondering, onverwijld door tusschenkomst van de Hooge Indische Regeering, naar Nederland worden afgezonden ten behoeve van 's Rijks Herbarium . . . . ; 36. Te bepalen, dat het bij 's Lands Plantentuin aan te houden Herbarium alleen zoodanige gewassen zal bevatten, welke daarin worden aangekweekt . . . ." BLUME had voor deze voorstellen moeilijk een autocratischer toon kunnen vinden. Het advies van SCHWANER luidde natuurlijk overeenkomstig BLUME'S voorstellen ; JUNGHUHN gaf in krasse termen zijn misnoegen over dergelijke maatregelen te kennen en TEYSMANN slaagde erin, door een zeer gematigd en oordeel- kundig advies, de Regeering te overtuigen van het dolzinnige en sterk onrechtvaardige van BLUME'S bedoelingen. De Indische Regeering besloot dan ook BLUME'S eischen als niet gedaan te beschouwen. De deskundige hulp van HASSKARL moest TEYSMANN missen ; J ) M. TREUB, 1892. p. 20. DE NATUURKUNDIGE COMMISSIE. hem was in November 1843 verlof verleend; ook de Zwit- sersche botanicus ZOLLINGER, die HASSKARLS plaats na diens vertrek ingenomen had, was na vijf maanden weer op reis getogen. HASSKARL kon het echter in Europa niet lang uithouden ; zijn geschokte gezondheid was daar reeds spoedig hersteld ; in, het begin van 1846 vinden wij hem weer in Buitenzorg terug. Maar door meeningsverschil over de hem te geven positie ontstemd, vroeg HASSKARL spoedig ontslag en vertrok nog in hetzelfde jaar weer naar Europa. Hoewel TEYSMANN en HASS- KARL in deze zaak lijnrecht tegenover elkander stonden, belette dit hen toch niet elkaars verdiensten te waardeeren. HASSKARLS werkzaamheid ten dienste der zoo belangrijke Buitenzorgsche instelling had hiermede een einde gevonden ; een werkzaamheid van buitengewone beteekenis, zooals duidelijk blijkt uit de uiteenzetting, door TREUB ') gegeven. Behalve de tweede cata- logus, verschenen van zijn hand nog een aantal verhandelingen in wetenschappelijke tijdschriften : ,,Tijdschrift voor Neerlands Indie", ,,Verhandelingen van het Batav. Gen.", ,,Tijdschrift voor Natuurlijke Geschiedenis en Physiologic", ,,Beiblatter zur Flora", terwijl hij tevens tijdens zijn eerste Indische periode, een pas in 1865 verschenen werkje schreef over enkele nuttige planten van Java 2 ). Na HASSKARLS vertrek stond TEYSMANN dus weer alleen ; hulp van SCHWANER kon hij niet verwachten. Als opvolger werd door TEYSMANN ZOLLINGER voorgesteld, die hem reeds tijdens HASSKARLS verlof vijf maanden geholpen had, en steeds op zijn reizen voor Buitenzorg verzamelde ; van hoogerhand werd T ) M. TREUB, 1889. p. 7276. 2 ) J. K. HASSKARL, 1865. Aanteekeningen over het nut, door de bewoners van Java aan eenige planten van dat eiland toegeschreven, uit berichten der inlanders samengesteld. Amsterdam, 1865. 132 DE NATUURKUNDIGE COMMISSIE. ^chter de candidatuur van een zekeren VAN GESKER zeer be- vorderd, wiens benoeming dan ook spoedig volgde. Maar gelukkig voor TEYSMANN bleef VAN GESKER slechts korten tijd werkzaam; na twee jaar (begin 1849) werd deze wegens moord veroordeeld en ontslagen. ZOLLINGER was naar Europa vertrok- ken en had in zijn vaderland een goede betrekking gevonden. In datzelfde jaar begint opnieuw een Leidsch hoogleeraar, voor wien de antwoorden, door TEYSMANN aan BLUME gegeven, waarschijnlijk niet duidelijk genoeg waren, een veldtocht tegen den Plantentuin. ,,Het invoeren van gewassen van Amerika, Kaap de Goede Hoop enz. in den tuin van Buitenzorg, is steeds door mij zeer vreemd gevonden", meent bedoelde hoogleeraar. Prof. DE VRIESE, te mogen opmerken. Waarop TEYSMANN terecht antwoordt: ,,Er ontbreekt nu nog maar aan, dat alle reeds vroeger ingevoerde kultuurplanten, al ware het slechts de koffie, die thans millioenen aan het Gouvernement oplevert, weder worden uitgeroeid". En als DE VRIESE probeert, aan het zijns inziens verkeerde ruilen van planten een eind te maken, door Wardsche kisten ledig naar Buitenzorg te zenden, die dan ge- vuld naar Leiden moesten terugkeeren, dan merkt TEYSMANN op: ,,Ik zal hem doen weten, dat ik van mijne zijde alles zal aanwenden, om hem zijne kisten ledig terug te zenden", ter- wijl hij in een verslag meedeelt : ,,Het voornaamste, waarmede deze tuin in het afgeloopen jaar beschonken werd, bestaat in S ledige kisten, van Prof. DE VRIESE, directeur van den Kruid- tuin der Hoogeschool te Leiden". Bovendien acht DE VRIESE de opengevallen plaats van assis- tent-hortulanus een uitstekend middel, om direct invloed op den gang van zaken in Buitenzorg te kunnen uitoefenen : een Jong, bekwaam tuinknecht, SIMON BINNENDIJK, door DE VRIESE speciaal daartoe opgeleid, wordt door zijn invloed als opvolger van den mislukten VANGFSKiiRuitgezonden. TEYSMANN doorziet DEVRIESE'S 133 DE NATUURKUNDIGE COMMISSIE. bedoeling zeer goed : ,,maar ik beschouw de bedoelingen van ZEd. HGde daarheen te leiden om den Plantentuin van Buiten- zorg gedeeltelijk onder zijn beheer te brengen". Toch kan DE VRIESE geen klagen hebben over de wijze, waarop steeds vanuit Buitenzorg aan zijn wenschen voldaan is, ,,maar het schijnt nu zijn (DE VRIESE'S) gevoelen te zijn, dat zijn protege en zendeling geheel Java in een doosje zal inpakken en aan ZEd. HGde doen toekomen". BINNENDIJK werd 19 Juli 1850 benoemd; een belangrijke rol in de geschiedenis van 's Lands Plantentuin was voor hem weggelegd. Volkomen op zichzelf staand, zonder eenig verband met Natuurkundige Commissie of Plantentuin, werkte nog in Indie Dr. PIETER FREDERIK HENDRIK FROMBERG, op aanbeveling van den beroemden Utrechtschen Hoogleeraar G. J. MULDER, benoemd tot landbouwscheikundige der Indische Regeering "). Oorspron- kelijk apotheker van beroep, liet FROMBERG zich op 3O-jarigen leeftijd (hij was geboren 19 Febr. 1811 te Amsterdam) nog te Utrecht inschrijven als student in de Wis- en Natuurkunde, legde hier zijn candidaatsexamen af, werkte te Edinburgh drie jaar onder leiding van den landbouwchemicus JOHNSTON, en promoveerde 30 Juni 1847 te Utrecht op een ,,Physiologisch- chemische verhandeling over de bestanddeelen der planten, in verband met het plantaardig leven". Kort hierop werd FROMBERG naar Indie gezonden, waar hij spoedig na aankomst tot ,,Agrikul- tuurchemist" der Regeering aangesteld werd. In de eerste jaren was hij veel op reis, om Java uit eigen aanschouwing te leeren kennen; zijn eigenlijke werkzaamheid, nadat hij zich in 1851 te Buitenzorg gevestigd had, valt dan ook in de volgende periode. En nog een ander onderzoeker moet hier vermeld vvorden, J ) Zie D. W. ROST VAN TONNINGEN, 1859. Dr. PIETER FREDERIK HENDRIK FROMBERG. (Bataviaasch Handelsblad. 7 Febr. 1859; Hand, en Geschr. Indisch Genootschap. VI. p. 7178 en Natuurk. Tijdschr. Ned.-Indie. XVI. p. 393 402). 134 DE NATUURKUNDIGE COMMISSIE. wiens onderzoek wel niet speciaal voor Indie van belang ge- weest is, maar wiens in Soerabaya gedane ontdekking een zoo belangrijk gevolg gehad heeft, dat ze hier niet vergeten mag vvorden : JULIUS ROBERT MAYER, die volgens OSTWALD ') ,,zu den Forschern zu rechnen ist, deren ganzes Leben der Durchfiihrung eines einzigen groszen Gedankens gewidmet bleibt". MAYER was 25 Nov. 1814 te Heilbronn geboren, bezocht een Seminarium en de Universiteit Tiibingen, om medicijnen te gaan studeeren, en werd na afloop van zijn studietijd scheepsdokter op de Hollandsche driemaster ,Java". Reeds onderweg had hem de opmerking van een ouden stuurman, dat de zee na hevige stormen steeds aanzienlijk warmer was dan tevoren, belang ingeboezemd, en toen nu MAYER tijdens zijn verblijf te Soerabaya (4 Juli 27 Sept. 1840) verschillende matrozen een aderlating deed ondergaan, bemerkte hij dat Europeanenbloed in de tropen een veel lichtere kleur heeft, dan in Noordelijke streken ; ook vond hij hiervoor spoedig de verklaring, dat de hooge tempera- tuur in deze omgeving veel minder warmteproductie, en dus veel minder oxydatie in het lichaam noodig maakt. Dat bracht hem op het spoor van de wet van het behoud van arbeids- vermogen en van de mogelijkheid, dat beweegkracht in warmte wordt omgezet en omgekeerd. Langzamerhand begint zijn opvat- ting hierover te rijpen : in Juni 1841 zendt hij een verhandeling : ,,Ueber die quantitative und qualitative Bestimmung der Krafte" aan POGGENDORF voor zijn Annalen der Physik und Chemie. Maar POGGENDORF weigert de opname, stuurt zelfs het hand- schrift niet terug, deels, omdat hij het werk van MAYER niet rijp en nog niet voor publicatie geschikt acht, deels ook omdat er in de wetenschap een verlangen naar feiten heerschte en ') WILH. OSTWALD, 1909. JULIUS ROBERT MAYER. (In zijn: Grosse Manner. Leipzig, 1909. p. 61 100). p. 67. 135 DE NATUURKUNDIGE COMMISSIE. natuur-philosophische beschouwingen minderwaardig geacht warden. De eerste grond was volkomen terecht '), waar MAYER zelf schrijft, dat hem pas in het najaar van 1841 de zaak helder voor den geest stond. Daarom zendt hij in Maart 1842 zijn klassiek geworden verhandeling: ,,Bemerkungen uber die Krafte der unbelebten Natur" aan LIEBIG, die dan ook spoedig aan dit artikel een plaats in zijn ,,Annalen der Chemie und der Pharmazie" inruimt. En de tweede beweegreden was oorzaak, dat POGGENDORF ook nog in 1847 opname van HELMHOLTZ' ,,Ueber die Erhaltung der Kraft" weigerde. Ook in dit tijdvak ontbraken niet de zeereizen, meest met een politiek doel gedaan door oorlogsschepen, aan boord waarvan zich dan natuuronderzoekers bevonden, die met het botanisch en zoologisch onderzoek der bezochte streken belast waren. Weer zijn het Franschen, aan wie wij de belangrijkste expedities in dezen tijd danken. Allereerst de reis van de ,,Uranie" onder leiding van FREYCINET (1817 1820), waaraan als botanicus GAUDICHAUD deelnam. Van onze kolonien werden o.a. bezocht Timor, Alor en de oostelijke Molukkeneilanden Poeloe Pisang, Rawak en Waigeoe. Nadat de ,,Uranie" bij de Falklands eilanden vergaan was, werden de verzamelingen, die voor 'tgrootste deel gered waren, op de ,,Physicienne" overgebracht en de reis naar Frankrijk met dit schip voortgezet. Het reisverhaal 2 ) J ) Zie A. VON OETTINGEN, 1909. ROBERT MAYERS wissenschaftlicher Entwick- lungsgang im Jahre 1841. (Abh. d. math. phys. Klasse der Kgl. Sachs, d. Wiss. Bd. 31. No. III. 1909). 2 ) L. DE FREYCINET, 18241844. Voyage autour du monde, execute sur les cor vettes 1'Uranie et la Physicienne, pendant les annees 18171820. Paris, 18241844. Histoire du Voyage. 2 torn. (4 vol.), 18251837. Zoologie par QUOY et GAIMARD. i vol. 1824. Magnetisme terrestre. i vol. 1842. Botanique par CHA. GAUDICHAUD. i vol. 1826. Me"teorologie. i vol. 1844. Observations du pendule. i vol. 1826. Navigation et Hydrographie. 2 torn, i vol. 1826. I3 6 DE NATUURKUNDIGE COMMISSIE. waarin AGARDH, PERSOON en SCHWAEGRICHEN de Kryptogamen bewerkten, QUOY en AIMARD het deel Zoologie, verscheen in de jaren 1824 1844. Dan volgt de tocht van de ,,Coquille" onder leiding van DUPERREY J ), die van onzen Archipel vooral Waigeoe, Boeroe en Ambon, later ook Soerabaya bezocht. De apotheker LESSON zorgde voor het bijeenbrengen der verzamelino-en ; bij de bewerkino- der zoolooasche collecties O J O O verleende GARNOT hulp, terwijl DUMONT D'URVILLE, de tweede officier der Coquille, BORY DE ST. VINCENT en BROGNIART aan het botanisch gedeelte hun medewerking verleenden. Dezelfde DUMONT D'URVILLE was gedurende 1826 1829 commandant van de ,, Astrolabe", aan boord waarvan de apotheker LESSON weer voor de verzamelingen zorgde; verschillende plaatsen in het oostelijk deel van ons Indie werden bezocht. Van het reis- verhaal 2 ) dat in 1830 1834 verscheen, werd het plantkundig deel bewerkt door LESSON en RICHARD. Ten slotte was het weer DUMONT D'URVILLE, die de laatste Fransche expeditie in J ) L. J. DUPERREY, 18261838. Voyage autour du monde, execute par ordre du Roi. sur la corvette ,,LaCoquille", en 18221825, public par L. J. DUPERREY. Paris, 18261838. [Histoire], Hydrographie et physique, 18291830. Histoire du voyage, 1826. Botanique, 1828, par M. M. D'URVILLE, BORY DE ST. VINCENT et AD. BROGNIART. Cryptogamie par BORY DE ST. VINCENT. Zoologie, 18261838 par LESSON et GARNOT. 2 ) J. DUMONT D'URVILLE, 18301834. Voyage de la corvette 1'Astrolabe, execute par ordre du Roi, pendant les annees 1826182718281829, sous le commandement de M . . . . Histoire du voyage. Paris, 18301833. 5 tomes en 10 part. 8 et Atlas. 2 torn. fol. Faune entomologique de 1'Oce'an Pacifique par le Dr. BOISDUVAL. Paris, 1832. Zoologie par QUOY et GAIMARD Paris, 18301833. 4 vol. Botanique par A. LESSON et A. RICHARD. Paris, 1832. i vol. Philologie par D'URVILLE. Paris, 18331834. 2 torn, en i vol. Observations nautiques, me'teorologiques, hydrographiques et de physique. Paris, 183334. 2 torn, en i vol. 137 DE NATUURKUNDIGE COMMISSIE. dien tijd leidde: de tocht naar de Zuidpool en den Grooten Oceaan met de ,, Astrolabe" en de ,,Zelee". Bezocht vverden o.a. Ternate, Ambon, Aroe-eilanden, Ceram, Makassar, Mindanao, Batavia en Zuid-Sumatra. Van de door den scheepsdokter Dr. HOMBRON bijeengebrachte plantenverzamelingen werd een deel door hem- zelf, een deel door MONTAGNE en DECAISNE bewerkt. Het o-eheele o reisverhaal ') verscheen in 1841 1854 als standaardwerk van 23 tekstbanden en 6 banden atlas. In het laatste deel van dit tijdvak vinden we nog de expe- ditie der ,,Samarang", in de jaren 1843 1846, onder leiding van den commandant Sir E. BELCHER 2 ). Van groote beteekenis waren al deze reizen wegens de belangrijke bijdragen tot de kennis der tropische zeefauna en den plantengroei van de bezochte eilanden. Voorloopig nog orienteeringsarbeid, zou al dit onderzoek later strekken tot grondslag voor de wetenschap, die van de verspreiding der dieren en planten een verklaring geven moet: de zoogeographie van ons Indie en de plantenaardrijkskunde. Overzien we nu nog eens, wat de eerste helft der negen- J ) J. DUMONT D'URVILLE, 18411854. Voyage au Pole Sud et dans 1'Oceanie sur les Corvettes 1'Astrolabe et la Zelde, execute par ordre du Roi pendant les annees 1837 1840. Sous le commandement de M. J. DUMONT D'URVILLE. Publie sous la direction de M. JACQUINOT. Histoire du voyage par DUMONT D'URVILLE et C. A. VINCENDON DUMOULIN. Paris, 18411846. 10 vol. Zoologie par HOMBRON et JACQUINOT. Paris, 1846. 5 vol. Botanique par les memes et DECAISNE et M. C. MONTAGNE. Paris, 1845, 2 vol. Anthropologie et Physiologic humaine par DUMOUTIER. Paris, 1854. i vol. Mineralogie et Geologie par J. GRANGE. Paris, 1846. 2 vol. Physique par VINCENDON DUMOULIN et COUPVENT DESBOIS. Paris 1846. i vol. Hydrographie par VINCENDON DUMOULIN. Paris, 18431847. 2 vol. 2 ) E. BELCHER, 1848. Narrative of the voyage of H. M. S. Samarang, during the years 184346; employed surveying the islands of the Eastern Archipelago,, accompanied by a brief vocabulary of the principal languages. With notes OIL the natural history of the islands, by A. ADAMS. London, 1848. 2 vols. - 138 - DE NATUURKUNDIGE COMMISSIE. tiende eeuw voor het Indisch natuuronderzoek opleverde, dan blijkt, dat de Regeering volkomen overtuigd was van het nut eener grondige bestudeering onzer Oostersche kolonien en dat ze daaraan schatten heeft ten koste gelegd. Gebrek aan systeem in werkzaamheid, gepaard met ontmoedigende tegemverking van het noodlot, was oorzaak, dat de resultaten niet bleken te zijn als verwacht had mogen worden ; daarbij kwamen mensche- lijke fouten als ijdelheid en onverdraagzaamheid, heerschzucht en afgunst, die vaak in de beslissingen over belangrijke zaken een te groote rol speelden. Belangrijk is de vooruitgang in deze periode op het gebied van kennis der flora en fauna ; vooral de plantengroei der Indische eilanden werd in het bijzonder bewerkt. Een toepassing vond de kennis der floristiek in de plantengeographie, ten opzichte waarvan JUNGHUHNS verdiensten onsterfelijk zijn r ). West-Java werd door de meeste reizigers als arbeidsveld ge- kozen, Oost-Java vooral door JUNGHUHN en ZOLLINGER bereisd. Uit den aard cler zaak hadden bijna alle floristische onderzoekingen betrekking op phanerogamen , toch ontbraken ook kryptogamen niet in de collecties : vooral Fungi, die op den onderzoeker steeds weer bekoring uitoefenen, werden verzameld (KuHL, VAN HASSELT, JUNGHUHN). En de resultaten der Natuurkundige Commissie op het gebied der dierenwereld waren misschien niet in overeenstem- ming met de ontzaglijke offers, die dit onderzoek geeischt had, onbelangrijk waren ze in geenen deele. Zoo vinden we reeds in 1846 een baanbrekende verhandeling van SALOMON MULLER over de Zoogeographie 2 ) van Ned.-Indie. J ) Zie het volgende hoofdstuk. 2 ) SAL. MILLER, 1846. Ueber den Character der Thierwelt auf den Inseln des Indischen Archipels, ein Beitrag zur zoologischen Geographic. (Arch. f. Naturgesch. XII. i. 1846. p. 109-128). 139 DE NATUURKUNDIGE COMMISSIE. Geologische studies worden vooral gemaakt door HORSFIELD, HORNER en JUNGHUHN; palaeontologische verzamelingen van de op Java zoo belangrijke Tertiair-formatie alweer door JUNGHUHN l }. En behalve deze meer beschrijvende wetenschappen vinden we in deze bloeiperiode een eerste begin van toegepaste weten- schap: landbouw-scheikundige onderzoekingen van FROMBERG, cultuurbevordering door 's Lands Plantentuin onder TEYSMANN en HASSKARL. Met de opkomst en ontwikkeling der natuurwetenschappen in Europa ging een steeds krachtiger leven in ons Indie samen. x ) Zie K. MARTIN, 1910. Junghuhn's Ansichten liber die versteinerungs- fuhrenden Sedimente von Java. (Junghuhn-Gedenkboek, 1910. p. 95104) en het volgende hoofdstuk. 140 F. W. JUNGHUHN. HOOFDSTUK V. F. W. Junghuhn. Officieel bestond de Natuurkundige Commissie, op het oogenblik der opheffing, uit drie personen : SALOMON MULLER, die in Europa vertoefde, en wien den igden J U H eervol ontslag verleend werd, in te gaan op i Jan. 1850, SCHWANER in Indie, en F. W. JUNGHUHN, eveneens met verlof in Europa. Deze laatste, bestemd om op het gebied van Indisch Natuuronderzoek een der groote mannen te jworden, werd in het ontbindings- besluit als lid der Commissie vermeld, en was ook reeds 25 Mei 1845 als zoodanig aangesteld, dus naar de letter lid der Commissie. Maar JUNGHUHNS karakter was er in het geheel niet naar, zich in het keurslijf eener officieele commissie te kunnen schikken en zich aan het oppergezag van mannen als BLUME en TEMMINCK te willen onderwerpen. FRANZ WILHELM JUNGHUHN was in den volsten zin een per- soonlijkheid. Het gedenkboek, bij de viering van het eerste eeuwfeest zijner geboorte uitgegeven (1909), doet reeds op de eerste bladzijden, in de chronologische tabel zijner levens- gebeurtenissen, inzien, dat JUNGHUHN niets hooger stelde dan zijn zelfstandigheid. En deze drang naar onafhankelijkheid gaf 141 F. \V. JUNGHUHN. hem, waar dit noodig was, een karaktermoed tegenover hooger geplaatsten en een onmeedoogende strijdkracht voor wat hij als rechtvaardig beschouwde, dat wij, al mogen zijn uitingen wel eens wat te fel geweest zijn en al zag hij van zijn aanvals- standpunt de verdiensten van de betrokken personen vaak in een te ongunstig licht, toch niet anders dan grooten eerbied kunnen hebben voor dezen man, van wien niet getuigd kan worden, ,,dat hij geen vijanden had". Wilskracht kenmerkte het geslacht der Mansfelder JUNGHUHNS ; grootvader en vader waren beiden mannen van temperament, gemakkelijk in den omgang zoolang niets hen hinderde, maar standvastig en misschien wat eigenzinnig, indien him meening verdedigd moest worden, zich verheffend boven de klein- steedsche geest, die het gansche stadje, waar ook LUTHERS jeugdjaren doorleefd werden, doortrokken had. Is het wonder, dat de jonge FRANZ, die zijn geheele jeugd thuis doorbracht, zijn karakter niet leerde verloochenen ? De eerste tien jaren van zijn leven (26 October 1809 was hij geboren), was hij eenig kind; een paar jongere zusjes stierven vroeg, terwijl de andere kinderen 10 tot 16 jaar jonger waren dan FRANZ, de oudste van het gezin. Zijn opvoeding en onderwijs lieten dan ook niets te wenschen over; privaatlessen leidden hem voor de universiteit op. Zestien jaar oud (September 1825), trekt hij naar Halle, om daar zijn voorbereidende kennis te volmaken, doet na anderhalf jaar zijn toelatingsexamen en wordt nu (i Juli 1827) als medicinae studiosus ingeschreven. Maar deze geregelde studie kan den avontuurlijken FRANZ geen bevrediging schenken ; na twee jaar, vaak door reizen naar Thiiringen, den Harz en Brunswijk onderbroken, geeft hij het op en verlaat Halle, om naar Mansfeld terug te keeren. Hier doorleeft hij een jaar van zijn ,, Sturm- und Drangperiode" ; hier houdt zijn steeds onderzoekende geest zich bezig met de bestudeering 142 F. W. JUNGHUHN. der fungus-flora van Mansfelds omgeving; hier publiceert hij zijn eerste vvetenschappelijke verhandeling *) over nog weinig bekende paddestoelen, zijn lievelingsplanten (,,eine Traumwelt der Pflanzen" noemt hij ze), maar hier ook dvvaalt zijn geest af en vinden we hem in het voorjaar ernstig gewond door een poging tot zelfmoord. In deze jaren komt JUNGHUHNS denken in opstand tegen de hem door den Archidiaconus HECK ingeprente bijbelleer; hij zoekt uitkomst en ziet die in een wanhoopsbui alleen in den dood. Maar zijn krachtig gestel overwint den aanval ; JUNGHUHN zelf ziet er steeds met zekere angstvalligheid op terug; hij zwijgt er zooveel mogelijk over. Als de gevolgen van deze droevige daad voorbij zijn, is ook de crisis in zijn geestelijk leven geweken. Toch is in Berlijn, waarheen hij in den zomer van 1830 vertrok, om zijn medische studien te voltooien, JUNGHUHNS geestesstrijd nog niet volstreden. ,,Des Lebens Rad hat rlicksichtslos an ihm herum- geschliffen. Aber zuletzt hat sich herausgestellt: der sprode Stein, an dem es schliff, war trotz seiner rauen Aussenseite doch ein Diamant", zegt MAX SCHMIDT zoo mooi in zijn ., FRANZ JUNGHUHN" 2 ). In Maart 1831 neemt hij deel aan een duel, waarbij zijn tegenstander volkomen ongedeerd bleef; hijzelf werd verwond. Evenwel was het niet in het belang van het oorlogvoerende Pruisische leger, waarbij hij in April in dienst trad en spoedig Compagnies-chirurg te Laubach werd, de hem daarvoor opgelegde straf reeds nu ten uitvoer te brengen ; eerst ,,als die Armee demobil gemacht und auf den Friedensfusz gesetzt wurde", zoo merkt JUNGHUHN niet zonder bitterheid zelf F. JUNGHUHN, 1930. Observationes mycologicae in species fungorum tarn novas tarn male cognitas. (,,Linnaea", V. 1830. p. 388-410). 2 ) MAX C. P. SCHMIDT, 1909. FRANZ JUNGHUHN. Biographische Beitriige zur hundertsten Wiederkehr Seines Geburtstages. Leipzig, 1909. p. 63. H3 F. W. JUNGHUHN. in zijn ,,Flucht nach Afrika" J ) op, werd hij (25 December 1831) gevangen genomen en naar de vesting Ehrenbreitstein gebracht, (i Januari), waar hij zijn tienjarige vestingstraf zou moeten door- brengen. Maar een karakter als JUNGHUHN laat zich niet dwingen^ nadat hij een tijd lang gehoopt heeft op begenadiging en deze nog steeds uitblijft, besluit FRANZ zich zelf de vrijheid te her- geven ; eerst schroomvallig, later met zeker welbehagen houdt hij zich, alsof de maandenlange gevangenisschap zijn geestes- leven verstoord heeft en hij daardoor krankzinnig geworden is. Door drie geneesheeren werd hij voor ,,total wahnsinnig" en zijn verstand voor ,,hoffnungslos verloren" verklaard. Prachtig is de ironie, waarmee JUNGHUHN over de geneeskundige behan- deling schrijft: ,,Sie uberhauften mich, fast mitleidig, mit den probatesten und auserlesensten Piilverchen und Trankchen. Da gab es Resolventia, Alterantia, Narcotica und Belladonna- piilverchen die Menge, die aber natiirlicher Weise einen andern Weg als den beabsichtigten durch den Tractus Intestinorum nehmen muszten vveil ich bange war, davon wirklich toll zu werden''. En als gevolg werd JUNGHUHNS wensch vervuld: hij werd minder nauwlettend gadegeslagen. Eindelijk, 13 September 1833, aangedreven door een ,,nahmenlose Wehmut, eine Sehn- sucht nach dem Busen der allliebenden Natur, von der ich so lange getrennt war", besluit hij te wagen ; en het gelukt. Twintig maanden had hij geleden. Een half jaar dient hij in Algiers bij het vreemdelingen- legioen ; na een ongesteldheid wordt hij met verlof gestuurd, trekt naar Toulon en Parijs en komt hier met de botanici DE JUSSIEU, BRONGNIART en PERSOON in aanraking. Hier verneemt hij, dat de Koning van Pruisen hem begenadigd heeft en wordt hij door PERSOON overgehaald, in Nederlandschen dienst te treden. ') 1834- Zie MAX C. P. SCHMIDT, 1909. p. 168. F. \V. JUNGHUHN. Na een afgelegd examen ontvangt hij 12 Januari 1835 zijn benoeming tot officier van gezondheid 36 klasse, bestemd voor Java ; 1 3 October zet hij te Batavia voet aan wal. Thans heeft hij het land zijner droomen bereikt, het beko- ringrijke eiland, waar hij bevrediging voor zijn drang naar natuuronderzoek vinden zou. Door een verlofsperiode onder- broken (27 Aug. 1848 18 Juli 1855), wordt zijn verdere leven aan het naspeuren van Java's rijke natuur, van plantengroei en dierenwereld, van vulkanengeschiedenis en tempelhistorie, gewijd. Onvermoeid en rusteloos is hij altijd door aan den arbeid , machtige, onweerstaanbare aantrekking oefent op hem de steeds boeiende tropische natuur uit. Hij vergeet, dat hij eigenlijk geneesheer is, stelt de belangen van zijn patienten achter bij die van zijn wetenschap -, de herhaalde reizen, die de Regeering hem opdraagt, zijn hem een te groote verlokking en een veel meer ideale levenswijs, dan het geestdoodende hospitaalleven. Eerst is het de ruimdenkende FRITZE, de chef van den Geneeskundigen Dienst, die hem op zijn inspectie- reizen meeneemt, zelf de geologie van Java bestudeert en aan zijn adjudant de studie van den plantengroei opdraagt. Met hem maakt JUNGHUHN reizen door de Preanger Regentschappen, door Oost-Java van Semarang tot Besoeki, en vooral worden hierbij de talrijke en bekendste vulkanen bezocht. En na FRITZE'S overlijden (Mei 1839), maakt JUNGHUHN vanuit Batavia vaak uitstapjes naar Wijnkoopsbaai, Gedeh, Pangerango, Bandoeng met den Malabar. In dezen tijd moet ook een voorloopige toevoeging van JUNGHUHN aan de Natuurkundige Commissie plaats gehad hebben ; maar deze opdracht was van korten duur. JUXGHUHN'S geest was niet geschikt voor lid van een commissie ; als zoodanig verloor hij te veel van zijn zelfstandigheid. En na FRITZE is het de G.-G. MERKUS, later zijn het ROCHUSSEN PAHUD, aan wie zijn wetenschappelijke werkzaamheid belang- ID F. W. JUNGHUHN. rijker toescheen, dan zijn taak als officier van gezondheid. Aan hen dankt hij den steun der Regeering en de herhaalde toe- stemmincr om Indie te mogen bereizen : door him medewerkinir ^y ^? ^> bezoekt hij de residentie Kedoe, eenige malen de Preanger, Midden-Java, Salatiga, Krawang, eigenlijk geheel Java en buiten Java de Batak-landen op Sumatra (Oct. 1840 Maart 1842). Ondertusschen had hij na afgelegd examen zijn benoeming ontvangen tot officier van gezondheid 2ej klasse. In Mei 1845 wordt JUNGHUHN definitief benoemd tot lid der Natuurkundige Commissie, onder gelijktijdige toekenning van zijn eervol ontslag als officier van gezondheid. Veel verande- ring brengt hem deze onderscheiding niet; het vergemakkelijkt zijn reizen eenigszins, maar overigens blijft zijn levenswijs vrijvvel dezelfde. Aan het oppergezag, dat BLUME en TEMMINCK over de Natuurkundige Commissie meenen te hebben, stoort JUNGHUHN zich volstrekt niet; zijn wetenschappelijke mededeelingen zendt hij niet naar Holland voor de ,,Verhandelingen over de natuur- lijke geschiedenis" want, zegt hij in de voorrede van zijn ,Java" : ,,Tk voelde geene roeping om bij het optreden voor het publiek met een wetenschappelijken arbeid, zulks te doen als de dienaar van een mede-natuuronderzoeker, en ik was niet onbescheiden genoeg om den wensch te koesteren, dat mijn geringe arbeid zou worden opgenomen in zulk een kostbaar werk als de ,,Verhandelingen enz.'' JUNGHUHN had een grenzenlooze verach- ting voor de ijdelheid der Leidsche hoogleeraren, en wist dit dan ook zeer vaak door fijnen spot en scherpen hekel te doen blijken. Zoo doorleeft hij van de dertien jaar, die zijn eerste verblijf in Indie duurde, er bijna tien met reizen ; zijn medische plichten in Batavia, Weltevreden, Buitenzorg en Djokjakarta namen hem slechts gedurende ruim drie jaar in beslag. Maar ook zijn krachtig lichaam is tegen een dergelijke inspanning niet vol- 146 F. \V. JUNGHUHN. komen bestand ; in Augustus 1848, verzwakt door de tropische hitte, waartegen hij meermalen in de koelte der bergen bescherming zocht, gaat hij met verlof, voorloopig voor drie jaar, later tot zeven jaar verlengd. Wei was dit verlof ,,om gezondheidsredenen" toegestaan, maar JUNGHUHN, die in zijn leven de woorden van SCHILLER : ,,Es ist der Geist, der sich den Korper baut" '), zoo volkomen bewaarheid heeft, was niet van zins dezen rusttijd voor rust te gebruiken. Hij heeft het in die dertien jaar verzamelde materiaal pas gedeeltelijk ver- werkt en gepubliceerd ; in Europa zet hij zijn onderzoekingen en beschrijvingen met kracht voort ; reeds in 1850 verschijnt zijn grootste werk: ,Java, deszelfs gedaante, bekleeding en inwendige structuur" 2 ), oorspronkelijk in het Duitsch geschreven, met hulp o. a. van DE VRIESE en MOLKENBOER vertaald en met gouvernementssubsidie uitgegeven. In 1853 volgde een ,,tweede verbeterde uitgave". Alle uitgeverspractijken en publicatie- verwarring zullen wij terzijde laten ; men kan hierover voldoende inlichtingen vinden in de volledige JuNGHUHN-bibliographie 3 ). JUNGHUHN'S rustelooze natuur kan hem niet lang in de studeer- kamer houden ; reizen moet hij, landen zien, gebergten en flora's onderzoeken ; ook zijn verloftijd wordt hiervoor gebruikt. Gansch Europa is eigenlijk nog te klein in omvang ; vooral de Europeesche berglanden trekken hem met groote kracht: Alpen, Pyreneen, Kaukasus. die alle bezoekt hij ; hier komt tot hem de herinnering aan zijn geliefde Java, dat hem altijd weer terugroept. Tijdens JUNGHUHN'S verlof wordt tot ontbinding van de ') Zie MAX C. P. SCHMIDT, 1909. p. 76. 2 ) F. JUNGHUHN, 1850 1854. Java, deszelfs gedaante, bekleeding en inwendige structuur. 4 din. Amsterdam, 1850 1854. Duitsche vertaling door J K. HASSKARL. Leipzig, 1852 1854. 3) Zie W. C. MULLER, 1910. Junghuhn-Bibliographie. ( Junghuhn-Gedenkboek, 1910. p. 309-356). p. 326-333- H7 F. W. JUNGHUHN. Natuurkundige Commissie besloten ; maar tevens werd bepaald, dat de leden SCHWANER en JUNGHUHN op dezelfde wijze werk- zaam konden blijven. Zoo bestond voor JUNGHUHN het vooruit- zicht, na afloop van zijn verlof naar Indie terug te keeren en zich opnieuw aan de bestudeering der talrijke vraagstukken op het gebied van Java's flora en geologic te wijden. Pas in Juli 1855 eindigde zijn verloftijd en begaf hij zich aan boord der ,, Minister Pahud" met Java als bestemming. Maar JUNGHUHN was tijdens zijn tweede verblijf in Indie niet meer de krachtige man van vroeger; bovendien werd hij na HASSKARL'S vertrek (1856) belast met de inspectie der kinatuinen en daardoor genoodzaakt zijn zuiver-wetenschappelijk werk min of meer te verwaarloozen. Wei reist hij nog veel en brengt hij op zijn reizen nog een belangrijke verzameling planten bijeen, maar zijn tijd van productie is voorbij ; na 1855 verschijnen van zijn hand alleen mededeelingen, jaarverslagen en strijdschriften met betrekking tot de kinacultuur. In de tweede helft van 1861 is de groote FERDINAND VON RICHTHOFEN eenigen tijd zijn gasL Langzamerhand worden de lichaamskrachten gesloopt; hij hoopt in Europa te herstellen, vraagt en verkrijgt daarom verlof, maar nog voor zijn vertrek uit Lembang overvalt hem een hevio-e leverziekte, die noodlotti^ worden zou. & O In den vroegen morgen van 24 April 1864 kwam het einde van een krachtig leven. JUNGHUHN'S eerste Indische periode is verreweg de meest vruchtbare geweest. Veelzijdig als weinig anderen, bezat JUNGHUHN een zeldzame gave om op betrekkelijk weinig ge- gevens juiste en logische redeneeringen te bouwen, maar vond toch zijn groote kracht in scherpe waarneming en objectieve feitenbeoordeeling. Van huis uit plantkundige, wordt vooral het gansch braakliggende gebied der plantengeographie zijn studievak; overal weet hij uit de meest weelderige planten- 148 F. W. JUNGHUHN. formatie een of meer kenmerkende vormen te kiezen , steeds slaagt hij er in, een juist beeld van den plantengroei te ont- werpen. Gewoonlijk vrij sober van stijl, wordt JUNGHUHN als hij zich laat gaan, als de machtige indruk der tropische natuur hem meesleept, welsprekend en warm van taal, weet hij zijn lezer een schilderij voor oogen te brengen, overweldigend als de natuur zelve. En toch vergeet hij daarbij nooit de strenge eischen, door de wetenschap gesteld, nooit fantaseert hij of kleurt zijn landschapsschildering te sterk; waarheid wordt door hem steeds, zoowel in zijn wetenschappelijk als in zijn persoonlijk leven, als het hoogste goed beschouwd. Kenmerkend zijn de woorden, die op den muur van JUNGHUHN'S laboratorium geschre- ven stonden : ,,Amicus Plato, sed magis arnica veritas". De beschrijving van den plantengroei op Java, door JUNGHUHN in het eerste deel van zijn ,Java" J ) gegeven, is tot grondslag geworden voor de moderne planten-geographische onderzoe- kingen, door tal van geleerden op Java gedaan. Door zijn onvermoeide reizen en trekken, was hij in staat de geheele flora van dit rijkste der Indische eilanden te overzien. ,,Inde- fessus hie naturae scrutator omnes propetnodum Javae montes adscendit et solertissime pervestigavit, atque eo maxime meruit, quod altitudines supra maris aequor, quas singulae species in montium jugis tenent, accurate annotaverit atque ita exstruxerit phytogeographiae javanicae fundamenta" getuigt MIQUEL 2 ) van hem. Vooral voor de Preangerbergen, in het algemeen voor West-Java, is JUNGHUHN'S indeeling in plantengordels (zeespiegel- 2000 voet; 2000 4500 voet; 4500 7500 voet en 7500 10,000 voet) doeltreffend gebleken ; in Oost- en Midden-Java vond hij plaatsen, waar de plantengroei sterke afwijkingen vertoonde ') F. JUNGHUHN, 1850. Java, I. p. 218671. 2 ) F. A. W. MIQUEL, 1855. Flora van Nederlandsch-Indie. Amsterdam, Utrecht Leipzig, 1855. III. Inleiding. p. VII. 149 F. W. JUNGHUHN. en niet in een dergelijk algemeen schema ondergebracht kon worden '). Met wetenschappelijke plantenbeschrijving heeft JUNGHUHN zich weinig beziggehouden, zijn verzamelingen voor een deel berustend in 'sRijks Herbarium te Leiden, werden grootendeels door anderen bewerkt. Behalve een belangrijk aantal geschriften o. a. van NEES VON ESENBECK, DE VRIESE, MIQUEL, DOZY, MOL- KENBOER en HASSKARL 2 ), verscheen in de jaren 1851 1857 een belangrijk werk over JUNGHUHN'S verzamelingen van Javaansche en Sumatraansche planten : ,,Plantae Junghunianae" 3 ), om on- bekende redenen onvoltooid gebleven. Wat er in dien tijd onbewerkt gebleven is, benevens bet door JUNGHUHN tijdens zijn tvveede Indische periode verzamelde, is door KOORDERS onderzocht, en in een viertal publicaties beschreven 4 ). Dat ook de voorgeschiedenis van Java's flora JUNGHUHN'S aandacht geboeid heeft, blijkt uit de rijke verzameling fossielen uit het tertiaire tijdvak, door hem op zijn reizen bijeengebracht en in Europa bewerkt door GOPPERT 5 ), die zich op zeer nauw- Zie voor verdere bijzonderheden: S. H. KOORDERS en J. F. NIERMEYER, 1910. JUNGHUHN'S verdiensten voor de plantengeographie van Java. (Junghuhn- Gedenkboek. 's Gravenhage, 1910. p. 241 266). 2 ) Zie F. JUNGHUHN, 1850. Java, I. p. 179198. 3) Plantae Junghuhnianae. Enumeratio plantarum, quas in insulis Java et Sumatra, detexit FR. JUNGHUHN. Leiden, 18511857. (4 afl. p. i 570). Mede- werkers hieraan waren : W. H. DE VRIESE, F. A. W. MIQUEL, J. H. MOLKENBOER, L. A. J. BURGERSDIJK, J. K. HASSKARL, C. BENTHAM, A. SPRING, A. J. DE BRUYN, F. DOZY, L. H. BUSE, C. MONTAGNE, R. B. VAN DEN BOSCH en C. M. VAN DER SANDE LACOSTE. 4) S. H. KOORDERS, 19081910. Plantae Junghuhnianae ineditae. I IV. (I, Versl. Gew. Verg. Wis- en Natuurk. Afd. Kon. Ak. Wet. XVII. p. 156-160; II. Ibidem, p. 780782; III. Ibidem, p. 948 955; IV. Junghuhn-Gedenkboek, 1910. p. 151 198). s) H. R. GOPPERT, 1854. Die Tertiarflora auf der Insel Java, nach den Entdeckungen des Herrn FR. JUNGHUHN beschrieben und erortert in ihren Verhaltnisse zur Gesammtflora der Tertiarperiode. ('s Gravenhage, 1854). 150 F. W. JUNGHUHN. gezette wijze van deze taak gekweten heeft. Met het onderzoek van zijn verzameling dierlijke fossielen was JUNGHUHN minder gelukkig : HERKLOTS, die de bewerking hiervan op zich genomen had, kon door herhaalde ernstige ongesteldheid niet meer publiceeren dan een deel der echinodermen-vondsten '); gelukkig echter heeft een Duitsch-Nederlandsch onderzoeker, de Leidsche Hoogleeraar Dr. K. MARTIN, later (1879) HERKLOTS' taak over- genomen en de bewerking van JUNGHUHNS belangrijke ontdek- kingen tot een goed einde gebracht 2 ). Hoewel JUNGHUHN eigenlijk geen geoloog, maar botanicus was, waren toch zijn terreinbeschrijvingen,zijn landschapsschetsen, zijn teekeningen van profielen en zijn kaarten uitnemend ver- zorgd, zoodat ook in dit opzicht zijn ,Java" een standaardwerk biijft van groqte waarde. Op zuiver geologisch gebied is JUNGHUHN niet altijd gelukkig geweest in zijn onderzoek; toch heeft hij ook hier belangrijke ontdekkingen gedaan en wist hij ook op dit moeilijke gebied zijn eigen opvattingen met succes te verdedigen. ,,Vooral hoog is hem de verdienste aan te rekenen", getuigt VERBEEK 3 ) van JUNGHUHN, .,dat hij optrad tegen de theorie der ,,Erhebungs-Kratere" bij de vulkanen, en hier heeft men voorzeker met een geologisch feit te doen. Hij bewees duidelijk, dat de vulkanische kegelbergen, door het uitwerpen van losse en vaste stoffen om een centrum, zichzelf successievelijk opbouwen, dat de helling der aschlagen en lavastroomen, van de kraters tot aan den voet der vulkanen, oorspronkelijk is en niet aan latere opheffingen is toe te schrijven, ') J. A. HERKLOTS, 1854. Fossiles de Java; Description de restes fossiles d'animaux des terrains tertiaires de 1'ile de Java, recueillis sur les lieux par M. FRANZ JUNGHUHN Leide, 1844. 2 ) K. MARTIN, 18791880. Die Tertiarschichte auf Java. Nach den Ent- deckungen von FR. JUNGHUHN bearbeitet. Leiden, 18791880. 3) R. D. M. VERBEEK, 1910. JUNGHUHN als geoloog. (Junghuhn-Gedenkboek, 1910. p. 105 120). p. 119. F. \V. JUNGHUHN. en ook dat eene verheffing van den ondergrond daarbij geen rol speelt. Die theorie moge nu zeer verouderd schijnen, in- JUNGHUHN'S tijd werd zij nog door veel geologen als juist aan- aangenomen en zij werd gesteund door de autoriteit van een LEOPOLD VON BITCH!". Dat JUNGHUHN ook op geologisch gebied verdienstelijk werk heeft kunnen leveren, dankte hij voornamelijk aan zijn onbevangen oordeel over feiten, aan zijn vrij-zijn van alle bestaande theorieen, waardoor hij zonder vooringenomen- heid tegenover de natuurvraagstukken te staan kwam. Onwillekeurig komt men bij de beschouwing van een zoo grootsche figuur in ons Indisch natuuronderzoek, als die van FRANZ WILHELM JUNGHUHN, tot een vergelijking met den grootste onder zijn voorgangers, RUMPHIUS. En dan blijken beide mannen in meer dan een opzicht overeenkomst te vertoonen: beiden gaven zich met al hun kracht en al hun willen aan de taak, die zij zichzelf hadden opgelegd, beiden kenden geen rust in het land, waarheen het lot hen gevoerd had, en waar de rijke, ongerepte natuur hun zooveel te zien en te overdenken gaf, dat hun geheele leven hieraan gewijd werd; beiden beschikten over een scherp waarnemingsvermogen, over een onbevangen blik op de juistheid van overgeleverde verhalen en op de waarde der ontdekte feiten. Maar daarnaast vinden wij ook punten van verschil. RUMPHIUS leefde in een tijd van naief geloof, van bijna kinderlijke vereering voor de ontzagwekkende wonderen der schepping, zoodat hij meestal blijft staan bij een objectieve natuurbeschrijving, al laat hij zich wel eens tot theoretiseeren verleiden. JUNGHUHN is een kind van zijn tijd, van de woelende en naar oplossing zoekende negentiende eeuw, voor wie geen feitenkennis maar feitenverklaring hoofdzaak is. RUMPHIUS wonend op een eiland, ver van de ,,beschaafde" wereld, rustig genietend van de mooie Ambonsche natuur; JUNGHUHN, een man vol kracht en strijdlust, wien de gansche wereld te 152 F. W. JUNGHUHN. klein lijkt. zoeker naar waarheid in zijn wetenschap en in zijn vvereldbeschouwing. Maar ondanks alle verschil in persoonlijk- heid en in levensbeschouwing, beiden eerbiedwekkende mannen, wier naam in de geschiedenis der natuurwetenschap door alle eeuwen been zal voortleven: RUMPHIUS de Indische Plinius, JUNGHUHN de Humboldt van Java. 153 HOOFDSTUK VI. Algemeene natuurwetenschap na 1850. Zooals goede vruchtboomen, in andere streken overgeplant, ook daar onder goede verzorging goede vruchten kunnen dragen, evenzoo zal een hier te lande welgewassen en krachtige tak van wetenschap bij liefderijke verpleging ook in onze tropen tot intensief leven en bloei gebracht kunnen worden. Zoo werden van alle langzamerhand zelfstandig geworden natuur- wetenschappen stekken opgekweekt en naar Indie overgebracht. En evenals de tuinman zijn jonge boompjes vooral gedurende den eersten tijd met groote zorg beschermen moet, zoo moet ook degene, aan wien de verpleging der jonge wetenschap is toevertrouwd, maar al te waakzaam zijn, dat haar niet van een of andere zijde nadeel toegebracht wordt. Gelukkig echter waren voor deze verzorging meestal mannen aangewezen, die met alle kracht de soms vrij heftige tegenwerking ontwa- penden en erin slaagden, hun kweekelingen tot gezonde forsche boomen te doen opgroeien. Zoo zien wij in Indie verrijzen een Magneto-meteorologisch Observatorium, een Landbouwschei- kundige Onderzoekingsdienst, een uitstekend georganiseerd Mijnwezen, terwijl de reeds lang bestaande Plantentuin ook 154 ALGEMEENE NATUURWETENSCHAP NA 1850. weer aan nieuvve inrichtingen het aanzijn schonk. Alleen de oude boom, de oorspronkelijke installing van het algemeen natuuronderzoek, de Natuurkundige Commissie, was gestorven; in haar plaats kwamen gelukkig een aantal kleinere, oogen- schijnlijk zonder eenige verwantschap, alle goede en rijke vruchten afwerpend. De toenemende omvang der natuurwetenschappen was oor- zaak, dat de onderzoekers niet meer het gansche gebied van natuuronderzoek konden beheerschen, dat ieder werker zich speciaal ging toeleggen op een of ander onderdeel. En dit had weer tengevolge, dat in het tijdvak na 1850 een samen- vattende behandeling der uiteenloopende richtingen van onder- zoek vrijwel onmogelijk was ; dat wij dus den ontwikkelingsgang van iedere tak van wetenschap op zichzelf moeten beschouwen, zoodat in de volgende hoofdstukken het plantkundig onderzoek, de studie der dierenwereld, scheikundige arbeid, geologische ontdekkingen en meteorologisch werk alle een afzonderlijke bespreking zullen vinden. Toch is ook in dezen tijd het verband tusschen die zelf- standige wetenschappen niet afwezig. Twee richtingen zijn er, waarin onderzoekers van verschillenden huize samengaan ; twee gebieden, waarop zoologen en botanici, geologen en chemici, meteoroloofen en oceanografen elkander ontmoeten kunnen en o o van elkanders hulp kunnen ^ebruik maken. Die gebieden zijn het wetenschappelijk vereenigingsleven, waaraan onverbreekbaar zijn verbonden de algemeen-natuurwetenschappelijke tijdschriften, en de expedities, onderzoekingsreizen soms van enkele personen, soms op grooter schaal georganiseerd door een of andere instelling. Tot 1850 was het Bataviaasch Genootschap voor Kunsten en Wetenschappen het centrum van alle wetenschappelijk ver- eenigingsleven, zoodat de Verhandelingen tot dat jaar ook wel 155 ALGEMEENE NATUURWETENSCHAP NA 1850. belangrijke mededeelingen op natuurwetenschappelijk gebied bevatten. Maar na 19 Juli 1850 komt een andere vereeniging : de Natuurkundige Vereeniging te Batavia (na 20 Februari 1860 Koninklijke N. V.), een deel van het genootschapswerk over- nemen : de oudere der twee zusters kon zich van dien dag af meer op taal- en volkenkundige studien toeleggen ; de Konink- lijke Natuurkundige Vereeniging van Nederlandsch Indie werd het verkeersmiddelpunt van alle natuuronderzoekers. Leidsman in deze nieuwe richting was de officier van gezond- heid Dr. P. BLEEKER, een man van zeldzame toewijding aan zijn studie en van een eriorme werkkracht, waarvan de lijst zijner geschriften achter zijn autobiografie, een yoo-tal in de jaren 1846 1878, een beeld geeft. BLEEKER'S groote verdiensten zijn gelegen in zijn krachtigen aandrang tot wetenschappelijk leven ; van huis uit zooloog, werd hij ook op dit gebied een der meest vruchtbare werkers, maar toch is de invloed, dien hij uitoefende op algemeen natuurwetenschappelijk gebied van veel verder strekkende gevolgen geweest. In een, vooral uit psychologisch oogpunt, belangrijk ,,Levens- bericht van PIETER BLEEKER, door hemzelven" J ), vinden wij een uiteenzetting van zijn gansche leven, van zijn streven, oor- spronkelijk alleen voor zijn wetenschap, later ook voor statistische oeconomie en sociale vraagstukken met betrekking tot Indie. Een zeer eenvoudige omgeving was het, waarin PIETER BLEEKER 10 Juli 1819 geboren werd. De vader had een kleine zeilmakerij te Zaandam en moest trachten daarmee voor zijn groot gezin, waarvan echter slechts vier kinderen volwassen werden, het onderhoud te verdienen. Door hulp van een vriend zijner ouders werd PIETER apothekersleerling te Amsterdam, J ) P. BLEEKER, 1877. Levensbericht van PIETER BLEEKER door hemzelven. Met een voorwoord van P. HARTING. (Jaarboek Kon. Ak. v. Wet. 1877. p. 5- 159). - 156 - P. BLEEKER. ALGEMEENE NATUURWETENSCHAP NA 1850. daarna te Haarlem, waar hij in staat was, naast zijn werk de clinische school te bezoeken. Dat was in de jaren 1838 1840. Maar ook dit bevredigde hem niet; TEYLER'S rijke bibliotheek had voor hem veel meer verlokkends, dan de dorre medische colleges. Hij legde met zoo weinig mogelijk inspanning het examen af voor ,,stedelijk heelmeester en plattelandsgenees- kundige" (1840) en verbond zich, na tweemaal getracht te hebben aan TEMMINCK'S museum geplaatst te worden, als officier van gezondheid bij het Indische leger. In Maart 1842 bereikte hij Batavia, waar hij terstond als adjudant aan den Chef van den geneeskundigen dienst werd toegevoegd. Spoedig na zijn aankomst begon hij den weinigen vrijen tijd, dien zijn bureau- werk hem liet, te gebruiken voor de organisatie van wat hij voor de bevordering van het natuurwetenschappelijk leven het meest noodzakelijk achtte: een Tijdschrift, uitsluitend gewijd aan natuur- en geneeskunde. Als resultaat van zijn werk ver- scheen in 1844 de eerste jaargang van het ,,Natuur- en Genees- kundig Archief van Nederlandsch-Indie". Wei waren hiervan slechts een viertal deelen verschenen, voor een groot deel gevuld met eigen werk, toen de ondernemende BLEEKER door overplaatsing naar Semarang genoodzaakt werd de uitgave te staken, maar toch was het in het geheel niet onvruchtbaar geweest: het was de voorlooper, de wegbereider voor de ,,Koninklijke Natuurkundige Vereeniging", en haar nog steeds bloeiend, in reeds meer dan zeventig deelen verschenen .,Natuurkundig Tijdschrift voor Nederlandsch Indie". Maar door zijn vriendschap met W. R. Baron VAN HOEVELL, die omstreeks 1846 wegens zijn vooruitstrevendheid de onge- nade der regeering op zich had geladen, en door een paar statistische bijdragen in zijn ,, Archief, was ook BLEEKER in 1847 met langer een persona grata; tegen den zin van zijn chef, Dr. W. BOSCH, werd BLEEKER van zijn adjudantschap ontheven 157 ALGEMEENE NATUURWETENSCIIAP NA 1850. en naar Semarang overgeplaatst. Deze jaren, vooral 1848, waren weinig vruchtbaar voor zijn zoologisch werk ; de medische studien, waartoe zijn praktijk hem dwong, waren oorzaak van het verschijnen eener manographie over de dysenteric, een belangrijke arbeid, die hem te Utrecht het doctoraat honoris causa bezorgde, een waardigheid, hem reeds vroeger door Leidens Senaat verleend voor zijn eerste geneeskundig-topo- grafische bijdragen in het Archief. In 1848 schreef hij slechts een zoologisch artikel, nauwelijks 8 bladzijden lang, maar van groote gevolgen. Dit artikel verscheen teSingaporeinhet ,, Journal of the Indian Archipelago and Eastern Asia". Een zeer scherp gesteld vervvijt aan den G.-G. RCCHUSSEN, waarin hij o. a. zeide : ,,The year 1846 will be noted in the history of Netherlands India as the last year of the decenni.um of scientific activity", was aanleiding, dat de G.-G. hem wilde dwingen, deze woorden terug te nemen, en na BLEEKER'S weigering hem wilde ontslaan. Maar dank zij de standvastigheid van den Legercommandant werd BLEEKER niet ontslagen. Wei werd hij tijdens de tweede Bali-expeditie naar Soerabaja verplaatst en vandaar naar Amba- rawa. In 1849, bij de oprichting van de geneeskundige school voor inlanders, zette zijn vroegere chef, Dr. BOSCH, door, dat aan BLEEKER de leiding gegeven werd. Zoo kwam hij in dat jaar weer naar Batavia, waar hij zijn verderen Indischen tijd doorbracht. In deze jaren was het, dat BLEEKER de stichting der Natuur- kundige Vereeniging bewerkte ; niet tegenover, maar naast het Bataviaasch Genootschap moest de nieuwe instelling werkzaam zijn; ten bewijze hiervan het feit, dat BLEEKER zelfin 1853 nog secretaris van het Genootschap was en als zoodanig bij ge- legenheid van de verschijning van het 25^ deel der Verhande- lingen, een geschiedenis van het Genootschap samengesteld heeft (zie biz. 77, voetnoot i.) En dat BLEEKER goed gezien - 158 - ALGEMEENE NATUURWETENSCHAP NA 1850. heeft, blijkt uit het bloeiende vereenigingsleven, waarvan beide instellingen thans nog getuigen. De onmogelijkheid, een grootsch opgezet werk over de vischfauna van Ned. Indie, zijn ,, Atlas ichthyologique", in Indie zelf te doen drukken, deed hem in 1860 besluiten pensioen te vragen, om zich in Nederland te gaan vestigen en daar zijn studien te blijven voortzetten. Behalve voor zijn wetenschappelijk werk vond BLEEKER hier nog lust en gelegenheid in staatsaangelegen- heden de belangen van Indie voor te staan ; hij nam de redactie van het ,,Tijdschrift voor Ned. -Indie" van VAN HOEVELL over en werd in 1864 benoemd tot Staatsraad in buitengewonen dienst, wel een bewijs, hoezeer de liberale regeering van THORBECKE zijn bekwame adviezen wist te waardeeren. En een tijdlang verheugde BLEEKER zich in een groote populariteit, n.l. toen in 1860 hier te lande een cholera-epidemie uitbrak en hij in een brochure, binnen een maand twaalfmaal herdrukt, het Indische cholera-mixtuur publiceerde, dat hier spoedig den naam ,,BLEEKERS drank" kreeg. Talrijke malen poogde hij ook het wetenschappelijk leven in ons land te versterken, evenals hij dit in Indie gedaan had, trachtte hij de werkzaamheid van wetenschappelijke instellingen, als de Koninklijke Akademie van Wetenschappen, het Haagsche Koninklijke Zoologisch Bota- nisch Genootschap, meer intensief te maken, maar ook hier bleek zijn geest te voortvarend voor de behoudende Neder- landers. Het op zijn aandrang opgerichte ,,Nederlandsch Tijd- schrift voor Dierkunde" moest in 1873 wegens gebrek aan krachtige medewerking, ophouden te bestaan. En intusschen had hij steeds meer nieuwe moeilijkheden te overwinnen, vooral van finantieelen aard, bij de uitgave van zijn ,, Atlas' 7 . Hij slaagde er niet in, zijn monumentaal werk te vol- tooien ; negen deelen, waarvan het negende incompleet, ongeveer vier vijfde van het geheel, zijn verschenen ; de 159 ALGEMEENE NATUURWETENSCHAP NA 1850. rest is als bouwstof achtergebleven. Op 24 Januari 1878 werd dit veel bewogen, door krachtigen drang geleide, leven afgesneden. Reizen, en in sterke mate reizen in tropische streken, liggen niet binnen ieders bereik. Aan weinige uitverkorenen is het gegeven, volkomen zelfstandig een wetenschappelijken onder- zoekingstocht te ondernemen. Als een gelukkige omstandigheid mogen wij het dus beschouwen, dat in dezen tijd enkele ver- eenigingen zich op het onderzoek der tropen gaan toeleggen-, de sedert 1850 bestaande Koninklijke Natuurkundige Veree- niging voor Nederlandsch-Indie, het in 1873 opgerichte Neder- landsch Aardrijkskundig Genootschap (na 1888 Koninklijk N.A.G.) en de ,,Maatschappij ter bevordering van het Natuurkundig Onderzoek der Nederlandsche Kolonien", om de lange naam eerst wel eens als ,,VALENTYN-maatschappij'' aangeduid, thans als gedachtenis aan haar stichters ook wel ,,TREUB-SERRURIER- Maatschappij " of kortweg ,,TREUB-Maatschappij" genoemd. De Koninklijke Natuurkundige Vereeniging had in 1850 de natuurwetenschappelijke belangen van het Bataviaasch Genoot- schap overgenomen ; het Aardrijkskundig Genootschap kan thans terugzien op een veertigjarig bestaan, waarin ook de kennis van Indie's fauna en flora van de door het Genootschap uitgeruste expedities veel voordeel getrokken heeft. Het initiatief voor de ,,Maatschappij ter bevordering van het Natuurkundig Onderzoek der Nederlandsche Kolonien" is te danken aan den ruimen en practischen blik van TREUB, die tijdens zijn eerste Europeesch verlof als directeur van 's Lands Planten- tuin (1887 1888) van de herlevende belangstelling in onze tropen gebruik maakte voor de organisatie van een ,,Commissie tot Bevordering van het Natuurkundig Onderzoek der Neder- landsche Kolonien", een commissie van geleerden, die niet over fondsen beschikte, maar aan onderzoekers, die een studiereis wilden gaan maken, zedelijken steun verleende bij onderhande- 1 60 ALGEMEENE NATUURWETENSCHAP NA 1850. lingen met de regeering. In Indie richtte TREUB na zijn terug- keer een ,,Indisch Comite van Wetenschappelijk Onderzoek" op, met ongeveer hetzelfde doel ; hij zelf vverd de eerste voorzitter daarvan. De werkkring der Commissie werd belangrijk uitgebreid door Dr. L. SERRURIER, directeur van 's Rijks ethnographisch museum, die erin slaagde (1890) naast de Commissie een Maat- schappij te stichten, beschikkend over een door ,,Directeuren" bijeengebracht kapitaal, waaruit de onkosten van wetenschappe- lijke expedities bestreclen konden worden. De samenwerking van Commissie, Comite en Maatschappij is van groote vrucht- baarheid geweest, zoodat verschillende belangrijke onderzoe- kingstochten gevolgd zijn. De Commissie is ten slotte geheel in de Maatschappij opgenomen. Van regeeringswege ontbrak in het eerste gedeelte van het nu te bespreken tijdvak vrijwel alle initiatief voor floris- tisch of faunistisch onderzoek ; meldde daarentegen een reiziger zich om hulp voor onderzoekingen aan, dan werd meestal aan deze verzoeken gevolg gegeven. Maar het ondernemen van zulke reizen werd volkomen aan particulieren overge- laten, met het gevolg, dat men in de periode, die we nu behandelen, nog minder stelselmatig te werk ging, dan tijdens het bestaan -der Indische Commissie. Wei is de opmerking van VETH 1 ): ,,nu voor een groot deel van Insulinde de algemeene trekken van flora en fauna bekend waren, nu kon het voortgezet onderzoek langs anderen weg op meer doeltreffende en zeker op veel minder kostbare wijze worden verkregen'', grootendeels juist, maar daartegenover betoonde de regeering in dezen tijd een zoodanige slapte en laksheid in het bevorderen van het natuurkundig onderzoek, dat hiervoor geen verdediging te vinden is. Een belangrijke fout was het gebrek aan samenwerking H. J. VETH 1879. p. 123. 161 ii ALGEMEEN'E NATUURWETENSCHAP NA 1850. tusschen Nederlandsche en Indische bestuurderen zeker, maar grooter fout lag m. i. in de energiedoodende onverschilligheid voor het onderzoek en in de achterdocht, die aan sommige uitstekende onderzoekers ten deel viel. In 1855 werd door den toenmaligen Gouverneur-Generaal DUYMAER VAN TWIST een reis naar de Molukken en de Mina- hassa gemaakt, op welken tocht hij door BLEEKER vergezeld werd. Als resultaat van deze onderzoekingsreis verscheen BLEEKERS reisverhaal '), een uitvoerig werk, waarvan WARBURG 2 ) in 1902 getuigt: ,,Die Reiseergebnisse legen ein glanzendes Zeugniss ab fur die grosse Begabung des Verfassers". Zooals te ver- wachten was, is dit reisverhaal vooral uit zoologisch oogpunt van beteekenis; belangrijk zijn echter ook BLEEKERS statistische en kultuurhistorische mededeelingen over handels- en kultuurplanten. Van groote wetenschappelijke gevolgen was het verblijf van een Engelschman in onzen Archipel in dezen tijd: ALFRED RUSSEL WALLACE, tijdgenoot en strijdmakker van DARWIN. Onder ongunstige omstandigheden opgegroeid, had WALLACE alles aan zichzelf te danken : begonnen als leerjongen in een timmermans- werkplaats, had hij op zijn 256 jaar reeds verschillende beroepen : landmeter, horlogemaker, schoolmeester achter den rug, toen hij op goed geluk, vergezeld door BATES, naar Zuid-Amerika trok om daar de omgeving van Para en de Amazonerivier weten- schappelijk te onderzoeken (1848 1852). Op de terugreis verloor hij zijn geheele verzameling, maar kon van de verzekeringssom ruim een jaar te Londen leven, om daar zijn reiservaringen te boek te stellen. *) P. BLEEKER, 1857. Reis door de Minahassa en den Molukschen Archipel, gedaan in de maanden September en October 1855 in het gevolg van den gouverneur-generaal Mr. A. J. DUYMAER VAN TWIST. 2 din. Batavia, 1857. 2 ) O. WARBURG, 1902. Die botanische Erforschung der Molukken seit RUMPFS Zeiten. (Rumphius-Gedenkboek, 1902. p. 63 78). p. 69. 162 ALGEMEEXE NATUURWETENSCHAP NA 1850. De reislust was in hem aangewakkerd : het volgend jaar (1854) ging hij op kosten der Engelsche regeering, die hem eerst vrijen overtocht op een oorlogsschip beloofd had, naar Singapore en begon daar voor eigen rekening zijn achtjarigen tocht door den Maleischen Archipel, eerst in Malakka, daarna op Borneo, waar hij reeds een eerste artikel over het ontstaan van nieuvve soorten ') schrijft. Vervolgens bereist hij Celebes, het land, dat hem in het bijzonder aantrekt, omdat het nog zoo geheel ,,terra incognita" is en naar zijn meening, die hij in een brief aan BATES te kennen geeft, zoologisch misschien belangrijk is, omdat Malakka, Borneo, Sumatra en Java eigenlijk slechts een zoologisch gebied zouden vormen. Hier vinden we een eerste aanduiding van wat uit zijn verdere onderzoekingen tot ,,lijn van WALLACE" gevvorden is, daarmee het grootste van alle zoologische problemen uit onzen Indischen Archipel, dat der zoogeographie, treffend. Van Celebes trekt WALLACE vender door den Archipel : o.a. bezoekt hij de Molukken, Timor, Bali en Lombok, Java en Sumatra. Na zijn eerste artikel over het ontstaan van nieuwe soorten, waarin hij zich overtuigd aanhanger van soortsveranderlijkheid toont, laat WALLACE in 1858 een tweede volgen, geschreven op Ternate, terwijl een hevige malaria-aanval hem dwong, niets te doen, dan te denken. Toen kwam hem plotseling de ge- dachte aan MALTHUS' ,, Essay on the principle of population" te binnen, een werk, dat hij twaalf jaar tevoren gelezen had en dat hem nu op het spoor bracht van het ,,hoe ontstaan nieuwe soorten". Zijn artikel 2 ) daarover zond hij aan DARWIN, die op aandrang van LVELL en HOOKER ook zelf een korte uiteenzetting A. R. WALLACE, 1855. On the law which has regulated the Introduction of New Species. (Ann. and Mag. Nat. Hist. 1855). 2 ) A. R. WALLACE, 1858. On the tendency of varieties to depart indefinitely from the original type. (Journ. Linn. Soc. Zob'l. III. p. 5362). 163 ALGEMEENE NATUURWETENSCHAP NA 1850. van zijn eigen theorie schreef, zoodat de beide verhandelingen samen (i Juli 1858) in de vergadering van de Linnean Society voorgelezen konden worden. In Engeland teruggekeerd (1862) begon WALLACE zijn reisverhaal te bewerken, dat tot een be- langrijk vverk, zijn meest populaire ,,The Malay Archipelago" is gevvorden *). Dan volgde in 1857 de Oostenrijksche expeditie met de ,,Novara" onder leiding van B. VON WULLERSTORF URBAIR, waaraan KARL VON SCHERZER en GEORG VON FRAUENFELD. deel- namen. Het doel was een reis om de wereld; de tocht werd echter, nadat het grootste deel afgelegd was en onze Oost- Indische kolonien bezocht waren, wegens de ernstige politieke omstandigheden, waarin Oostenrijk in 1859 verkeerde, in Val- paraiso afgebroken, vanwaar zoo spoedig mogelijk huiswaarts gezeild werd. Behalve een populaire reisbeschrijving door VON SCHERZER, verscheen over deze reis een standaardwerk 2 ), waar- aan door tal van zoologische, botanische en geologische specia- listen meegewerkt werd. Doorregeeringsbemoeiingwerden in dezen tijd reizen gemaakt door Dr. H. A. BERNSTEIN, C. B. H. VON ROSENBERG en D. S. HOEDT. ') A. R. WALLACE, 1864. The Malay Archipelago. The Land oftheOrang- Utan and The Bird of Paradise. (London. i e uitg. 1864). Nederlandsche ver- taling door prof. P. J Veth. (Amsterdam 18701871). 2 ) Reise der oesterreichischen Fregatte Novara um die Erde in den Jahren l8 57 1858, 1859 unter dein Befehl des Commodore B. VON WULLERSTORF - URBAIR. Wien, 1861-1875. Beschreibender Teil von Dr. K. VON SCHERZER, 2 Bde gr. 8. Het wetenschappelijk gedeelte, in 18 kwartodeelen werd bewerkt voor zoover den plantengroei betreft door A. GRUNOW, J. KREMPELHUBER, H. W. REICHARDT, G. METTENIUS, J. MILDE en E. FENZL, het geologisch werk door F. v. HOCHSTETTER, M. HOERNES, F. v. HAUER ; terwijl de zoologie door J. ZELEBOR, A. v. PELZELN, F STEINDACHNER, R. KNER, L. REDTENBACHER, H. DE SAUSSURE. J SICHEL, G. L. MAYR, T. BRAUER, J. R. SCHINER, C. FELDER, R. FELDER, A. R. ROGENHOFER, C. HELLER, E. GRUBE en G. VON FRAUENFELD. bewerkt werd. 164 ALGEMEENE NATUURWETENSCHAP NA 1850. Dr. H. A. BERNSTEIN was geneesheer aan het gezondheids- etablissement te Gadok bij Buitenzorg, en kreeg door bemidde- ling van SCHLEGEL, die TEMMINCK als directeur van het Leidsche museum opgevolgd was, steun van de regeering voor een door hem ontworpen reis naar Nieuw-Guinea en Halmaheira, en wel een vaste maandelijksche toelage, benevens reis-, verblijf- en uitrustingskosten. In Nov. 1860 vertrok hij van Batavia naar Ternate en Batjan, waar hij een half jaar voor het Leidsche museum verzamelde, daarna naar Halmaheira, Morotai, de Obi- eilanden, Gebeh, Dammer enz. Toen hij zich (voorjaar 1865) eindelijk op reis begaf naar het hoofddoel zijner tochten, Nieuw- Guinea, overleed hij onderweg. BERNSTEIN was ongetwijfeld een zeer bekwaam man, die echter naar verhouding van zijn gaven niet voldoende heeft gewerkt. Slechts enkele ,,voorloopige mededeelingen nopens reizen in den Molukschen Archipel" J ) verschenen van zijn hand; de waarschijnlijk belangwekkende brieven aan SCHLEGEL, den nieuwen directeur van het Leidsche museum, zijn nooit uitgegeven, wel daarentegen zijn dagboek, verzorgd door S. C. J. W. VAN MUSSCHENBROEK 2 ). Het werk van ROSENBERG en HOEDT was ook niet zonder beteekenis ; het verschafte vrij veel materiaal aan het Rijks- Museum, bouwstoffen voor BLEEKERS onderzoeking-en en voor o publicaties van SCHLEGEL en SNELLEN VAN VOLLENIIOVEN. De ,,Preussische Expedition nach Ost-Asien" (1860 62) was een zeer succesvolle tocht ; de zoolocrische resultaten werden O door E. vox MARTENS verwerkt tot een standaardwerk 3 ), in vele -) Tijdschr Ind. Taal-, Land- en Volkenk. XVI. 1864. p. 399-495 en XVII. 1869. p. 79109. -) S: C. J. W. VAX MUSSCHENBROEK. 1883. Dagboek van H. A. BERNSTEIN'S laatste reis, van Ternate naar Nieuw-Guinea, Salawati en Batante, 17 Oct. 1864 19 April 1865. (Bijdr. Taal-. Land- en Yolk. v. N.-I., 4 <= r. VII, 1883. p. 1105). 3) E. VON MARTENS, 1867 1876. Die Preussische Expedition nach Ost-Asien- Zoologischer Teil. 2 Bde. (Berlin, Band 1, 1876; Band II, 1867). ALGEMEENE NATUURWETEXSCIIAP NA 1850. opzichten e'en der beste zoologische geschriften over onzen Archipel. Een Amerikaansch hoogleeraar, A. S. BICKMORE '), bereisde van 1865 1866 ons Indie, waarbij hij zich voornamelijk tot taak stelde, de door RUMPHIUS beschreven schelpen in de Molukken weder te verzamelen, en zoodoende met de Rariteit- kamer ten grondslag een uitvoerige studie der schelpenfauna in de Molukken te maken. In het bijzonder waren het drie Italianen G. DORIA, O. BECCARI en L. M. D'ALBERTIS, die zich in dezen tijd groote verdienste verworven hebben ten opzichte van de faunistische en floris- tische kennis van den ganschen Archipel (1865 1867); hun verzamelingen kwamen aan het Museum van Natuurlijke Historic te Genua. DORIA was voornamelijk zooloog; BECCARI verzorgde het verzamelde botanische materiaal. BECCARI'S ,,Nelle foreste di Borneo" 2 ) is een van de meest boeiende reisverhalen, die ooit over Indie geschreven zijn ; zijn ,,Malesia" 3 ) een prachtig standaardwerk over onzen rijken Archipel. Verder verdienen nog vermelding de tochten van A. B. MEYER (1870 1873), die door zijn studien op Celebes in staat was, samen- werkend met WIGGLESVVORTH 4 ), een uitnemend boek over de vogelfauna van dit belangwekkend eiland uit te geven en van MIKLUCHO MACLAY (1872 1878), die vooral Nieuw-Guinea bezocht. De eerste expeditie, voornamelijk met diepzee-onderzoek als doel uitgerust, was de grootsche Challenger-expeditie (1872 J ) A. S. BICKMORE, 1868. Travels in the East-Indian Archipelago. (London, 1868), 2 ) O. BECCARI, 1902. Nelle foreste di Borneo; viaggi e richerche di un natu- ralista. (Firenze, 1902). 3) O BECCARI, 18771890. Malesia, Raccolta di osservazione botaniche intorno alle piante dell' archipelago indo-malese e papuana. L III. (Genova, 18771890). 4) A. B. MEYER and L. W. WIGGLESWORTH, 1898. The birds of Celebes and the neighbouring islands. (Berlin, 1898). 2 vol. 166 ALGEMEEM: NATUURWETENSCHAP NA 1850. 1876). De Challenger bezocht alleen het oostelijk deel van onzen Archipel (Banda-Zee, Arafura-Zee) ; de wetenschappelijke leiding was in handen van prof. C. WYVILLE THOMSON, bijge- staan door JOHN MURRAY, H. N. MOSELEY en R. VON WILLEMOES - SUHM. Behalve het bewonderenswaardige Challenger-report '), verscheen over dezen tocht een populair reisverhaal van de hand van MOSELEY 2 ). Daarna begon ook ons land zijn roeping op dit gebied te gevoelen ; het Aardrijkskundig Genootschap rustte de eerste Nederlandsche expeditie uit, die voorbereid werd door den oud-Kolonel W. F. VERSTEEG en die voorlooper zou worden van een aantal andere, sommige met schitterende resultaten, andere minder succesvol. De Midden-Sumatra-Expeditie (Februari 1877 Februari 1879) stond onder leiding van luitenant ter zee SCHOUW SANTVOORT, terwijl deelnemers waren D. D. VETH, A. L. VAN HASSELT en J. F. SNELLEMAN. De leider stierf onder- weg; de zooloog SNELLEMAN moest in 1878 om finantieele redenen teruggeroepen worden, waarna VAN HASSELT voor het verzamelen van zoologisch en botanisch materiaal zorgde. Een groot werk 3 ), waarvan de uitgave verzorgd werd door prof. P. J. VETH, bevat o. a. twee deelen gewijd aan de zoologische ') Report on the Scientific Results of the Voyage of H. M. S. Challenger, during the years 1872 1876, under the Command of Captain GEORGE S NARES and the late Captain F. T. THOMSON, prepared under the superintendence of the late Sir C. WYVILLE THOMSON and now of JOHN MURRAY. 50 vol. 4 I. Narrative. (3 vols.); II. Physics and Chemistry. (2 vols.); III. Deep-Sea deposits. (i vol.); IV. Botany. (2 vols.); V. Zoology. (40 vols.); VI. Summary. (2 vols.) (London, 1880 1895). 2 ) H. N. MOSELEY, 1879. Notes by a naturalist on the Challenger being an account of various observations made during the voyage of H. M. S. Challenger round the world, in the years 18721876. London, 1879. 3) Midden-Sumatra. Reizen en onderzoekingen der Sumatra-expeditie, uitge- rust door het Aardrijkskundig Genootschap. 1877 1879. (Leiden, 1881 1892. 4dln. in 5 bdn). - 167 _ ALGEMEENE NATUURWETENSCHAP NA 1850. resultaten, waaraan door tal van specialisten : A. A. W. HUBRECHT, M. SCHEPMAN, J. G. DE MAN, H. ALBARDA, C. RlTSEMA CzN., A. DE BORMANS, P. C. T. SNELLEN, F. M. V. D. WlJLP, G. L. MAYR, A. W. M. VAN HASSELT en R. HORST rneegewerkt werd, en een deel botanie, bewerkt door A. L. VAN HASSELT en J. G. BOERLAGE, met hulp van W. F. R. SURINGAR, C. A. J. A. OUDEMANS, C. M. v. D. SANDE LACOSTE, H. F. JONKMAN en D. DE Loos. In dezen tijd, omstreeks 1880, vallen ook de reizen van den Eno-elschman H. O. FORBES *) die de eilanden Ambon, Timor- o ' Laut, Timor en Boeroe bezocht (1878 1883) en van den Zweedschen onderzoeker C. BOCK, die met regeeringssteun een tocht door Borneo, van Koetei naar Bandjermasin, maakte. Een paar jaar later ging Dr. BOCK in opdracht van de Berlijnsche Akademie van Wetenschappen in de Java-zee en de Moluksche zee rifdieren verzamelen (1885); de Russische hoog- leeraar A. A. KOROTNEFF bezocht het westelijk deel van den Archipel ; SIDNEY HICKSON verzamelde land- en zeedieren in Noord-Celebes, de Sangi- en Talaut-eilanden (1885 1886), terwijl E. MODIGLIANI een begin maakte met zijn Indische studiereizen door allereerst de Westkust van Sumatra en Nias te bezoeken (1886), om dan later de Bataklanden (1891) en de Mentavvei-eilanden (1894) a ^ s onderzoekingsterrein te kiezen. Van beteekenis is nog GUILLEMARDS ,, Cruise of the Marchesa" (1882 1884) 2 ), waarin, vooral in het tweede gedeelte, be- langrijke mededeelingen over ons Indie voorkomen. De herleefde belangstelling in het natuuronderzoek onzer Kolonien zou blijken van blijvenden aard te zijn. En het is ') H. O. FORBES, 1885. A naturalist's wanderings in te Eastern Archipelago, a narrative of travel and exploration from 1878 to 1883. London, 1885. 2 ) F. H. H. GUILLEMARD, 1886. The cruise of the Marchesa to Kamschatka and New Guinea with notices of Formosa, Liu-Kiu and various islands of the Malay Archipelago. London, 1886. 2 vols. 1 68 ALGEMEENE NATUURWETENSCHAP NA 1850. vooral de in het voorjaar van 1887 ontworpen, in de jaren 1888 1889 uitgevoerde reis van den Amsterdamschen hoog- leeraar Dr. MAX WEBER en Mevrouw Dr. A. WEBER VAN BOSSE, een tocht naar de Padangsche Bovenlanden, naar West-Java en naar Zuid-Celebes en Flores, die niet alleen om zijn directe resultaten, het verzamelde zoologisch materiaal, maar vooral om de indirecte gevolgen, de prikkel tot navolging, van be- teekenis werd. De belangrijke studies, vooral op het gebied van zoetwaterfauna en invertebraten, door verschillende mede- werkers neergelegd in een grootsch vierdeelig werk '), bewijzen wel hoeveel een enkel onderzoeker in een aan fauna rijk land als Indie, in betrekkelijk korten tijd kan tot stand brengen. Intusschen had ook de Nederlandsche regeering haar goeden wil getoond, door in 1883 een som van / 10,000. op de begrooting uit te trekken, teneinde daaruit onderzoekingsreizen van Nederlanders te steunen, voorloopig een papieren maat- regel, die weinig resultaat had. Door gebrek aan overeenstemming tusschen Regeering en Aardrijkskundig Genootschap kwam in het begin geen der ontworpen plannen tot uitvoering, totdat er meer voortgang kwam door de besluiten tot een expeditie naar de Kei-eilanden en een tocht naar de Kleine Soenda- eilanden. De voorgenomen reis van MAX WEBER was nu een gereede aanleiding, samenwerking te zoeken, met het gevolg, dat de door het Kon. Ned. Aardr. Gen. gesteunde onder- zoekingstocht van Prof. Dr. A. WICHMANX (1888 1890) 2 ) naar Flores, Timor, Rotti en enkele andere eilanden, door WEBER, die zich reeds in Indie bevond, kon voorbereid worden en dat ') MAX WEF.ER, 18901907. Zoologische Ergebnisse einer Reise in Nieder- liindisch-Ost-Indien. 4 din. (Leiden, 1890-1907). 2 ) A. WICHMANN, 1890 1892. Bericht iiber eine im Jahre 18881889 im Auftrage der Niederl. Geogr. Gesellsch ausgefiihrte Reise nach dem Indischen Archipel. (Tijdschr. Kon. Ned. Aardr. Gen. 2 e serie. VII, 1890. p. 907-994; VIII, 1891. p. 188293 en IX, 1892. p. 161 276). 169 ALGEMEENE NATUURWETENSCHAP XA 1850. voor zoover het Flores betrof, WEBER'S en WICHMANN'S reizen konden samenvallen. Het voornaamste doel, waarvoor deze expeditie van WICHMANN werd uitgerust, was het geologisch onderzoek der bezochte eilanden ; echter werd ook zoologisch materiaal verzameld. Voorts werd met hulp van het K. N. A. G. door Dr. H. F. C. TEN KATE een tocht ondernomen naar de Timorgroep en Polynesie J ), waaraan ook belangrijke faunis- tische waarnemingen te danken zijn, terwijl de Kei-eilanden het doel eener kleine expeditie waren, voor een deel bekostigd door A. LANGEN, waaraan deelo-enomen werd door R. POSTHUMUS o MEYES, reeds spoedig wegens ziekte teruggekeerd en vervangen door H. O. W. PLANTEN en C. J. M. WERTHEIM. De ver- slagen dezer succesvolle expeditie verschenen in het Tijdschrift K. N. A. G., en later tot een bundel 2 ) vereenigd, terwijl de geologische verzameling door Prof. MARTIN bewerkt werd 3 ). De mooie resultaten, door deze verschillende expedities verkregen, waren indirect ook te danken aan Dr. C. P. SLUITER, die toentertijd een leeraarswerkkring bij het middelbaar onder- wijs te Batavia vervulde, bovendien conservator was aan het Museum van de Koninklijke Natuurkundige Vereeniging en een uitstekende helper en raadgever was voor alien, die in dezen tijd onderzoekingstochten in onzen Archipel ondernamen. Na de totstandkoming vanTREUB's Commissie (7 Januari 1888) en de omzetting hiervan in de ,,Maatschappij" werd ook van J ) H. F. C. TEN KATE, 1894. Verslag eener reis in de Timorgroep en Poly- nesie. (Tijdschr. Kon. Ned. Aardr. Gen. 2 e serie XI, 1894. p. 195246, 333390, 541-638, 659700, 765818, 819822. Ook afzonderlijk 311 pp.). 2 ) H. O. W. PLANTEN en C. J. M. WERTHEIM, 18921893. Verslagen van de wetenschappelijke opnemingen en onderzoekingen op de Key-eilanden, ge- durende de jaren 1889 1890, met inleiding van prof. C. M. KAN. (Tijdschr. Kon. Ned. Aardr. Gen. 2 e serie IX, 1892 en X, 1893. Ook afzonderlijk). 3) K. MARTIN, 1890. Die Kei-Inseln. (Tijdschr. Kon. Ned. Aardr. Gen. 2 e serie VII, 1890. p. 241-280). 170 ALGEMEENE NATUURWETENSCHAP NA 1850. die zijde, niet alleen finantieele, maar vooral moreele steun verleend aan enkele onderzoekers : Prof. A. A. W. HUBRECHT, die op uitnoodiging van de Koninklijke Natuurkundige Ver- eeniging met een regeeringssubsidie in 189091 Indie bereisde, vooral met het doel embryologisch materiaal te verzamelen en Dr. J. F. VAN BEMMELEN, thans hoogleeraar te Groningen, die eerst aan de West-Javaansche kust en in Deli zoologische collecties bijeenbracht, en later (1891) deelnemer werd aan de YzERMAN-expeditie, uitgerust met het doel de mogelijkheid van spoorwegbouw dwars door Sumatra na te gaan, een expeditie, waaraan ook de houtvester Dr. S. H. KOORDERS deelnam, maar die door de snelheid van bewegen uit natuurhistorisch oogpunt niet het vervvachte resultaat gehad heeft '). Een periode van krachtig leven in de TREUB-SERRURIER- Maatschappij begon met de intrusting van de eerste der drie Borneo-expedities (1893 ! 895)i de drie tochten, aan welker voorbereiding TREUB zelf zoo'n werkzaam aandeel had. Deel- nemers aan deze eerste reis waren Prof. G. A. F. MOLENGRAAFF voor geologic, Dr. J. BUTTIKOFER, directeur der Rotterdamsche Diergaarde, voor zoologie, Dr. H. HALLIER, assistent aan 's Lands Plantentuin, voor plantkunde, en Dr. A. W. NIEUWENHUIS, tegen- woordig hoogleeraar te Leiden, als officier van gezondheid. Hoewel de expeditie door in de binnenlanden heerschende onrust niet het beoogde doel, doorkruising van Borneo, bereikte, waren haar wetenschappelijke resultaten geenszins gering. Een nieuwe expeditie had onder gunstiger omstandigheden plaats (1896 1897); leider was Dr. A. W. NIEUWENHUIS, terwijl de Duitsche graaf F. vox BERCHTHOLD voor het verzamelen van ') J. F. VAN BEMMELEN, 1895. Dwars door Sumatra. Tocht van Padang naar Siak onder leiding van den hoofdingenieur der Staatsspoorwegen J. W. IJZERMAN, beschreven door de leden der expeditie J W. IJZERMAN, J. F. VAN BEMMELEN. S. H. KOORDERS en L. A. BAKHUIS (Haarlem-Batavia, 1895). ALCiEMEENE NATUURWETENSCHAP NA 1850. zoologisch materiaal zorgde. Ongeveer een jaar duurde de tocht: in Juli 1896 van Poetoes Sibau (boven-Kapoeas) ver- trokken. kwamen de onderzoekers in het midden van 1897 in Samarinda aan. Om van de op deze reis verkregen aan- raking met de Dajaks zooveel mogelijk partij te trekken, ging Dr. NIEUWENHUIS ingevolge opdracht van de Nederlandsch-Indische Regeering voor de derde maal het binnenland van Borneo in en bereikte ook thans zijn doel. Op deze derde expeditie werd hij niet door een zooloog vergezeld ; bijgestaan door een inlandschen helper, slaagde hij er toch in mooie verzamelingen bijeen te brengen, die zich thans evenals al het zoologisch materiaal der vroegere Borneo-expedities, in het Leidsche Museum bevinden en daar bewerkt zijn. Van de hoeveelheid arbeid, door deze drie expedities verricht, geven MOLENGRAAFF'S en NIEUWENHUIS' boeken ') een duidelijk beeld. In 1892 begon de Leidsche hoogleeraar Dr. K. MARTIN zijn reis naar de Molukken in opdracht van het ,,Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde van Nederlandsch-Indie", een voornamelijk geologische onderzoekingstocht 2 ), later gevolgd door meer algemeen Indische studiereizen van denzelfden hoog- leeraar; voorts vertoefde Prof. E. SELENKA in 1890 op de Groote Soenda-eilanden voor het verzamelen van embryologisch materiaal ; Dr. A. STRUBELL bracht een verzameling bijeen van land- en zoetwatermollusken op Java en de Molukken; Prof. RICHARD SEMON deed op de terugreis van zijn Australische onderzoekingstocht ook Java en de Molukken aan, waarvan in G. A. F. MOLENGRAAFF, iQoo. Borneo expeditie. Geologische verkennings- tochten in Centraal-Borneo. (Leiden en Amsterdam, 1900). A. W. NIEUWENHUIS, 1900. In Centraal Borneo. (Leiden, 1900) en 19041906. Quer durch Borneo (Leiden.. 19041906). 2 ) K. MARTIN, 1894. Reisen in den Molukken, in Ambon, den Uliassern, Seran und Buru. (Reisverhaal. Leiden, 1894). K. MARTIN, 1903. Idem. Geolo- gischer Teil. (Leiden, 1903). 172 ALGEMEENE NATUURWETENSCHAP NA 1850. een groot standaardwerk ') de resultaten bewerkt zijn en waar- over hij zijn mooie ,,Im Australischen Busch" 2 ) schreef. Verder zijn te vermelden de tochten van WHITEHEAD 3 ) door Borneo en de reizen van BEDOT en PICTET door den ganschen Archipel met een belangrijk zoologisch werk 4 ) als resultaat. Van groot belang om de uit de resultaten getrokken con- clusies waren de reizen der neven P. en F. SARASIN, die vooral Celebes als onderzoekingsveld kozen en daar van 1893 tot '896, later nog van 1902 tot 1903 vertoefden. Hun standaardwerk is: ,,Materialien zur Naturgeschichte der Insel Celebes" 5 ), in vijf deelen, terwijl ook een mooi reisverhaal van hun hand ver- scheen 6 ). De Duitsche hoogleeraar W. KUKENTHAL bereisde, gesteund door de Senckenbergische Naturforschende Gesellschaft in 1893 en T &94 voornamelijk de Noord-Molukken en bracht hier een groote hoeveelheid wetenschappelijk materiaal bijeen. beschreven in verschillende deelen Abhandlungen van het ge- noemde genootschap 7 ), terwijl een meer populair boek: ,,For- schungsreisen in den Molukken und in Borneo" zijn reisverhaal bevat. ALFRED MAASS, de later zoo bekende Sumatra-reiziger 1 ) R. SEMON, 1894 1903. Zoologische Forschungen in Australian und dem Malai'ischen Archipel. 5 Bde. (Jena, 1894 1903). 2 ) R. SEMON, 1896. Im Australischen Busch und an den Kiisten des Korallen- meeres. Reiseerlebnisse und Beobachtungen eines Naturforschers in Australian, Neu-Guinea und den Molukken. (Leipzig, 1896). 3) J. WHITEHEAD, 1893. Exploration of Mount Kina Balu, North Borneo. (London, 1893). ) C. PICTET et M. BEDOT, 1893. Compte rendu d'un voyage scientifique dans 1'archipel malais. (Geneve, 1893). 5) P. und F. SARASIN, 18981905. Materialien zur Naturgeschichte der Insel Celebes. 5 Bde. (Wiesbaden, 18981905). 6 ) P. und F. SARASIN, 1905. Reisen in Celebes ausgefuhrt in den jahren 18931896 und 1902 1903. 2 Bde (Wiesbaden, 1905). ?) W. KUKENTHAL, 18961903. Ergebnisse einer zoologischen Forschungsreise in den Molukken und in Borneo. (Abhandl. Senckenberg. naturf. Gesellsch. Bd. XXII, (reisverhaal) en XXIII-XXV, 18961903). '73 ALGEMEENE NATUURWETENSCHAP NA 1850. deed zijn eerste tocht naar de Mentawei-eilanden in het voorjaar van 1897'), vooral uit ethnographisch oogpunt van belang; op een van zijn latere Sumatra-reizen 2 ), werd hij (1908) vergezeld door Dr. P. J. KLEIWEG DE ZWAAN, die mooi materiaal voor zoologische onderzoekingen bijeenbracht, dat in Amsterdam bewerkt werd. Verder moeten in de laatste jaren der negen- tiende eeuw nog vermeld worden de reizen op Sumatra van Dr. WALTHER VOLZ, een Zwitser, wiens dierkundige collecties in de ,, Zoologische Jahrblicher" bewerkt zijn, en een kort bezoek van de Duitsche Valdivia-expeditie 3 ) onder leiding van CARL CHUN aan Sumatra's Westkust. Deze laatste jaren der negentiende eeuw zouden bestemd zijn in Nederland en in Indie groote dingen te zien gebeuren. Er was reeds lang, in de eerste plaats door Prof. HUBRECHT, in de bijeenkomsten van de Treub-Maatschappij gesproken over de wenschelijkheid van systematisch zeeonderzoek van den ganschen Archipel, waar de zee een tweemaal zoo groot opper- vlak beslaat als het land, en waar door het groote aantal eilanden en eilandjes met grillig gevormde kustlijnen een ontzaglijke strandlengte gevonden wordt. Plannen werden gemaakt, en in 1897 werd besloten tot het ondernemen van een exploratietocht vooral door Indie's Oosthoek onder leiding van Prof. MAX WEBER. Maatschappij, Regeering en particu- lieren werkten samen, zoodat H. M. Siboga, een tweeschroefs- kanonneerboot voor den Indischen dienst, met voile natuur- T ) A. MAASS, 1902. Bei liebenswiirdigen Wilden. (Berlin, 1902). 2 ) A. MAASS, 1904. Quer durch Sumatra. (Berlin, 1904). A. MAASS, 19101912. Durch Zentral Sumatra. 2 Bde. (Berlin, 1910-1912). De zoologische publicaties der specialisten-medewerkers in deel III). 3) Wissenschaftliche Ergebnisse der Deutschen Tiefsee-Expedition auf dem Dampfer Valdivia, 18981899. Herausgegeben von CARL CHUN. 20 Bde nog niet voltooid. (Jena, 190219..). C. CHUN, 1902. Aus den Tiefen des Weltmeeres. (Jena, 1902). 174 ALGEMEENE NATUURWETENSCHAP NA 1850. wetenschappelijkeuitrustingden i6den December 1898 Amsterdam en 7 Maart 1899 Soerabaja verlaten kon onder commando van den toenmaligen Luitenant t. Zee ie klasse, thans Vice-Admiraal G. F. TYDEMAN. De wetenschappelijke staf bestond uit: Prof. MAX WEBER als leider, Mevr. Dr. A. WEBER-VAN BOSSE, aan wie belangrijke algenstudies over onzen Archipel te danken zijn, Dr. J. VERSLUYS, thans hoogleeraar te Giessen en docts. H. F. NIERSTRASZ, tegenwoordig hoogleeraar te Utrecht als zoolooren en Dr. A. H. SCHMIDT als medicus met uitstekende fj zoologische bekwaamheden. Het fotografeerwerk werd door den Heer NIERSTRASZ, het teekenwerk door den Heer J. W. HUYSMANS, teekenaar van 's Lands Plantentuin, verricht. De tocht ging van Soerabaja uit langs Bali, Lombok, Soembawa, Soemba door de Flores-straat naar Saleyer, door de straat van Makassar, Celebes-Zee, langs Halmaheira, Batjan, Obi, Waigeoe naar Nieuw-Guinea, vandaar naar Ceram, Misool en Ambon, Aroe, dan naar Boeroe en door de straat van Boeton naar Saleyer, weer naar Ambon, en langs Timor, Flores, Soembawa, Kangean en Bawean terug naar Soerabaja, waar de Siboga 26 Febrtiari 1900 aankwam. De resultaten dezer expeditie zijn schitterend; een reeks monografien J ) over de oceanografische waarnemingen, de fauna en flora van stranden, riffen, plankton en diepzee, bevverkt door een lange rij van specialisten-onderzoekers, ieder zijn bijdrage gevend over zijn arbeidsveld, toont ons hoe uit- nemend zoowel expeditie als uitwerking van materiaal verzorgd vvaren. De wensch van Prof. WEBER, waarmee hij de eerste dier reeks monografien besluit : ,,Puisse 1'oeuvre du Siboga, dont le present article constitue 1'introduction, contribuer a augmenter nos connaissances sur cette ensoleillee partie du globe, qui Siboga-Expeditie. Uitkomsten op zoologisch, botanisch, oceanographisch en geologisch gebied, uitgegeven door MAX WEBER. Tot nu toe verschenen afl. 173. (Leiden, 1902 1914). ALGEMEENE NATUURWETENSCHAP NA 1850. nous offre tant de questions du plus haut interet" '), is, dank zij Prof. WEBER'S werkkracht en organisatie, op de meest schitterende vvijze in vervulling gegaan. En mevrouw WEBER- VAN BOSSE heeft den gewonen lezer een grooten dienst bewezen door haar : ,,Een jaar aan boord H. M. Siboga", een aantrekkelijke reisbeschrijving 2 ). De nieuwe eeuw opent de reeks Nieuw-Guinea expedities, tochten naar het groote eiland, dat, eigendom van drie koloni- seerende mogendheden en nog zoo weinig bekend, een aan- trekkingskracht uitoefent op den ontwaakten ondernemingsgeest der Hollanders. Van oudsher had de mystiek van een sneeuw- gebergte in de tropen zijn bekoring op onderzoekingsreizi- gers uitgeoefend; een prachtig-gedokumenteerde arbeid van WICHMANN 3 ) geeft hiervan een uitnemend overzicht. Weer is het de Treub-Maatschappij, die deze taak op zich neemt ; regeeringssubsidie en hulp van particulieren brengen weer steun en in 1903 vertrekt de Noord-Nieuw-Guinea-Expeditie 4 ) onder leiding van den Utrechtschen hoogleeraar WICHMANN, bijgestaan door Dr, L. F. DE BEAUFORT en Mr. H. A. LORENTZ als zoologen, den off. v. gezondheid G. A. J. v. D. SANDE als ethnograaf, terwijl een mantri van den plantentuin voor botanische ver- zamelingen zorgt, een succesvolle onderzoekingstocht van een half jaar, waarvan wij het reisverhaal 5 ) aan Mr. LORENTZ danken. J ) MAX WEBER, 1902. Introduction et description de 1'Expedition. (Uitk. en onderz. der Siboga-expeditie. Monographic I, 159 pp.). p. 152. 2 ) A. WEBER VAN BOSSE, 1904. Een jaar aan boord H. M. Siboga. (Leiden. 1904). 3) A. WICHMANN, 1909 1912. Entdeckungsgeschichte von Neu-Guinea. (Nova Guinea I-II. vol. I. bis 1828; vol. II. i re partie, 1828-1885; vol. II. 2 me partie, 1885 1902. Leiden, 19091912). Zie ook A. WICHMANN, 1905. Het onderzoek van Nieuvv-Guinea in vroegere eeuwen. (Bull. Treub-Maatschappij. N. 49. 1905. 12 pp.}. 4) Zie Bulletin v. d. Treub Maatschappij. N. 4147. 3) H. A. LORENTZ, 1905. Eenige maanden onder de Papoea's. (Leiden, 1905). ALGEMEENE NATUURWETENSCHAP NA 1850. Dan volgt de ,,Zuidwest-Nieuw-Guinea-Expeditie" ') van het Kon. Ned. Aardr. Genootschap, daartoe door het in 1902 bijeen- gebrachte VETH-fonds in staat gesteld (1904 1905), waaraan deelgenomen werd door M. POSTHUMUS MEVJES, E. J. DE ROCHEMONT en J. W. R. KOCH, en gedurende welke wel faunistisch verzameld werd, al bleef het eigenlijke doel der expeditie, in het Sneeuw- gebergte door te dringen, onbereikt. Gunstiger resultaat had weer de ,,Maatschappij", die in 1907 de ,,Zuid-Nieuw-Guinea- Expeditie" 2 ) organiseerde onder leiding van Mr. H. A. LORENTZ, met J. W. VAN NOUHUYS en G. M. VERSTEEG als tochtgenooten, van wie LORENTZ zoologische en VERSTEEG plantenverzamelingen bijeenbracht. Sedert hebben weer twee Nederlandsche Nieuw- Guinea-Expedities plaats gehad, waarvan de eerste 3 ), onder leiding van LORENTZ, en met VAN NOUHUYS, Dr. L. S. A. M. VON ROMER en luit. D. HABBEMA als deelnemers den Ssten Nov. 1909 op een hoogte van 4461 M. de eeuwige sneeuw op den Wilhelmina- top bereikte, en de tweede (kapitein A. FRANSSEN HERDERSCHEE leider; G. M. VERSTEEG, Dr. A. A. PULLE, Dr. P. F. HUBRECHT en luit. L. A. SNELL deelnemers; 1912 1913 4 )) eerst kort geleden teruggekeerd is. De bewerking van al het op deze reizen bijeengebrachte materiaal, zoologisch, botanisch, geolo- gisch, ethnografisch, geschiedt door een aantal Europeesche onderzoekers, die alien hun arbeid publiceeren in een groot standaardwerk : ,,Nova Guinea" 5 ). ') De Zuidwest-Nieuw-Guinea-Expeditie 19041905 van het Kon Ned. Aardr. Genootschap. (Leiden, 1908). 2 ) Zie Bulletin van de Treub-Maatschappij. N. 50, 52 58. 3) Zie Bulletin van de Treub-Maatschappij. N. 5964 en H. A. LORENTZ, 1913. Zwarte menschen-Witte bergen. (Leiden, 1913). *) Zie Bulletin van de Treub Maatschappij. N. 6568. s) Nova Guinea, 1903. Uitkomsten der Ned. Nieuw-Guinea Expeditie in 1903 onder leiding van Dr. A. WICHMANN. (Leiden, 1905 heden). Idem. 1907 en 1909. Uitkomsten der Ned Nieuw-Guinea Expeditie in 1907 (1909) onder leiding van Mr. H. A. LORENTZ. (Leiden, 1908 heden). Idem, 1913. Uitkomsten der Ned. Nieuw-Guinea Expeditie in 19121913 onder leiding van A. FRANSSEN HERDERSCHEE. (Leiden, 1913 heden). 177 12 ALGEMEENE NATUURWETENSCHAP NA 1850. Naast deze min of meer ,,particuliere" expedities werd het onderzoek van Nieuw-Guinea vanaf 9 Juni 1907 ook van Regee- ringswege ter hand genomen 1 ): met een juiste carteering van Zuid-Nieuw-Guinea als voornaamste doel werd een exploratie- detachement uitgerust, dat, in den eersten tijd geleid door de kapiteins A. J. GOOSZEN, WEBER en A. B. \V. SCHAEFFER, naar de aanwijzingen werkte van den zelfstandigen assistent resident. Vanuit Merauke maakte dit detachement tochten, waarbij de Julianatop werd ontdekt. Daarna besloot het Gouvernement in 1909 tot uitrusting van drie nieuwe exploratie-detachementen : een onder kapt. F. J. P. SACHSE (Humboldt-baai), een onder kapt. A. FRANSSEN HERDERSCHEE (Mamberamo) en een onder leiding van F. H. DUMAS en kapt. K. F. KOCH (vanuit Fak-Fak). Zuiver natuurwetenschappelijk werk was bij deze exploratie- detachementen nit den aard der zaak bijzaak ; deskundigen gingen in den regel niet mede, behalve mijningenieurs voor geologisch onderzoek: Dr. J. K. VAN GELDER, O. G. HELDRING en Dr. P. F. HUBRECHT. De belangrijkste botanische verzamelingen werden op deze tochten bijeengebracht in de buurt van Merauke (1907 1908) door den off. v. gez. B. BRANDERHORST en door den off. v. gez. der Humboldtbaai-expeditie (1910) K. GJELLERUP. Meer gegevens op zoologisch en geologisch gebied werden bereikt door expedities van deels andere, deels gemengde nationa- liteit: de Nederlandsch-Duitsche Grensreo;elino-s-Commissie en 3 O een tweetal Engelsche Expedities in Nederlandsch-Nieuw-Guinea. De gemengde Nederlandsch-Duitsche Grensregelings-Com- missie (Juni November 1910) 2 ), waarin opgenomen was het *) Zie A. J. GOOSZEN, 1913. Hoe Nederlandsch-Nieuw-Guinea geexploreerd werd en wordt. (Tijdschr. Kon. Ned. Aardr. Gen. 2 e serie, XXX. 1913. p. 638651). 2 ) Uittreksel uit het verslag der Commissie ter voorbereiding van de aan- wijzing eener natuurlijke grens tusschen het Nederlandsche en het Duitsche Ge- bied op Nieuw-Guinea. (Den Haag, 1912. Met foto's en 4 kaarten). - I 7 8 - ALGEMEENE NATUURWETENSCHAP NA 1850. exploratiedetachement onder leiding van kapitein F. J. P. SACHSE, bestond, wat het Nederlandsche gedeelte betreft, uit den luit. t. zee ie klasse J. L. H. LUYMES, den genoemden kapitein SACHSE, den off. v. gezondheid K. GJELLERUP. den geoloog Dr. P. F. HUBRECHT en den zooloog Dr. P. N. VAN KAMPEN, tervvijl de Duitsche afdee- ling gevormd werd door Prof. Dr. L. SCIIULTZE als leider, aan vvien toegevoegd was de luit. t. zee 2e kl. A. F. H. DALHUISEN, voorts bergassessor STOLLE" en Dr. KOPP als geneesheer. Het geolo- gische werk op deze expeditie werd verricht door Dr. HUBRECHT, het zoologisch werk door Dr. VAN KAMPEN, terwijl de off. v. gez. GJELLERUP voor het verzamelen van planten zorgde. Het faunis- tisch en floristisch materiaal is of wordt nog bewerkt; het is eigendom van het Departement van Landbouw te Buitenzorg. Kind 1908 of begin 1909 deed de British Ornithologists Union een verzoek aan onze Regeering, om vanuit de Otakwa een expeditie naar het Carstensz-gebergte te mogen onder- nemen, welk verzoek werd toegestaan, mits de expeditie plaats vond na i Januari 1910. De eerste georganiseerde tocht (Jan. 1910 April 191 1) 1 ) onder leiding van W. GOODFELLCAV, met als deelnemers A. F. R. WOLLASTON, C. G. RAWLING en Dr. ERIC MARSHALL, aan wie een Nederlandsch dekkingsdetachement was toegevoegd, had niet het verwachte resultaat; de groote moei- lijkheden ondervonden in de moerassige streken langs de Mimika-rivier, die men moest doortrekken, alvorens den voet van den Carstensz-top te bereiken, waren oorzaak, dat van een beklimming moest afgezien worden en de tocht afgebroken werd. J ) C. G. RAWLING 1913. The land of the New Guinea Pygmies. An account of the story of a pioneer journey of exploration into the hearts of New Guinea. (London, 1913). en: A. F. R. WOLLASTON, 1912. Pygmies and Papuans, the Stone-Age to-day in Dutch New Guinea. (London, 1912). In het appendix een voorloopige behan- deling der vogels door OGILVIE GRANT. Zoologische resultaten zijn verder ge- publiceerd in Transact. Zoolog. Soc. of London XX, 1914. I 79 ALGEMEENE NATUURWETENSCHAP NA 1850. Maar de tvveede expeditie (Sept. 1912 Maart 1913) had gunstiger resultaat, daar ze op 3ojanuari 1913 de sneeuwgrens tusschen de beide Carstensz-toppen bereikte. Deze expeditie bestond uit Dr. WOLLASTON en C. BODEN KLOSS, terwijl het welslagen van dezen onderzoekingstocht grootendeels te danken is aan den leider van het dekkingsdetachement, ie luitenant der infanterie A. VAN DE WATER. De verzamelingen dezer expedities, die zich in het British Museum bevinden, worden daar bewerkt. Dat ook in het begin van de tvvintigste eeuw tal van parti- culiere onderzoekers reizen naar onzen rijken Archipel onder- namen, ligt voor de hand; het voetspoor der voorgangers wijst hun den weg; belangrijke vondsten van vroegere reizigers zijn him een prikkel, om bijzondere deelen van den Archipel te gaan bewerken. Al deze personen en expedities op te sommen, zou in dit bestek ondoenlijk zijn ; uit de groote massa de voor- naamste. kiezende, noemen wij achtereenvolgens de tochten omstreeks 1900 van den Duitschen geoloog Dr. G. BOEHM '), die vooral de Molukken tot onderzoekingsveld koos en naar aanleiding van door de Siboga op Misool gevonden fossielen, o.a. dit eiland bezocht; het exploratiewerk van de beide Frei- burger Molukken-expedities (1906 1907 en 1910 191 1) 2 ), onder leiding van Dr. K. DENINGER, die op de tweede expeditie vergezeld werd door den zooloog Dr. E. STRESEMANN en den physicus Dr. O. D. TAUERN ; de reis van den geoloog Dr. J. WANNER 3 ) naar de Molukken en Timor (1907); de Sunda- expeditie uitgerust door de , frankfurter Verein fur Geographic *) Zie de titels van zijn publicaties bij VERBEEK, 191 2. p. 186187. (N. 2111 2122). -) Hierover is nog geen algemeen werk verschenen, wel publicaties bijv. van STRESEMAXN. (Journ. f. Ornith. 1913. p. 597 en Novitates Zoologicae XXI, 1914. P- 25). 3) Zie de titels van zijn publicaties bij VERBEEK, 1912. p. 207. (N. 23762383). 1 80 ALGEMEENE NATUURWETENSCIIAP NA 1850. und Statistik" onder leiding van Dr. J. ELBERT (1907'); de zeer belangrijke tocht van Dr. H. MERTON en Dr. J. Roux naar de Aroe-en Kei-eilanden (Oct. 1907 Aug. 1908 2 )),gesteund door de Senckenbergische naturforschende Gesellschaft, die ook twee deelen harer ,,Abhandlungen" ter beschikking gesteld heeft voor de mededeeling der resultaten, die vooral op zoogeogra- phisch gebied van groote beteekenis zijn ; het werk van den geoloog A. TOBLER 3 ) in Djambi (Sumatra) ; de geologische reis van Prof. Dr. K. MARTIN en Mevr. H. MARTIN ICKEN (1910 4 )) ; de tocht van den mijningenieur E. C. ABENDANON naar Celebes (1909 1910 5 )), die ook belangrijke zoologische verzamelingen bijeenbracht, welke in Amsterdam bevverkt zijn 6 ) ; het bezoek van Dr. en Mevrouvv L. F. DE BEAUFORT aan het zoo belanorwek- fj kende en weinig bekende eiland Waigeoe en aan Ceram (1909 1910), welks resultaten voor de zoogeographie belangrijk zijn geweest 7 ) ; het onderzoek van Dr. J. P. KLEIWEG DE ZWAAN op ') J. ELBERT, 1911 1912. Die Sunda-Expedition des Vereins fur Geographic und Statistik zu Frankfurt a. Main. Festschrift zur Feier des 75-jahrigen Bestehens des Vereins. 2 Bde. (Frankfurt a. M. 1911 1912). Aan de tweede band werd o. a. meegewerkt door onze langenooten Dr. W. VAN BEMMELEN, Dr. H. HALLIER en Mej. Dr. C. POPTA. 2 ) H. MERTON, 19111913. Ergebnisse einer zoologischen Forschungsreise in den siidostlichen Molukken. (Aru- und Kei-Inseln). (Abh. Senckenb. naturf. Gesellsch. XXXIII u. XXXIV, 1911-1913. Hierin Reisebericht XXXIII. p. i 208). 3) Zie de titels van zijn publicaties bij VERBEEK, 1912. p 135. (N. 1402 1408). 4) K. MARTIN, 1911. Vorlaufiger Bericht uber geologische Forschungen auf Java I. (Sammlungen geol. Reichsmuseums. Leiden, IX. p. 176). 5) Zie de titels van zijn publicaties bij VERBEEK, 1912. p. 172. (N. 19221924). 6 ) Door Prof. Dr. MAX WEBER. (Zoetwatervisschen. Bijdragen tot de Dier- kunde, uitg. door Artis XIX, 1913. p. 197213) en J. H. KRUIMEL. Zoetwater- mollusken. (Ibidem. XIX. p. 217-236). 7) L. F. DE BEAUFORT, 1913. Short narrative of the voyage. (Bijdragen tot de Dierkunde XIX. p. 3 5). De bewerking der resultaten werd door verschillende medewerkers gepubliceerd. (Ibidem. XIX. p. 9 164). 181 ALGEMEENE NATUURWETENSCHAP NA 1850. Nias r ) (1910), waarvan het zoologisch materiaal eveneens in Amsterdam bewerkt is 2 ), en de tocht van Prof. Dr. G. A. F. MOLENGRAAFF met den mijningenieur F. A. H. WECKHERLIN DE MAREZ OYENS en den door de Regeering toegevoegden mijn- ingenieur Dr. H. A. BROUWER (1910 3 )), gedeeltelijk een uit- vloeisel van WANNERS reis, en waarop door DE MAREZ OYENS een mooie verzameling van zoetwatervisschen is bijeengebracht, bewerkt door Prof. Dr. MAX WEBER en Dr. L. F. DE BEAUFORT 4 ). Het voornaamste doel, dat al deze reizigers en expedities beoogden, was na de bestudeering van flora en fauna, zoowel recent als historisch, niet alleen de bekendheid met Indie's plantengroei en dierenwereld, maar vooral het verwerken van de langs dezen weg verkregen resultaten voor de oplossing van grootsche problemen : het ontstaan en de ontwikkeling van onzen Archipel door de eeuwen heen tot zijn tegenwoordigen toestand, problemen in de eerste plaats van zoogeographische en geologische natuur, die dank zij den ingespannen arbeid van velen ons thans veel helderder voor oogen staan en veel meer een goed einde beloven, dan voor een twintigtal jaren. En indien over eenigen tijd deze vraagstukken hun beant- woording hebben gevonden, dan zal Nederland met trots mogen wijzen op den door Nederlanders verrichten arbeid. ") J. P. KLEIWEG DE ZWAAN, 19131914. Die Insel Nias bei Sumatra. I. Die Heilkunde der Niasser. (Den Haag, 1913). II. Anthropologische Untersuchungen liber die Niasser. (Den Haag, 1914). 2 ) De bewerking hiervan door een aantal specialisten zal gepubliceerd worden in het derde deel van J. P. KLEIWEG DE ZWAAN. t. a. p. 3) G. A. F. MOLENGRAAFF, 1911. Mededeelingen omtrent de Timor-expeditie (Tijdschr. Kon. Ned. Aardr. Gen. 2^ serie, XXVIII, 1911 p. 470-475 en 839840^. 4) MAX WEBER en L. F. DE BEAUFORT, 1912. On the freshwater fishes of Timor and Babber. (Versl. K. A. W. Amsterdam 29 Juni 1912. p. 235240). 182 HOOFDSTUK VII. De verdere ontwikkeling van J s Lands Plantentuin en het plantkundig onderzoek na 1850. 's Lands Plantentuin was behouden gebleven. De vijanden van Buitenzorg's installing hadden in TEYSMANN een verdediger ontmoet, die, aanzien noch rang ontziende, iederen aanvaller wist te ontwapenen door zijn karaktervastheid en zijn buiten- gewone openhartigheid. Als nog in 1856 de groote Utrechtsche scheikundige G. J. MULDER in een geheim schrijven aan den Minister van Kolonien de meening verkondigt, dat men z. i. zich in Java's Plantentuin te weinig toelegde op den invoer van nuttige gewassen, en veel te veel belang hechtte aan het kweeken van sierplanten, dan antwoordt TEYSMANN, onder over- legging van een lijst van 50 planten, ,,die hun verspreiding of in kultuur brengen op Java aan den Plantentuin te danken hebben", eenvoudig dit : ,,De door den hoogleeraar gegeven wenk : er behoort alzoo naar mijne meening steeds op uitgezien te worden, wat er van andere gewesten naar Java Kan worden overgebracht, om daar gekweekt te worden, en na in een kweektuin aldaar beproefd te zijn, overgebracht te worden op die gronden en in die streken, welke tot het in het groot - 183 - 'S LANDS PLANTENTUIN IS 7 A 1850. kultiveeren de beste zijn, komt dus wat laat, wijl dezelve reeds sedert 40 jaren is in practijk gebracht". En in die lijst treffen wij aan : twee kaneelsoorten, notenmuscaat, kruidnagelen, suiker- riet, kina, kamfer, katoen, enz. Maar daartegenover is TEYSMANN'S houding jegens den jongen BINNENDIJK, die hem eigenlijk eenigszins opgedrongen is, volkomen welwillend, vooral nadat hij BINNENDIJK heeft leeren kennen en waardeeren. Want de nieuwe assistent-hortulanus was een jonge man van groote bekwaamheid; vooral in het vervaardigen van plantbeschrijvingen toonde hij zich spoedig de gelijke van zijn chef; samen stelden zij reeds in 1852 een nieuwen, nooit verschenen, catalogus samen, een taak, die de krachten van den pas aangekomen BINNENDIJK wel wat te boven ging. Samen publiceerden zij ook in verschillende jaargangen van het Natuurkundig Tijdschrift van Ned.-Indie, een 27o-tal plantenbeschrijvingen *) voor een deel voorloopers van den in 1866 uitgegeven derden catalogus. Wetenschappelijke botanische hulp kreeg TEYSMANN in deze periode allereerst weer van HASSKARL, die, teruggekeerd van zijn tweejarige reis naar Zuid-Amerika 2 ) en benoemd tot ,,Directeur van de Kina-plantsoenen", zooveel deze werkkring hem toeliet TEYSMANN, met wien de oude vriendschapsband hernieuwd was, steun verleende bij het bewerken en beschrijven van Buitenzorg's plantenschat. Hoewel ook deze, HASSKARL'S derde Indische periode slechts anderhalf jaar duurde, vond hij toch nog gelegen- Zie J. M. JANSE, 1892. Wetenschappelijke onderzoekingen verricht aan of met behulp van 's Lands Plantentuin. (In: ,,'s Lands Plantentuin". 18 Mei 1817 18 Mei 1892. p. 235378). p. 248. 2 ) Zie W. H. DE VRIESE. De Kina-boom uit Zuid-Amerika overgebragt naar Java onder de regeering van Koning Willem III. : s Gravenhage, 1855 en KARL MILLER, 1873. Die Verpflanzung des Chinabaumes und seine Kultur. (Unsere Zeit, 1873. p. 62-74, 186-215, 258-274). 184 ? S LANDS PLANTENTUIN NA 1850. heid een boekje te publiceeren : ,,Retzia, sive observationes botanicae", waarvan hij na zijn terugkomst in Europa een tweeden druk bezorgde. Want HASSKARL'S gezondheid had door de inspannende vermoeienissen in het Andes-gebergte en door droevige huiselijke omstandigheden zeer geleden en naar het schijnt is ook JUNGHUHN'S kritiek op de organisatie der kina- cultuur op Java mede een oorzaak geweest, dat de eigenlijke stichter dier cultuur in het midden van 1856 met verlof naar Europa vertrok, welk verlof nooit zou eindigen. Immers, nadat door de zeereis zijn gezondheidstoestand aanmerkelijk verbeterd was, vestigde hij zich te Kleef en wijdde hij zijn verdere leven aan de wetenschap. Hier bewerkte hij (1861 en 1866) de sleutels op de beide Indische Klassieken : VAN REEDE'S Hortus Mala- baricus ') en RUMPIIIUS' Herbarium Amboinense 2 ) ; hier ver- schenen nog een aantal andere studies van zijn hand, meest floristische, over tropische plantenfamilies. Bijna 40 jaar lang zou HASSKARL, door de Nederlandsche Regeering met eenpensioen van f 1000 beloond, zich nog met zijn lievelingsstudien kunnen bezighouden ; op 82-jarigen leeftijd (5 Januari 1894) ging de nooit rustende man de eeuwige rust in. Terwijl JUNGHUHN hem in 1856 opvolgt als inspecteur der kina-cultures, maar zich door zijn reizen niet veel met 's Lands Plantentuin kan inlaten, krijgt TEYSMANN in 1859 opnieuvv botanische hulp van S. KURZ, die onder den naam van J. AMANN als soldaat bij het Indische leger in dienst gekomen, op zijn verzoek bij 's Lands Plantentuin geplaatst wordt, daar gedurende zijn geheelen militairen diensttijd (tot 1864) uitstekend behulpzaam is in het deter- mineeren van toegezonden planten, en dan ook in 1864 een ') Zie p. 23, noot 2, 3 en 4. 2 ) Zie p. 46, noot 2. 18* \S LANDS PLANTENTUIN NA 1850. paar verhandelingen ') publiceert. In dat jaar vertrekt KURZ naar Engelsch-Indie, waar hij ook nog botanisch werkzaam is gevveest. TEYSMANN zelf doet in dezen tijd reizen door den geheelen Archipel: in 1855 bezoekt hij Bantam, Preanger, Banjoemas en Krawang; in 1857 Palembang en de Lampongsche districten, in 1859 geheel Java, Madoera en Bawean, en in gezelschap van Prof. DE VRIESE, wiens meening omtrent TEYSMANN geheel veranderd is, de Molukken, in 1861 gaat hij naar Bagelen en in 1863 naar Siam. Dan schijnt er een tijdje stilstand geweest te zijn, waarna wij in 1869 weer aanteekeningen vinden over een reis naar Bangka, in 1874 naar Bangka, Riouw, Liengga en Timor; het volgende jaar naar Borneo's westkust, dan naar Biiliton, Molukken, Celebes (1877). Terwijl HASSKARL, TEYSMANN, BINNENDIJK en KURZ in Indie zelf aan de bestudeering der tropische flora werken, vinden wij in Europa een tweetal geleerden, die van materiaal, him uit Buitenzorgs tuin toegezonden, een dankbaar gebruik maken voor him geschriften : ten eerste ZOLLINGER, de Zwitser, dien wij reeds in het jaar 1844 aan den Plantentuin aan- troffen en die ook nog van 1854 tot 1859 Oost-Java bereisde, maar toen door herhaalde ongesteldheden veel minder werk- krachtig was, dan in zijn eerste periode. Teruggekeerd in zijn vaderland, kon ZOLLINGER de bekoring van dien steeds weer boeienden plantengroei niet vergeten; hij blijft arbeiden en geeft o. a. een werkje: ,,Gedachten over Plantenphysio- gnomie in het algemeen en over die der vegetatie van J ) S. KURZ, 1864. Korte schets der vegetatie van het eiland Bangka. (Nat. Tijdschr. v. N.-L, XXVII. p. 142-235). S. KURZ, 1865. Eenige kruidkundige mededeelingen. (Nat. Tijdschr. v. N.-L, XXVIII. p. 164-168). 186 F. A. W. MIGUEL. 5 S LANDS PLANTENTUIN NA 1850. Java in het bijzonder'' uit, voorts artikelen in het Nat. Tijdschr. '). En naast ZOLLINGER valt hier een man te vermelden, die nooit den bodem onzer Indische kolonien betreden heeft en wien wij toch zeer belangrijke bijdragen tot de kennis van Indie's plantengroei danken : F. A. W. MIQUEL, geb. 24 October 1811, hoogleeraar te Utrecht, later tevens directeur van 'sRijks Herbarium te Leiden 2 ). MIQUEL was een zoon van den burge- meester van Bentheim, werd door zijn vader voor de universiteit klaargemaakt en ging in 1829 naar Groningen om daar in de letteren te studeeren. Maar al spoedig verwisselde hij deze studie met die der medicijnen en der natuunvetenschappen, beantwoordde twee botanische prijsvragen en vestigde daardoor de aandacht der geleerden op zich. Tot doctor medecinae gepromoveerd, werd hij werkzaam aan het Binnengasthuis te Amsterdam, daarna lector aan de Clinische School te Rotterdam, bedankte voor een beroep als hoogleeraar aan Deventers Athenaeum, omdat daar een hortus ontbrak. Totdat hij den 2den Maart 1846 het professoraat aan het Athenaeum te Am- sterdam aanvaardde ; dertien jaar later deze inrichting met de Utrechtsche Universiteit verwisselde, om in 1862, na BLUME'S dood, tevens met het directeurschap van 's Rijks Herbarium belast te worden. Negen jaar bleef MIQUEL deze ambten waarnemen tot hij 23 Januari 1871 aan de wetenschap ontviel, gesloopt door een ongeneeslijke kwaal, die hem reeds bij herhaling het arbeiden zoo moeielijk gemaakt had. *) H. ZOLLINGER, 1857. Observationes botanicae novae. (Nat. Tijdschr. v. N.-L, XIV. p. 145-176). H. ZOLLINGER, 1859. lets over de natuurlijke geschiedenis van Madoera. (Nat. Tijdschr. v. N.-L, XVII. p. 243-248). 2 ) Zie C. J. MATTHES, 1872. Levensberigt van F. A. W. MIOUEL. (Jaarb. Kon. Ak. Wet., 1872. p. 2949, met bibliographic). - I8 7 - 'S LANDS PLANTENTUIN NA 1850. MIQUEL was een man, die zijn eigen leven gemaakt heeft tot wat het geworden is; met systematische onderzoekingen begon hij en zijn gansche leven heeft hij in die richting gewerkt, zich gegeven eerst aan de flora van zijn nieuwe vaderland, getuige zijn medewerking aan VAN HALL'S ,, Flora Belgii Septentrionalis" van 1832 en zijn ,,Disquisitio geogr.- botanica de plantarum Regni Batavi distributione" van 1837, om dan langzamerhand naar de studie der tropischegewassen over te hellen, gevoelend him groote aantrekkelijkheid, al kent hij alleen kasplanten en zoo vaak geminachte herbarium-exem- plaren. Vooral de Cycadeeen zijn het, die zijn aandacht trekken, daarnaast de Suriname-collecties van H. C. FOCKE en de planten- palaeontologie : zoowel Limburgsche krijtflora, als fossiele Cyca- deeen. Als standaardvverken zijn daarna van zijn hand verschenen ,, Flora van Nederlandsch-Indie" (1855) en de ,,Annales Musei Botanici Lugduno Batavi" (1863 1869). Een veelzijdig syste- maticus was MIQUEL, een bescheiden man, als plantenkenner en plantenbeschrijver ook in het buitenland gewaardeerd, zooals o. a. blijkt door het lidmaatschap der Zweedsche Academic, waar hij VON MARTIUS, HUGO VON MOHL, BRONGNIART, ALEXANDER BRAUN, ASA GRAY, DE CANDOLLE en JOSEPH D ALTON HOOKER als botanische medeleden had. Door zijn voorliefde voor tropische plantenfamilies, voor de flora van ons Indie, komt hij met TEYSMANN in aanraking, ont- vangt uit Buitenzorg steeds meer materiaal voor zijn onderzoe- kingen en bewijst omgekeerd aan TEYSMANN den dienst, zijn plannen bij de Regeering te verdedigen. Want TEYSMANN wilde groote veranderingen in Buitenzorgs' tuin tot standbrengen, en had daartoe reeds zestien jaar lang gevochten en bij de Indische regeering nota's ingediend, die echter meest onbeantwoordbleven. In 1851 was TEYSMANN begonnen met een memorie over ,,vele punten den plantentuin alhier betreffende" en in 1862 1 88 'S LANDS PLANTEXTUIN NA 1850. begint de Indische regeering, dank zij de geschiedkundige neigingen van den Gouverneur-Generaal SLOET VAN DE BEELE, het belang van TEYSMANNS plannen te begrijpen. In April 1863 wordt aan den Minister van Kolonien aanstelling van een ,,vvetenschappelijk gevormden botanicus" gevraagd en op aan- drang van MIQUEL besluit de minister hiertoe. Weder door MIQUEL'S invloed wordt hiertoe aangewezen de candidaat aan de Utrechtsche Universiteit R. H. C. C. SCHEFFER, die na voltooiing van zijn studie onder MIQUELS leiding, in Buitenzorg het ambt van directeur zou aanvaarden en dan eerst ,,door TEVSMANN'S rijke ervaring vvorden voorgelicht". En tegelijk met de benoe- ming van dezen nieuwen directeur wordt de Plantentuin uit de boeien van het militair regime bevrijd en wordt de Intendant der Gouvernements-Hotels aangeschreven : ,,om in overleg met den Hortulanus van 's Lands Plantentuin te Buitenzorg, J. E. TEYSMANN, voorstellen te doen omtrent de afscheiding van het park en den plantentuin". TEYSMANN had volgehouden en overwonnen. ? s Lands Planten- tuin was herboren ! De nieuwe directeur van den Hortus Bogoriensis was een nog jonge man, maar begaafd met een wilskracht, die hem tot het overwinnen van groote moeilijkheden in staat stelde. Door zijn innemende persoonlijkheid had hij zich de genegenheid van zijn leermeester MIQUEL verworven ; door zijn bescheidenheid en zijn liefde voor planten werd hij meer de vriend dan de chef van den zesendertig jaar ouderen TEYSMANN. SCHEFFER'S vader was een energiek en wetenschappelijk hoogstaand geneesheer te Spaarndam, waar RUDOLPH HERMAN CHRISTIAAN CAREL 12 September 1844 geboren werd; achtereen- volgens woonde de familie SCHEFFER te Spaarndam, Poortugaal, Utrecht en Weesp, totdat RUDOLPH in 1862 naar Utrecht terug- keerde, om hier medicijnen en natuurwetenschappen te gaan 189 'S LANDS PLANTENTUIN NA 1850. studeeren. In 1864 legde hij summa cum laude het candidaats- examen in de wis- en natuurkunde af. Het was op MIQUEL'S raad, dat de jonge SCHEFFER de toestemming van zijn vader vroeg, om zich op de plantkunde te mogen gaan toeleggen en dan in de toekomst als Directeur van 's Lands Plantentuin op te treden. Zoo gebeurde het ook, met het gevolg, dat RUDOLPH een groot deel van zijn studied] d in het Leidsche Rijks-Herbarium doorbracht, 20 Maart 1867 promoveerde tot doctor in de wis- en natuurkunde op een dissertatie : ,,De Myrsinaceis Archipelagi Indici", 15 November 1867 naar Indie vertrok en onderweg op Ceylon den botanischen tuin te Pera- denyia bezocht, om met den bekwamen directeur THWAITES kennis te maken. In Buitenzorg werd SCHEFFER door den Hortulanus met gast- vrijheid ontvangen ; meer dan een jaar was TEYSMANN'S huis ook dat van zijn directeur. Grooter verschil dan tusschen directeur en hortulanus bestond, is moeilijk denkbaar: SCHEFFER jong, fijnbesnaard, practisch onervaren, maar wetenschappelijk uitnemend onderlegd, de chef van TEYSMANN, veel ouder, ruw maar goedhartig, wetenschappelijk een self-mademan, echter met sterk ontwikkelde practische gaven. Maar beiden, directeur en hortulanus, waren mannen van welwillend karakter, beider doel was de ontwikkeling van 's Lands Plantentuin ; voor een zaak gaven zij zich en wisten zoodoende elkanders persoonlijk- heid te leeren hoogschatten. De hartelijke ontvangst, door TEYSMANN aan zijn jongen chef bereid, werd door SCHEFFER niet vergeten : SCHEFFER was het, die het initiatief nam tot de warme huldiging van TEYSMANN bij gelegenheid van diens vijftigjarig verblijf op Java (2 Januari 1880). Het werk, door TEYSMANN reeds lang begonnen, werd met kracht voortgezet. Nu 's Lands Plantentuin een geheel zelfstandige instelling geworden was en de beide mannen, op wier schouders 190 R. H. C. C. SCHEFFER. 'S LANDS PLANTENTUIN NA 1850. de taak der regeling rustte, door dagelijkschen omgang elkaars gedachten volkomen leerden begrijpen, elkaars plannen leerden kennen, nu werd ook met meer kracht en meer recht bij de regeering aangedrongen op het erkennen van het wetenschap- pelijk karakter van den Hortus Bogoriensis, op de noodzake- lijke uitbreiding van personeel en op een betere verzorging van bibliotheek en herbarium. Na gedurende een jaar zijn jongen vriend te hebben geleid door de eerste moeilijkheden van een zooveel omvattende werkkring, werd TEYSMANN 22 Januari 1869 eervol ontheven van de betrekking van Hortulanus aan Buitenzorgs tuin en werd hem uitsluitend het doen van weten- schappelijke reizen opgedragen. Vanzelf spreekt, dat het ten opzichte van zijn Plantentuin bij TEYSMANN niet was : uit het oog, uit het hart, maar dat de scheiding slechts een papieren formaliteit was, teneinde TEYSMANN meer vrijheid van beweging te geven. En de ruim zestigjarige verlangt nog niet naar rust; het is alsof nu eerst zijn onderzoekingsgeest een geschikt terrein vindt. Betere verzorging van museum en bibliotheek werd bereikt, doordat het gebouw, waarin de naar Batavia verplaatste directie van het mijnvvezen haar bureau had, bij den Plantentuin gevoegd werd, zoodat het oude houten gebouw, door TEYSMANN gesticht, verlaten kon worden. En personeelsuitbreiding had ook in 1870 plaats: TEYSMANN'S plaats werd door SIMON BINNENDIJK inge- nomen, terwijl van drie jongelieden, uit Nederland gekomen, er een, de latere hortulanus H.J. WIGMAN, toen als BINNENDIJK'S opvolger aangewezen werd. Onder SCHEFFER'S beheer werd het terrein te Buitenzoror O door de voortdurende uitbreiding der plantenverzamelingen, al spoedig te klein ; een afzonderlijke ruimte voor het nemen van proeven met cultuurgewassen was zeer gewenscht, zoodat plannen gemaakt moesten worden voor mogelijke uitbreiding. Het eenige terrein, waarover beschikt kon worden, was het 191 'S LANDS t'LANTENTUIN NA 1850. ongeveer drie kwartier van Buitenzorg gelegen Tjikeumeuh, een stuk land ter groote van 105 bouws, \vaarvoor de regeering een som van f 15,000 toestond, teneinde den huurder af te koopen en het terrain in orde te brengen. In SCHEFFER'S ver- slag over 1876 vinden we dan ook vermeld, dat Tjikeumeuh als ,,kultuurtuin" bij 's Lands Plantentuin gevoegd werd, en in 1879 deed zich de noodzakelijkheid voor in dien verafgelegen kultuurtuin een deel der botanisch belangrijke planten uit Buitenzorg onder te brengen. De bergtuinen werden zoo goed mogelijk onderhouden ; het vinden van een bekwaam persoon, om de leiding dezer eigenlijk zelfstandige gedeelten op zich te nemen, leverde groote moeielijkheden op ; de nog in Tjipannas aanwezige belangrijke planten werden naar een nieuwen berg- tuin, het thans nog bestaande Tjibodas overgebracht. Bovendien ondersteunde SCHEFFER krachtig het initiatief van den directeur van Binnenlandsch Bestuur, Mr. H. D. LEVYSSOHN NORMAN, om in Buitenzorg een landbouwschool op te richten, een ondernemen, dat in 1876 ook met succes bekroond werd. Voor zoover SCHEFFER'S werkkracht niet door dergelijke organiseerende en administratieve bezigheden werd in beslag genomen, was hij voor het overige genoodzaakt zijn tijd te verdeelen tusschen twee dringende zaken van zeer uiteenloo- penden aard : de Indische landbouwbelangen te behartigen en het wetenschappelijk karakter van 's Lands Plantentuin te handhaven. Van beide taken heeft hij zich schitterend gekweten. Het verwijt hem door de regeering in het begin gedaan, dat hij door zijn plannen voor oprichting van een kultuurtuin zou trachten ,,zich van de bemoeienis met het practisch gedeelte van den werkkring af te maken" heeft SCHEFFER door daden weerlegd en was volkomen onverdiend; reeds vanaf 1870 had hij zich bezig gehouden met de verzorging van den kolonialen landbouw; in het verslag over dat jaar treffen wij o.a. mede- 192 'S LANDS PLANTENTUIN NA 1850, deelingen aan over proeven met koffie, suikerriet, Eucalyptus- soorten, Phormium tenax (Nieuw-Zeelandsch vlas) en zonne- bloemen, waaraan een invloed ten goede ten opzichte der in kustplaatsen voorkomende ,,miasmatische uitwasemingen" werd toegeschreven. In 1871 wordt de verspreiding van Albizzia- soorten vermeld, die als schaduwboomen voor koffietuinen ver boven de totnogtoe gebruikte dadap verkieselijk scheen. In het verslag over 1873 betoogt SCHEFFER de wenschelijkheid op Java Liberia-koffie in te voeren en in 1875 werden planten en zaden ontvangen en kon de cultuur dezer zoo belangrijke koffie-soort een aanvang nemen. Hoezeer SCHEFFER'S bemoeiingen met den landbouw en de verspreiding van nuttige planten zich ont- wikkelden, blijkt wel het beste uit den omvang der ,,Verslagen omtrent den staat van 's Lands Plantentuin te Buitenzorg", waarvan steeds het grootste gedeelte aan de bespreking van landbouwgewassen gewijd was: het eerste van SCHEFFER'S verslagen (over 1868) was 4 bladzijden groot, tervvijl zijn laatste (over 1878) 45 bladzijden en 56 bladzijden bijlagen besloeg. Op de grens van wetenschappelijke en landbouwbotanie ligt een mededeeling in SCHEFFER'S verslag over 1877 (biz. 31) : ,,In Augustus schijnt zich voor het eerst op Sumatra te hebben voorgedaan, die ziekte van den koffieheester, die als Ceylonsche coffee-leaf-disease bekend is, en veroorzaakt wordt door een fungus, Hemileia vastatrix geheeten". Het eerste in Buitenzorg verrichte phytopathologisch onderzoek is hiervan het gevolg; adviezen worden gegeven, vooral gebaseerd op het feit, dat goede cultuur het weerstandsvermogen der koffieboomen sterk verhoogt en een beschrijving met afbeelding der ziekte wordt gegeven in het ,,Tijdschrift voor nijverheid en landbouw in Nederlandsch-Indie" (deel XXII). En in Midden-Java treedt in die jaren een eenigszins raadselachtige kofhewortelziekte op, 193 13 'S LANDS PLANTENTUIN NA 1850. die daar veel koffieboompjes vernietigt en groote schade toebrengt. Cultuurtuin en landbouwschool waren thans de veeleischende inrichtingen, die SCHEFFER'S tijd bijna geheel in beslag namen; hij geeft er met de meeste bereidwilligheid een groot deel van zijn leven aan, al verlangt hij er naar, dat in de toekomst het zwaartepunt weer naar zijn wetenschappelijk-botanisch werk verlegd mag worden. Voor eigenlijke studie blijft hem te weinig tijd beschikbaar; toch slaagt hij erin, een drietal stukken van zuiver botanischen aard te publiceeren '). En in nog een ander opzicht weet SCHEFFER'S initiatief zich te uiten: in 1873 verkreeg hij den steun der Regeering voor de uitgave van een zelfstandige wetenschappelijke publicatie, de later zoo bekend geworden ,,Annales du Jardin Botanique de Buitenzorg''. Het eerste deel, het eenige door SCHEFFER uitge- geven, verscheen in 1876. Behalve een reisverslag van TEYSMANN en enkele artikeltjes van BINNENDIJK en WIGMAN, bevat dit deel uit- sluitend floristische en systematische studies van SCHEFFER zelf : een tweede stuk over palmen, planten van Nieuw-Guinea, enz. Een andere belangwekkende studie over de Anonaceae werd door SCHEFFER nog wel voltooid, maar verscheen pas in het tweede door zijn opvolger bezorgde deel, terwijl de platen, door SCHEFFER bestemd voor een nieuwe verhandeling over de palmen van Buitenzorg, door BECCARI bewerkt en gepubliceerd zijn 2 ). *) R. H. C. C. SCHEFFER, 1870. Observationes phytographicae. I en II. (Nat. Tijdschr. v. N.-L, XXXI. p. 1-23 en 338375)- R. H. C. C. SCHEFFER, 1873. Observationes phytographicae. III. (Nat. Tijdschr. v. N.-L, XXXII. p. 387-426). R. H. C. C. SCHEFFER, 1873. Sur quelques palmiers du groupe des Arecinees, I. (Nat. Tijdschr. v. N.-L, XXXII. p. 149-193). R. H. C. C. SCHEFFER, 1876. Idem II. (Annales du Jard. bot. Buitenzorg, I. p. 103164). 2 ) O. BECCARI, 1885. Reliquiae Schefferianae lllustrazione di alcune Palme viventi nel Giardino Botanico di Buitenzorg. (Ann. Jard. bot. Buit., II. p. 77 171). 194 'S LANDS PLANTENTUIN NA 1850. Ook SCHEFFER zou een voorbeeld zijn, dat een werkzame energieke geest in een tropisch land de lichaamskrachten niet overschatten mag. ,,De ambitie overschreed de grenzen van een menschelijk vermogen en de natuur wreekte zich, tot schade voor de wetenschap, tot een ramp voor dierbare betrek- kingen", schrijft zijn vriend VAX GORKOM in 1880'). SCHEFFER werd in Februari 1880 ziek; een acute leverontsteking bleek te ernstig voor geneeskundige hulp. In koele bergstreken, het gezondheidsoord Sindanglaja, zocht hij verlichting maar ook dit mocht niet baten ; hij overleed 9 Maart 1880, nog geen 36 jaar oud. In SCHEFFER had 's Lands Plantentuin een directeur ver- loren, onafgebroken werkzaam in het belang van land en volk, landbouw en wetenschap beide dienend, zooveel hem mogelijk was. ,,Het was niet een zijner geringste deugden, dat hij met onbegrensden ijver en onverdeelde toewijding aan- vaardde en doorzette, wat hij zijn roeping dacht. Daardoor kon hij zoovelen prikkelen tot belangstelling en medewerking, en een geest opwekken, die ook na zijn betreurd verscheiden lang zal blijven voortleven" 2 ). Was dus de ontvvikkeling van 's Lands Plantentuin na de vrijmaking door TEYSMANN, onder SCHEFFER'S leiding reeds een belangrijke, nog veel machtiger ontplooimg toont ons deze instelling in de nu volgende periode. De leidende geest, door wiens or-eestdrifticr werken en durvend initiatief dit bereikt o o werd, was SCHEFFER'S opvolger, de nog geen dertig jaar oude MELCHIOR TREUB. Het ontstaan van 's Lands Plantentuin, de stichtingsidee, 1 ) K. W. VAX GORKOM, 1880. Levensbericht van R. H. C. C. SCHEFFER. (Jaarb. Kon. Ak. v. Wet. 1880. p. i 21). p. 19. 2 ) K. W. VAN GORKOM, iSSo. Dr. R. H. C. C. SCHEFFER en 's Lands Plan- tentuin te Buitenzorg. (Eigen Haard, 1880. Overdruk). p. 20. 195 'S LANDS PLANTENTUIN MA 1850. danken wij aan REINWARDT'S vooruitzienden blik ; de eerste weten- schappelijke fundamenten zijn het werk van HASSKARL; DIARD en TEYSMANN waakten voor zijn behoud onder ongunstige om- standigheden : het innige verband met de practijk der cultures wordt onder SCHEFFER'S beheer gelegd ; maar dat de Plantentuin gevvorden is tot de eerste botanische inrichting der tropische wereld, tot de instelling, waar plantkundigen van alle landen hun kennis komen verdiepen door nauvve aanraking met de tropische natuur, waar verfijnd wetenschappelijk botanisch werk vereenicrd wordt met de oplossinof van veeleischende en drinofende O 1 O O practijk- vraagstukken, dat zal steeds de onvergankelijke betee- kenis van TREUB'S directeurschap blijven. MELCHIOR TREUB'S vader was burgemeester van Voorschoten r waar MELCHIOR als oudste van het viertal kinderen 26 December 1851 geboren werd en waar hij tot zijn vertrek naar Indie wonen bleef, Eerst bezocht hij daar de lagere school, daarna de H. B. S. te Leiden, waarheen hij iederen dag van Voor- schoten kwam wandelen. Maar omdat de wet aan het eind- examen H. B. S. geen waarde hechtte voor universiteitsstudie r deed hij in plaats hiervan het toelatingsexamen voor de uni- versiteit (1869); zijn kennis der klassieke talen had hij aan privaatlessen van den dorpsdokter te danken. TREUB vond in zijn studententijd weinig gelegenheid ,, student te zijn"; hij studeerde en in de richting, waarin zijn wetenschappelijke neiging hem dreef, lagen niet de genoegens van het studentenleven. Reeds vier jaar na zijn inschrijving in het ,, Album studiosorum'\ toen hij nog geen 22 jaar oud was, promoveerde TREUB op een dissertatie over een toentertijd zeer actueel onderwerp ; hij bracht belangrijke argumenten voor de juistheid van SCH\YEN- DENER'S korstmossen-theorie. Na zijn promotie werkzaam als assistent aan de Leidsche Universiteit en in zijn avonduren aan ,,Mathesis'\ vond hij in 196 MELCHIOR TREUB. 'S LANDS PLANTENTUIN NA 1850. deze zes jaar nog ruimschoots gelegenheid tot wetenschappelijk onderzoek : hij publiceerde in dezen tijd anatomische studies over wortelontwikkeling, over Selaginella, physiologische over bladgroen en de rol der bastvezels, embryologische over de embryozak-ontwikkeling bij Angiospermen en vooral by Orchi- deeen, cytologische over kernkleuring en kernbouw. En boven- dien gaf hij ieder jaar in de Revue des Sciences naturelles een overzicht : ,,La Botanique aux Pays-Bas", een samenvatting van wat ons land aan de vordering der plantkundige wetenschap bijdroeg. TREUB had dus ten voile bewezen. hoezeer hij tot zelf- standig wetenschappelijk onderzoek bekwaam was, en het was dan ook op aanbeveling van alle hoogleeraren in de botanie aan de Nederlandsche Rijks-Universiteiten, dat hem na SCHEFFER'S over- lijden het directeurschap van 'sLandsPlantentuin opgedragen werd. De jonge directeur vond in Buitenzorg een zware taak : SCHEFFER had wel de richtincr aanoregeven, waarin 's Lands o o o Plantentuin zou moeten oreleid worden. maar TREUB miste de O kundige en welwillende voorlichting van TEVSMANN, die SCHEFFER bij zijn komst nog een jaar lang ter zijde gestaan had en die in TREUB'S tijd bijna voortdurend op onderzoekingsreizen was. De werkkring, die TREUB wachtte was te omvangrijk geworden voor een man: de Regeering besloot dan ook reeds spoedig tot aanstelling van een adjunct-directeur, waartoe TREUB'S studie- genoot, Dr. W. BURCK in den loop van 1881 benoemd werd. In November 1880 kwam TREUB in Indie aan; den I3en aanvaardde hij het directeurschap. En onmiddellijk vond zijn werkzame en zeer begaafde geest stof voor arbeid rondom zich ; er waren groote en belangwekkende vragen te beantwoorden. TREUB zelf werkte den eersten tijd vrijwel zuiver botanisch, BURCK later in meer landbouwkundige richting. Door een uit- muntende arbeidsverdeeling kon TREUB zich geheel wijden aan embryologische en physiologische onderzoekingen ; BURCK nam 197 's LANDS PLANTENTUIN NA 1850. het morphologisch-systematische werk voor zijn rekening. TREUB'S groote werkkracht stelde hem in staat reeds in 1882 het tweede deel der ,,Annales" in het licht te geven, gedeeltelijk gevuld met nagelaten handschriit van SCHEFFEK, maar grootendeels bijdragen van TREUB zelf bevattend. En voortaan zou bijna ieder deel der ,,Annales" bevvijzen brengen voorTREUB'skrachtige werkzaamheid en zijn veelomvattenden wetenschappelijken aan- leg '). In het begin waren het vooral bloemen en zaadknoppen in him ontwikkeling die zijn aandacht trokken : Cycadeeen > als merkwaardige overgangsvormen tusschen Kryptogamen en Phanerogamen van groot belang, Loranthaceeen, een groep woekerplanten, waartoe bijv. ons Vogellijm behoort en waarbij door hun parasitische levenswijze afwijkingen van het normale te wachten waren, Casuarinaceeen, waarbij een hoogst eigen- aardig verloop van het bevruchtingsproces (chalazogamie) ge- vonden werd, voorts Orchideeen en Burmanniaceeen, leverden hiervoor dankbaar en rijk materiaal voor onderzoek, dat alleen in de tropen mogelijk was. Want steeds hield TREUB voor oogen, dat natuurwetenschappelijk werk in tropische streken zich beperken moet tot wat alleen in de tropen verricht kan worden, indien we hier tenminste bij een zoo ruim arbeidsveld van ,,beperking" spreken mogen. Ook vallen in het eerste tienjarig tijdvak van TREUB'S directeurschap, den tijd, waarin hij zich het meest aan zijn wetenschap geven kon, waarin zijn administratieve en practijk-beslommeringen hem nog niet zoo- zeer in beslag namen, de schitterende reeks van onderzoekingen over de ontwikkeling en generatiewisseling der wolfsklauwen. Van enkele tropische Lycopodiumsoorten kon TREUB den gan- schen levensloop volgen ; het belangrijke feit, dat wolfsklauw- voorkiemen kleurloos en saprophytisch zijn, in tegenstelling met ') Zie voor titels: F. A. F. C. WENT, 1911. MELCHIOR TREUB. (Ann. JarcL bot. Buit., XXIV. p. I-XXVIII en bibliographic, p. XXIX XXXII). 198 'S LANDS PLANTENTUIN NA 1850. varen-prothallien die bladgroen bevatten en dus zelf hun voedsel kunnen maken, werd door hem ontdekt; hij begreep, dat zoo- doende de Lycopodiaceeen in zekeren zin een overgang vormen tusschen varens met him zelfstandige prothallien en phanero- gamen waar de geslachtsgeneratie volkomen parasitisch leeft. Physiologisch onderzoek vinden wij van allerlei aard : een nieuwe groep van klimplanten, die zich met zgn. ,,haken" vast- hechten, gekromde organen van morphologisch zeer verschil- lende natuur, maar alien overeenstemmend door hun wijze van reactie op aanraking (diktegroei). Voorts is de beteekenis van zetmeel in de melksapvaten van Euphorbia's een onder- werp van studie, en wordt door TREUB aangetoond, dat er geen verband bestaat tusschen de holle gangen in Myrmecodia- knollen en de aanwezigheid van mieren. Later (1896 1910), publiceert hij in de ,,Annales" een reeks onderzoekingen van bijzonder belang : de door GRESHOFF aangetoonde aanwezigheid van cyaanwaterstof in blaren van Pangium edule is voor hem aanleiding het voorkomen dezer stof in andere planten na te gfaan en haar beteekenis voor de eiwitvorminor vast te stellen. o o Helaas zijn deze baanbrekende onderzoekingen onvolkomen gebleven : de afsluiting van dit werk heeft TREUB niet meer mogen zien. Ook op het gebied van plantengeographie en -oecologie vinden we een belangrijke bijdrage van TREUB'S hand: de alge- heele vernietiging van Krakatau's plantengroei in 1883 was hem een welkome aanleiding, de wederbegroeiing van een door vulkanische uitbarsting volkomen verwoest eiland na te gaan ; enkele tochten daarheen, waarvan hij in 1888') de resultaten publiceerde, gaven hem een inzicht hoe eerst door samenwerking van blauwwieren en verweeringsprocessen de onvruchtbare ') M. TREUB, 1888. Notice sur la nouvelle flore de Krakatau. (Ann. Jard. bot. Buit., VII. p, 213-223). 199 'S LANDS PLANTENTUIN NA 1850. bodem begroeibaar werd gemaakt, hoe in het zoo ontstane dunne waterhoudende laagje varensporen kiemen kunnen en de opgroeiende varenplanten met hun wortels het verweeren begunstigen en hoe zoo de bodem voor hoogere gewassen, wier zaden door wind- en zeestroomen aangevoerd worden, meer geschikt wordt. Wanneer men nu bedenkt, dat Krakatau op een afstand van 18,5 K.M. verwijderd is van het dichtst- bijzijnde eiland Sibesie, terwijl Sumatra 37,1 K.M. in noord- westelijke richting en Java 40,8 K.M. oostelijk ligt, dan blijkt wel uit deze onderzoekingen, hoe grooten invloed wind- en zee- stroomingen op plantenverspreiding hebben. Later (1897) werden door TREUB en PENZIG voor het eerst planten, wier zaden door vogels aangebracht waren, gevonden '), terwijl ERNST nog kort geleden de verdere ontwikkeling van Krakatau's flora beschreven heeft 2 ), daarbij voor de determinate der planten geholpen door C. A. BACKER. Thans is het nog geen twintig jaar geleden volkomen dorre eiland weer begroeid met een weelderige tropische flora. En daartusschen verschenen een aantal mededeelingen voor de practijk in de ,,Korte Berichten, uitgaande van den Directeur van 's Lands Plantentuin" ; ook een tweetal publicaties met phytopathologischen inhoud over de raadselachtige sereh-ziekte van het suikerriet en over de mogelijkheid, dat ,,sereh" door een parasitisch aaltje veroorzaakt zou worden. Naast al dit onderzoekswerk vinden wij bewijzen van TREUB'S liefde voor zijn tuin in de ,,Geschiedenis van 's Lands Planten- tuin'', een prachtig gedocumenteerde bronnenstudie (1889 3 ), die ') Zie O. PENZIG, 1902. Die Fortschritte der Flora des Krakatau. (Ann. Jard. bot. Buit. XVIII. p. 92114). 2 ) A. ERNST, 1907. Die neue Flora der Vulkaninsel Krakatau. (Viertelj. naturf. Ges Zurich 1907. p. 289362. Ook afzonderlijk. Zurich, 1907). 3) M. TREUB, 1889. Zie p. 92, noot i. 2OO 'S LANDS PLANTENTUIN NA 1850. echter alleen de eerste periode, tot 1844 bevat en waarvan helaas het beloofde tweede gedeelte nooit verschenen is. Moge de naderende herdenking van het honderdjarig bestaan aan- leiding geven deze gaping in de litteratuur aan te vullen ! Wetenschappelijk hoogstaand, met organisatorisch talent en een zeldzame scherpte van blik bij de beoordeeling van personen, die hij pas even ontmoet had, dat was de grootheid van TREUB'S gaven. Miskenning van de zijde van het groote publiek, wantrouwen van planters deden hem niet van zijn standpunt wijken ; steeds wist hij, ongetwijfeld geboren diplomaat in den meest gunstigen zin, het evenwicht te vinden tusschen de eischen van de mannen der practijk en de papieren bezwaren uit de ambtenaarswereld, en toch te zorgen, dat het zuiver wetenschappelijk karakter van zijn Plantentuin bewaard bleef. Thans is het ook algemeen duidelijk geworden hoe groote diensten TREUB aan wetenschap en practijk beide bewees : door herhaalde huldebetoogingen en eerbewijzen uit geleerden- kringen, door uitingen van dank, hem o. a. vanwege de Indische suikerplanters gebracht, maar bovenal door de regeeringsdaad, die TREUB gelukkig nog beleven mocht, waardoor 's Lands Plantentuin als zelfstandig-wetenschappelijke instelling is hersteld. Dat het eerste tienjarig tijdvak tot 1890 TREUB'S meest vrucht- bare tijd voor wetenschappelijk werk was, zal niemand verwon- deren, die slechts naast elkaar ziet het eerste ,,Verslag over de verrichtingen van 's Lands Plantentuin" door TREUB uitgebracht over 1 88 1 en het ,Jaarboek van het Departement van Land- bouw' 7 over 1908, het laatste onder TREUB'S leiding samenge- steld. Uit een eenvoudig verslag, nauwelijks 40 biz. groot, is een omvang rijk Jaarboek gegroeid, bijna twaalf maal zooveel bladzijden bevattend. Toen TREUB het ambt aanvaard had en kort na hem BURCK als Adjunct-directeur was opgetreden, was in de eerste plaats 2OI 'S LANDS PLANTENTUIN NA 1850. verbeteren en vernieuwen hun werk. De bibliotheek werd ge- catalogiseerd, waardoor ze natuurlijk sterk aan bruikbaarheid won ; het herbarium werd geheel herzien en verzorgd. Met ruiling en toezending van herbarium- en spiritusmateriaal aan Europeesche geleerden werd terstond een aanvang gemaakt; terwijl BURCK reeds in de eerste jaren een belangrijke studie- reis naar de Padangsche Bovenlanden ondernam, met de bestudeering van getah-pertjah-leverende boomsoorten als doel. Spoedig (1883) moest TREUB ook de hulp van zijn uitnemenden hortulanus, SIMON BINNENDIJK, missen, in wiens plaats de assistent- hortulanus H. J. WIGMAN gesteld werd, de eenige nog levende, die de gansche ontwikkeling van 's Lands Plantentuin mede- gemaakt heeft. Hoezeer het verwijt, aan TREUB wel eens gemaakt, dat hij de belangen van den practischen landbouw te zeer uit het oog verloor, onverdiend is, blijkt wel uit het feit, dat hij reeds in 1884 een nieuwe geregelde publicatie begon naast de Annales van streng wetenschappelijk karakter, uitsluitend terwille van den landbouw. Het eerste nummer dezer nieuwe uitgave : ,,Mededeelingen uit 's Lands Plantentuin", bevat de resultaten van BURCK'S studiereis ten opzichte der getah-pertjah-soorten ; van hoe gezonde natuur deze uitgave was, toont ons het aantal dier mededeelingen, dat thans ongeveer een honderdtal bedraagt. In den ,, winter" van 1883 1884 (de uitdrukking is van TREUB ') werd aan 's Lands Plantentuin een bezoek gebracht door graaf VON SOLMS LAUBACH, hoogleeraar te Gottingen, een bezoek van beteekenis, als eerste in een reeks van weten- schappelijke reizen, door Europeesche geleerden ondernomen uitsluitend met het doel op Java en vooral in 's Lands Planten- J ) M. TREUB, 1898. Notice sur 1'etat actuel de FInstitut, (Bull, de 1'Inst. de bot. Buit. N. I, 1898. 40 pp.). p. 2. 2O2 'S LANDS PLANTENTUIN NA 1850. tuin onderzoekingen te doen. Graaf SOLMS schreef over zijn reis een waardeerend artikel in de Botanische Zeitung (Nov. en Dec. 1884), een artikel, dat er ongetwijfeld krachtig toe bijgedragen heeft, Buitenzorg's tuin en zijn wetenschappelijke beteekenis bekend te maken, en bij menig Europeesch geleerde het verlangen naar een reis naar Java zal hebben gewekt. Weer was het TREUB'S doorzicht, waaraan in het begin van 1885 de totstandkoming van Buitenzorg's vreemdelingenlaboratorium te danken is, uitsluitend bestemd voor tijdelijke bezoekers. ,,Het bezoek van buitenlandsche natuuronderzoekers aan ons station, zal niet alleen dienstig zijn om den goeden naam van 's Lands Plantentuin te helpen ophouden ; ook onze ,,Annales" kunnen, bij vervvezenlijking mijner verwachtingen, menige belangrijke bijdrage tot de kennis en de levensgeschiedenis van tropische planten, van de hand van bekwame mannen, tegemoet zien" '). In het buitenland werd dit feit zeer gewaardeerd; een in 1892 bij het 75-jarig bestaan van den Plantentuin door GOEBEL, HABERLANDT, KARSTEN, SCHIMPER, SELENKA, SOLMS LAUBACH, STAHL, STRUBELL, TSCHIRCH en WARBURG geteekende oorkonde, geeft er schitterend getuigenis van : ,,Aus kleinen Anfangen, sich miihsam emporarbeitend hat er in diesem Zeitraum eine mehr und mehr wachsende Bedeutuncr fur die Wissenschaft o erlangt und steht jetzt als ein leuchtendes Vorbild da fur ahn- liche wissenschaftliche Anstalten der Tropenwelt". En dat hun wensch : ,,Moge der weitschauende Geist der Liberalitat unter dessen Schutze allein ein reiches wissenschaftliches Leben sich zu entfalten vermag, stets dort einheimisch bleiben zu Nutz und Frommen der Volker vereinenden Wissenschaft", dat deze wensch zoo volkomen in vervulling gegaan is, dat is TREUB'S werk. Zie TREUB'S Verslag over den staat van 's Lands Plantentuin over 1884. p. 12. 20^ 'S LANDS PLANTENTUIN NA 1850. Kenmerkend voor TREUB'S ruime opvattingen is het, dat in dit vreemdelingenlaboratorium niet angstvallig alleen botanisch onderzoek werd verricht, maar dat ook zob'logen, als HAECKEL, SELENKA, SEMON en MAX WEBER er een werkplaats vonden. HABERLANDT'S ,,Botanische Tropenreise" ') en MASSART'S ,,Un Botaniste en Malaisie" 2 ) brengen grooten lof aan Buitenzorg's instelling en haar beheerder. Maar TREUB begreep, dat voor een Europeesch botanicus een reis naar het verre Oosten vaak om fmantieele redenen onbereikbaar zal zijn en hij wist weer het middel te vinden, hieraan tegemoet te komen. Tijdens zijn eerste verlof wegens ziekte (TREUB is drie maal een jaar in Europa geweest: 1887 '88, 1895 '96 en 1902 '03) wist hij van particulieren een som van f 15.000, bijeen te krijgen, die als ,,Buitenzorg-fonds" aan de Koninklijke Academic van Wetenschappen te Amsterdam in beheer is overgedragen. Een rijkssubsidie van /7OO, jaarlijks maakt het mogelijk, dat vanwege het Buitenzorgfonds eenmaal in de twee jaar een botanicus kan uitgezonden worden, om vier maanden lang in den Plantentuin onderzoekingren te doen. Reeds dertien keer is zoodoende aan o een plantkundige een reis naar den Hortus Bogoriensis mogelijk gemaakt. Andere landen volgden dit voorbeeld : thans bestaan in Duitschland, Rusland, Zwitserland, Oostenrijk en Belgie studie- beurzen voor hen, die in Buitenzorg willen gaan werken. Is het te verwonderen, dat de ,,Annales" door de talrijke bijdragen dier geleerden zijn geworden tot het meest belangrijke bota- nische tijdschrift der tropenr En bovendien hebben de opvattingen in de plantkunde een grondige herziening ondergaan. ,,Er wordt thans wel degelijk rekening mee gehouden, dat de meest vol- maakte ontwikkeling van het plantenleven alleen in de landen J ) G. HABERLANDT 1893. Eine botanische Tropenreise. Indomala'ische Vege- tationsbilder und Reiseskizzen. Leipzig, 1893. 2 ) J. MASSART, 1895. Un Botaniste en Malaisie. Gent, 1895. 204 'S LANDS PLANTENTUIN NA 1850. bij den Evenaar gevonden wordt; de plantkunde is van een wetenschap, die zich beperkte tot Midden-Europa en de Ver- eenigde Staten van Noord-Amerika, tot een wereldwetenschap geworden" '). TREUB'S Europeesch verlof van 1887 had, behalve de stichting van het Buitenzorg-fonds nog een ander gunstig resultaat voor 's Lands Plantentuin ; op initiatief van den Utrechtschen Hoog- leeraar WEFERS BETTINK besloot TREUB pogingen te doen, een militair apotheker aan den tuin te verbinden, teneinde een onderzoek te beginnen naar de scheikundige eigenschappen van Indische nuttige planten. Dat zulk een studie resultaten zou opleveren, was te verwachten na de onderzoekingen van den apotheker J. F. EYKMAN, thans hoogleeraar te Groningen, die als hoogleeraar der universiteit Tokyo drie maanden in Buitenzorg werkte. Het was een zeer gelukkige omstandigheid, dat juist in dien tijd een begaafd Jong militair-apotheker, Dr. M. GRESHOFF, van wien zijn leermeester Prof. WEFERS BETTINK getuigde, dat hij ,,bij zijne opleiding te Utrecht blijken gaf van meer dan gewonen ijver en van aanleg tot het doen van zelfstandige onderzoekingen", naar Indie vertrok. Want GRESHOFF'S werk is niet zoozeer door zijn arbeid in Indie zelf vruchtdragend geweest (hij was door ziekte genoodzaakt na ruim 4 jaar Indie te verlaten), maar doordat hij in dien korten tijd voor Indie liefde heeft opgevat, en hij, in Europa terug- gekeerd, eerst als chemicus, daarna als onder-directeur en na VAN EEDENS dood (1901) als directeur de belangen van het Koloniaal Museum zoo warm heeft verdedigd. Van groot belang voor den Plantentuin was het jaar 1890: allereerst had TREUB van de depressie in de suikercultuur en het steeds meer optreden der sereh-ziekte gebruik gemaakt, om J ) F. A. F. C. WENT. 1911. MELCHIOR TREUD. (Mann, en Vrouw. v. beteek. XLI. afl. 9). p. 21. ~ 205 's LANDS I'LANTENTUIN NA 1850. van de Regeering de aanstelling van twee nieuvve ambtenaren te verkrijgen, nl. een plantkundige, belast met het onderzoek naar de levensvoorwaarden en de ziekten der cultuurplanten en een scheikundige, wien landbouwscheikundig onderzoek en het beheer van den cultuurtuin te Tjikeumeuh werd opgedragen. Als plantkundige werd benoemd Dr. J. M. JANSE, als scheikundige Dr. P. VAN ROMBURGH. Nu was de mogelijkheid geschapen voor bijzondere practische vragen langs wetenschappelijken weg een oplossing te zoeken ; thans konden alle aan de Regeering uit- gebrachte adviezen op wetenschappelijk onderzoek gebouwd worden. De aanstelling van deze beide onderzoekers was voor TREUB aanleiding, het geheele beheer van 's Lands Plantentuin te reorganiseeren ; terwijl hij een nieuw werkreglement ontwierp, vverden zes afdeelingen gevormd, ieder onder een afzonderlijken chef. De eerste dier afdeelingen, omvattend herbarium en museum, werd onder het beheer van den Adjunct-Directeur Dr. BURCK gesteld; de tweede, de botanische laboratoria met inbegrip van het vreemdelingenlaboratorium, onder leiding van den plantkundige Dr. JANSE; de derde, waartoe cultuurtuin en landbouwscheikundior laboratorium behoorden, onder Dr. VAN o ROMBURGH ; van de vierde, het pharmacologisch laboratorium, werd Dr. GRESHOFF afdeelingschef; de vijfde, plantentuin en bergtuin, bleef hortulanus WIGMAN beheeren, terwijl Dr. TREUB zelf de leiding van de zesde afdeeling: bureau, bibliotheek en photographisch atelier behield. Voorts verkreeg 's Lands Plantentuin in datzelfde zegenrijke jaar 1890 een belangrijke uitbreiding; het plaatsgebrek, reeds sedert lang een bron van groote moeilijkheden, was zoo nijpend geworden, dat de regeering wel moest toegeven. Een stuk grond tusschen de beide armen der Tjiliwong, ter grootte van ruim elf hectaren werd bij den tuin gevoegd; o.a. werd hierdoor 206 ? S LANDS PLANTENTUIN NA 1850. ook een veel betere verzorging van waterplanten bereikt. Van grooter belang nog was de toevoeging van 283 hectaren oerwoud aan den bergtuin te Tjibodas ; TREUB wist van de regeering de toezegging te verkrijgen, dat dit stuk bosch reikend tot aan den Gedeh-krater, onaangetast zou blijven. En om van bergtuin en oerwoud zooveel mogelijk profijt te kunnen trekken, wilde TREUB er een klein eenvoudig gebouwtje stichten, waar bezoekers zouden kunnen werken en overnachten. Maar hiermee was de regeering het niet eens : herhaaldelijk had TREUB zijn plannen verdedigd en zijn bescheiden wenschen medegedeeld, maar de ambtenaarswereld beschouwde een der- gelijke uitgave als luxe. Totdat bij TREUB de diplomaat weer te hulp kwam, en hij aan de regeering verzocht hem de deuren en vensters en afbraakresten van het te Tjipannas (een uur gaans van Tjibodas) gesloopt wordend buitenverblijf van den G.-G. af te staan en hem te vergunnen, met hulp van den te Tjipannas aanwezigen ingenieur en het werkvolk, zijn labora- torium te stichten. Zoo is het kleine, in de geheele botanische wereld roemrijk bekende gebouwtje met zijn werkzaal, zijn vier slaapkamers en zijn keuken, tot stand gekomen (1891). Als laatste aanwinst voor 1890 valt nog te vermelden de oprichting van het half-officieele tijdschrift ,,Teysmannia", waarvan hortulanus WIGMAN de redactie voerde en waaraan TREUB steun verleende, o.a. door telkens de ,,Korte berichten, uitgaande van den Directeur van 's Lands Plantentuin" ter opname af te staan. Het jubeljaar 1892, waarin op eenvoudige wijze het 75-jarig bestaan der bloeiende inrichting werd herdacht, was weer een jaar van uitbreiding; het onderzoek der boomflora, door den houtvester KOORDERS in dienst van het boschwezen begonnen, en waarbij van den aanleg der noodzakelijke paden in Tjibodas' oerwoud een dankbaar gebruik gemaakt werd voor het ver- 207 'S LANDS PLANTENTUIN NA 1850. zamelen van materiaal, werd bij 's Lands Plantentuin onder- gebracht. KOORDERS werd daartoe bij den plantentuin gedeta- cheerd, terwijl hem een plantkundige, Dr. VALETON, werd toe- gevoegd voor de bewerking der wetenschappelijke resultaten. De ,,Bijdragen tot de kennis der boomsoorten op Java" van KOORDERS en VALETON ') toonen de vruchten van dezen uiterst belangrijken arbeid, terwijl de mikroskopische bouw dier hout- soorten in het Botanisch Laboratorium te Groningen bewerkt wordt door H. H. JANSSONIUS 2 ). Later (1894) werd het labora- torium voor boomflora als zevende bij de andere afdeelingen gevoegd en KOORDERS tot afdeelingschef benoemd. Van groote beteekenis voor den Plantentuin waren nog de jaren 1897 en 1898. Een nieuw bibliotheekgebouw, een ge- schenk van vrienden uit Holland, die aan TREUB voor dat doel een som van f 18,000 aanboden, werd opgericht; de ,,Koninklijke Natuurkundige Vereeniging" te Batavia besloot tegelijkertijd haar bibliotheek van ongeveer 16000 deelen naar Buitenzorg over te brengen, waar ze in het nieuwe gebouw een gastvrije ontvangst vond. En daarnaast beginnen in deze jaren drie periodieke Buiten- zorgsche uitgaven him leven : de Icones Bogorienses, bezorgd door BOERLAGE, KOORDERS en VALETON, later ook door SMITH, het ,,Bulletin de 1'Institut Botanique de Buitenzorg", waarvan TREUB als eerste nummer een ,,Notice sur 1'etat actuel de 1'Institut" laat verschijnen met alle noodige inlichtingen voor komende bezoekers en een ,,Flore de Buitenzorg", een hulp- middel, uit den aard der zaak nog zeer onvolledig, voor vlugge ') S. H. KOORDERS en TH. VALETON, 18941914. Bijdragen tot de kennis der boomsoorten op Java, 1 13. (Med. 's Lands Plantentuin, XI, XIV, XVI, XVII, XXXIII, XL, XLII, LIX, LXI, LXVIII. Med. Dept. v. Landb. N. 2. 10, 18). 2 ) H. H. JANSSONIUS, 1906-19... Mikrographie des Holzes der auf Java vorkommenden Baumarten. Unter Leitung von J. W. MOLL. Leiden, 1906. Band I III (nog onvoltooid). 208 'S LANDS PLANTENTUIN NA 1850. orientatie in den plantengroei, vooral aan Buitenzorg's omgeving. Tot zoover was de geheele uitbreiding van 's Lands Planten- tuin van streng-wetenschappelijken aard, al waren er reeds enkele teekenen, die er op wezen, hoe de ontwikkelingsrichting meer en meer landbouwkundig, dus toegepast wetenschappelijk werd. Reeds tijdens TREUB'S eerste verlof had BURCK aan den steeds toenemenden drang der praktijk-vraagstukken geen weer- stand kunnen bieden, en had zich op landbouwkundig-botanische onderzoekingen toegelegd; de personeelsuitbreiding van 1890 was een tweede stap in die richting en wat er na de stichting van het herbarium voor de boomflora nog aan 's Lands Planten- tuin werd toegevoegd: de afdeelingen voor Deli-tabak, voor koffiecultuur, voor landbouwzoologie, voor thee, voor geologisch en bacteriologisch grondonderzoek, voor landbouw- en handels- analyses, al deze inrichtingen waren door eischen der praktijk in het leven geroepen. De kern van 's Lands Plantentuin verdween langzamerhand o in de jaren 1892 tot 1905 in een omhulling van laboratoria voor landbouwkundig werk; in 1905 kreeg de zoodoende enorm uitgebreide instelling haar officieele herdooping in ,,Departement van Landbouw". Toch had de krachtige, door TREUB doorge- voerde, centralisatie van landbouw-proefstations haar groote nadeelen : de meeste cultures waren te ver van Buitenzorg ver- wijderd, zoodat de onderzoekers te veel het verband met de practische toepassing van hun werk misten. Uit de eenvoudige instelling, door TREUB in 1880 aange- troffen, heeft zich door zijn initiatief en zijn ruime opvattingen een instituut ontwikkeld, waarop ons land trotsch mag zijn. TREUB zelf zegt zoo juist in de redevoering, door hem gehouden bij de herdenking van het 75-jarig bestaan van 's Lands Planten- tuin: ,,In de werken des vredes ligt de kracht en spruit het aanzien voort van kleine volkeren. En waar deze, zooals bij 209 'S LANDS PLANTENTUIN NA 1850. ons het geval is, tevens heerschers zijn over eene groote en schoone kolonie, daar voegt zich bij die overweging nog eene andere, en wel: ,,royaute oblige"' 1 ). Landbouwbevordering is een veel beteekenende roeping van 's Lands Plantentuin geweest ; thans, nu de technische afdeelingen van het Departement van Landbouw en de proef- stations deze grootsche taak hebben op zich genomen, moge het oorspronkelijk werk in den herstelden zelfstandigen Plan- tentuin, het wetenschappelijk-botanisch onderzoek van onze kolonien, de verdieping der plantkundige wetenschap door erkenning van de waarde van onderzoekswerk in de tropen> het ideaal waaraan TREUB zich steeds meer heeft moeten ont- trekken, weer opbloeien tot voorbeeld van dingen, waarin ,,ook een klein land groot kan zijn". Een overzicht van de resultaten in deze dertig jaren onder TREUB'S bestuur bereikt, zou of te oppervlakkig of te omvangrijk worden; slechts enkele onderwerpen uit de door TREUB, zijn staf en zijn gasten gepubliceerde verhandelingen kunnen hier genoemd worden. De mooie onderzoekingen van TREUB zelf zijn reeds kort vermeld. Dat systematische onderzoekingen over Indische planten evengoed in Europa gebeuren kunnen, mits maar voldoende en goedbewaard herbariummateriaal ter beschikking staat, bewezen de mooie studies van MIQUEL ; evenzoo getuigen hiervoor de nauwkeurige bestudeering door DOZY en MOLKENBOER van de Javaansche mosflora 2 ), door VAN DEN BOSCH van de Javaansche J ) M. TREUB, 1892. De beteekenis van tropische botanische tuinen. Rede- voering, gehouden op 18 Mei 1892. Batavia, 1892. p. 28. 2 ) F. DOZY et J. H. MOLKENBOER, 1844. Musci frondosi ex Archipelago Indico et Japonia. (Ann. Sc. nat. 3 e Serie. Tom. II. Botanique. p. 279). F. Dozy et J. H. MOLKENBOKR, 1844. Muscorum frondosorum novae species ex Archipelago Indico et Japonia. (Leiden, 1844). F. DOZY et J. H. MOLKENBOER, 18451848. Musci frondosi inediti Archipelagi 2 IO 'S LANDS PLANTENTUIN NA 1850. Hymenophyllaceae (een groep der varens) '), door v. D. SANDE LACOSTE van de Javaansche levermossen 2 ), en bo venal van BOERLAGE, die na een korte studiereis naar Indie (14 April- 4 Aug. 1888) als conservator van 's Rijks Herbarium te Leiden, een ,,Handleidino; tot de kennis der Flora van Nederlandsch- ^> Indie" 3 ) bewerkte. In 1892, na BURCK'S benoeming tot weten- schappelijk adviseur der koffiecultuur, had TREUB tevergeefs gepoogd Dr. J. G. BOERLAGE tot vertrek naar Buitenzorg over te halen. Later, na TREUB'S tvveede verlof (1896) zien we ook BOERLAGE naar Buitenzorg komen om de reeds lang vacante plaats van chef der ie afdeeling te vervullen, een werkkring, waaraan BOERLAGE zich met geheel zijn persoonlijkheid gaf, maar waaraan hij in 1899 op den terugkeer van een studiereis naar de Molukken, door den dood ontrukt werd. Tijdens zijn verblijf in Indie heeft BOERLAGE hard gewerkt, o. a. was hij een der leiders van de nieuwe Buitenzorgsche uitgave : ,,Icones Bogorienses". In Indie zelf was het Herbarium met zijn vier afdeelingen : Herbarium generate, Herbarium horti, Herbarium laboratorii en Herbarium Bogoriense, en het Museum voor systematische Indici, sive Descriptio et adumbratio Aluscorum frondosorum in insulis Java, Borneo, Sumatra, Celebes, Amboina nee non in Japonia nuper detectorum. (Leiden, 18451X48). F. Dozv et J. H. MOLKENBOER, 18551870. Bryologia Javanica sen descriptio Muscorum Frondosorum Archipelagi Indici iconibus illustrata, post mortem auctorum edentibus R. B. v. D BOSCH et C. M. v. D. SANDE LACOSTE. Amster- dam, 18551870. 2 VOl. ') R. B v. D. BOSCH, 1861. Hymenophyllaceae Javanicae, sive descriptio Hyme- nophyllacearum Archipelagi Indici. (Amsterdam, 1861. Verh. K. A. v. VV. Amst. IX). 2 ) C. M. v. D. SANDE LACOSTE, 1856. Synopsis Hepaticarum Javanicarum, adjectis quibusdam speciebus Hepaticarum novis extra-javanicis. (Amsterdam, 1856. Verh. K. A. v. VV. Amst. V). 3) J. G. BOERLAGE, 1890 1900. Handleiding tot de kennis der Flora van Nederlandsch-Indie, I, II en III. i e stuk, (niet verder verschenen. Leiden, 1890 1900). 211 'S LANDS I'LANTENTUIN NA 1850. botanic, na BoERLAGE'sdood onder leiding van Dr. Tn. VALETON SR., de werkplaats der systematic! ; mooi werk werd hier geleverd door VALETON zelf, door zijn conservatoren Dr. J. J. SMITH JR., C. A. BACKER, C. W. R. K. v. ALDERVVERELT v. ROSENBURGH en door den houtvester Dr. S. H. KOORDERS en door ,,vrijwilligers", zooals Mevr. Dr. A. WEBER VAN BOSSE over de algenflora. Dank zij het uitvoerig floristisch onderzoek, is zoodoende de kennis van den plantengroei van Indie's eilanden een vrij diepe en goed gegrondveste wetenschap geworden, een vak van onderzoek, dat niet alleen om de bereikte resultaten op zichzelf van belang is, maar dat de onmisbare basis is, waarop een andere, niet minder aantrekkelijke, studierichting steunt. Dat is de plantengeographie van Ned. Indie. Als resultaat van zijn studien over de flora's van Nieuw- Guinea en Celebes kwam WARBURG x ) tot de conclusie, dat de ,,lijn van WALLACE" in ieder geval, voor zoover de flora betreft, alle geldigheid mist, dat weliswaar Celebes een zeer rijke endemische flora bezit, maar dat de plantengroei van dit eiland, evenals die van Nieuw-Guinea en tusschenliggende eilanden, een onmiskenbare overeenkomst vertoont met dien van den Indischen Archipel. De Indische eilanden zouden met Nieuw- Guinea 96 % der niet endemische soorten gemeen hebben ; Australie daarentegen slechts 38 %. Door uitvoerige bestudee- ring van het door de ELBERT-expeditie 2 ) meegebrachte floristische materiaal, is HALLIER 3 ) nog kort geleden tot dezelfde uitspraak *) O. WARBURG, 1891. Flora des Monsungebietes. Verb. Gesellsch. deutsch. Naturf. u. Aerzte, 1891. O. WARBURG, 1891. Beitrage zur Kenntniss der papuanischen Flora. Botan. Jahrb. her. v. ENGLER, 1891. XIII. p. 230455. *) Zie p. 181. 3) H. HALLIER, 1912. Die Zusammensetzung und Herkunft der Pflanzendecke Indonesiens. (In: J. ELBERT. Die Sunda-Expedition des Ver. Geogr. u. Stat. II. Frankf. a. M., 1912. p. 275302). 212 'S LANDS PLANTENTUIN NA 1850. gekomen. Toch kunnen wij ook deze zeer voorzichtig gestelde beschouwingren niet zonder eenio; voorbehoud aanvaarden : de o o floristische kennis derbuitenbezittingen, vooral van Nieuw Guinea, is nog dermate in haar beginperiode, dat iederen dag belangrijke nieuwe ontdekkingen verwacht kunnen worden, waardoor schijn- baar vaststaande theorieen misschien alien steun verliezen. En bovendien mogen dergelijke verstrekkende conclusies eigenlijk niet getrokken worden voordat van de geschiedkundige planten- geographie, de studie der plantenfossielen, meer bekend is. Een meer speciaal, maar daardoor ve.el verder uitgewerkt en minder hypothetisch phytogeographisch onderzoek is dat van SCHIMPER ') over de belangwekkende strandflora der Indische eilanden. Onze Archipel met zijn naar verhouding zeer uitge- strekte kustlengte, bood hem daartoe een zeldzaam studieterrein. Op het voetspoor van JUNGHUHN onderscheidcle SCHIMPER in de Indische strandbegroeiing een viertal verschillende formaties : de Mangrove-formatie, de eigenaardige grootendeels uit Mangrove's bestaande plantengroei van den vloedgordel, de strook land, die bij vloed door de zee bedekt wordt en bij eb droog loopt, aan welke formatie ook KARSTEN 2 ) een keurige monografie gewijd heeft, de Nipa-formatie in minder zouthoudende moeras- sen nabij de zee, die slechts door de hoogste vloeden bereikt werden, voornamelijk gekenmerkt door het voorkomen van Nipa, de Barringtonia-formatie, een boschgroei vlak boven de branding aan steile rotsachtige kusten, waarin vooral Barring- tonia-soorten overwegend zijn, en de Pescaprae-formatie, een armoedige flora bijna zonder boomen, ongeveer te vergelijken met onze duinflora. Ook op het gebied der plantenoecologie, A. F. W. SCHIMPER, 1891. Botanische Mitteilungen aus den Tropen, III. Die Indo-Malayische Strandflora. Jena, 1891. 2 ) G. KARSTEN, 1891. Ueber die Mangrove-Vegetat'on im Malayischen Ar- chipel. (Bibliotheca botanica, Heft 22). 213 'S LANDS PLANTENTUIN NA 1850. de studie der betrekkingen tusschen planten en hun omgeving, leverde het werk van SCHIMPER mooie resultaten op ; de eigen- aardige ,,halophytische" bouw der strandplanten toont groote overeenkomst met die van woestijnplanten, een inrichting die volgens SCHIMPER haar oorzaak vindt in het hooge zoutgehalte van het water, waarover de wortels beschikken en die voor- namelijk beperking der verdamping ten doel heeft. De eerste bezoeker van 's Lands Plantentuin, de Gottingsche hoogleeraar H. GRAF zu SOLMS-LAUBACH, die van October 1883 tot Maart 1884 in Buitenzorg vertoefde, verrichtte hier mooie onderzoekingen x ) over bouw en ontwikkeling van een paar belangwekkende plantensoorten : Psilotum flaccidum en trique- trum, in vele opzichten een overgangsvorm tusschen recente Lycopodiaceae en fossiele Sphenophyllaceae. Verder moeten zijn mycologische studien en zijn werk over bloemenbiologie en geslachtsdifferentiatie bij vijgen en over den oorsprong der meloenboom, Carica Papaya, vermeld worden. De ,,Morpho- logische und Biologische Studien" van GOEBEL, evenals zijn ,,Pflanzenbiologische Schilderungen" bevatten ook grootendeels waarnemingen, door den schrijver tijdens zijn verblijf in Buiten- zorg gedaan (November 1885 Maart 1886); de Annales waren ook nu het tijdschrift, waarin zijn resultaten, vooral in het begin, gepubliceerd werden. Van BURCK'S verhandelingen is vooral van beteekenis die over de kleistogamie in verband met de wet van KNIGHT-DARWIN, waarin de schrijver het voordeel van kruisbestuiving voor het behoud eener soort boven zelf bestuiving ontkent op grond van het zeer verspreid voorkomende ver- schijnsel van kleistogamie, d. w. z. zaadvorming in bloemen, die nooit opengaan en dus gedwongen zijn hun eigen stuifmeel te gebruiken; verder die over myrmecophilie, het voorkomen van mieren in en op planten, waarin langen tijd een doelmatige *) Zie voor de titels der verhandelingen v66r 1892:}. M. JANSE, 1892. 214 * , _ ' '- V '-?; "''. V ' '- y - ;*'~ ? D I- Z LJ H z < Q. W Q Z tr o < o: o m m D UJ o: i- f- u i 'S LANDS PLANTENTUIN NA 1850. inrichting, een geval van mutualisme, gezien werd. Uit BURCK'S onderzoekingen bleek er werkelijk een soort wederkeerig dienst- betoon te bestaan; het oorspronkelijke, historische voorbeeld van myrmecophilie, dat van Myrmecodia echinata, waarvan de knollen door mieren doorboord en bewoond zouden worden, verloor door TREUB'S onderzoek zijn geldigheid. GRESHOFF'S alcalo'id-onderzoekingen zijn van meer chemischen aard; zijn ontdekking van cyaanwaterstof in de blaren van Pangium edule is echter van verstrekkende gevolgen geweest J ). Ten slotte mogen nog vermeld worden de algenstudien van KARSTEN, het biolooqsch werk van STAHL, teratologische onder- o o zoekingen van COSTERUS, pharmaceutische van TSCHIRCH, phy- siologische van WENT, embryologische van LOTSY, tervvijl een groot aantal verhandelingen van jongeren datum ongenoemd moeten blijven. Dank zij TREUB is het botanisch onderzoek in Buitenzorg niet meer in hoofdzaak floristisch en is 's Lands Plantentuin de werkplaats geworden van talrijke onderzoekers, die alien daar voor hun speciale studievak gelegenheid tot arbeid vonden. TREUB moge in een oogenblik van ontstemming zich de woorden : ,,Nul n'est prophete dans son propre pays" hebben laten ont- vallen, wij alien, die na hem komen, weten, dat dit op hem geen betrekking had, en hij zelf heeft gelukkig ook nog de zooveel mooiere waarheid leeren kennen. Wij weten, dat er in Buitenzorg een propheet geleefd heeft, baanbreker voor steeds dieper wordende studie der tropische natuur, vooruit- ziende de groote beteekenis in het leven onzer natie en in de ontwikkeling der botanische wetenschap voor 's Lands Plantentuin weggelegd, en dat die propheet was MELCHIOR TREUB. Zijn geestkracht was het teeken, waarin het gansche jongere botanisch onderzoek van Oost-Indie stond. ') Zie p. 199. HOOFDSTUK VIII. De studie der dierenwereld na 1850. Faunistiek, de orienteeringsarbeid der zoologie, vond ook in dezen tijd in onze tropische bezittingen uitnemende vertegen- woordigers. In een vorig hoofdstuk leerden wij reeds de werk- zaamheid van den officier van gezondheid Dr. P. BLEEKER kennen, wiens zeer nauwkeurige ichthyologische studien de groep der visschen tot de best bekende der Indische fauna gemaakt hebben. BLEEKER'S groote kracht lag ongetwijfeld in zijn vermogen tot zelf beperking ; wel was de algemeene tropische fauna voor hem van een groote en steeds grooter wordende bekoring, maar hij begreep, wat velen voor hem, toen het gansche veld van onderzoek nog ontgonnen moest worden, niet hadden kunnen zien, dat het terrein voor een menschenleven veel te omvangrijk was ; dat thans, nu de geheele fauna in groote trekken bekend was, speciale studien over een afgesloten diergroep vereischt waren , dat nu een aanvang gemaakt moest worden met mono- graphischen arbeid. Reeds van het begin af aan heeft hij zich toegelegd op bestudeering van Indische visschen, en dank zij de ongeveer 500 verhandelingen van zijn hand is de vischfauna van Java thans goed bekend. Er heeft in wetenschappelijke 216 DE STUDIE DER DIERENWERELD NA 1850. kringen een mode geheerscht, laag neer te zien op systematisch- faunistischen arbeid, en deze mode is nog niet geheel verdwenen. En toch is deze mode een geheel onrechtvaardige. Men bedenke toch, hoe nauwkeurige soortbeschrijving een steunpilaar voor latere onderzoekingen zijn kan, hoe ook DARWIN door soort- beschrijving tot zijn ideeen gebracht vverd; zijn nauwkeurige systematische vormenstudien over de Cirrhipedien (Rankpooti- gen), het merkwaardige endemisme op de Galapagos-eilanden van een i3-tal vinkensoorten van het geslacht Geospiza, het waren alle belangrijke factoren in den ontvvikkelingsgang van DARWIN'S evolutie-idee. Maar aan den anderen kant mag de systematicus de waarde van zijn uitwendig-morphologische studien, die soms met inwendig anatomische gecombineerd worden, niet overschatten ; het verschil tusschen erfelijke en niet-erfelijke afwijkingen in lichaamsbouvv blijkt uit zijn werk niet; het probleem van het ontstaan der nieuvve vormen vermag zijn arbeid niet op te lossen. Eerst publiceerde BLEEKER zijn mededeelingen in zijn .,Archief", daarna vooral in de ,,Verhandelingen v. h. Bataviaasch Genootschap" en nog later werd het ,,Nat. Tijdschr. v. Ned. -Indie" het orgaan, dat zijn wetenschappelijke bijdragen een plaats ver- leende, zooals ook de ,,Verhandelingen der Koninklijke Natuur- kundige Vereeniging". Na zijn terugkeer in het Vaderland (1860) publiceerde hij vooral in de ,,Verslagen en Mededeelingen" en de ,,Verhandelingen" der Koninklijke Akademie van Weten- schappen te Amsterdam, in de ,,Natuurkundige Verhandelingen" van de Hollandsche Maatschappij van Wetenschappen te Haarlem, de ,, Archives Neerlandaises" dezer Maatschappij en het ,,Neder- Tijdschrift voor de Dierkunde" x ). In de eerste jaren van zijn verblijf in de tropen vatte hij het plan op, buiten zijn verspreide kleinere publicaties, ook een Zie P. BLEEKER, 1877. t. a. p. (p. 156 noot i). Bibliographic. 217 DE STUDIE DER DIERENWERELD NA 1850. ,, Atlas ichthyologique des Indes" samen te stellen, een groot plaatwerk met beschrijvingen van de Indische vischsoorten, en in 1845 wendde hij zich om steun tot de Indische Regeering: hij vroeg de beschikking over een teekenaar en de toestemming arak uit 's Rijks magazijn te mogen betrekken en bood daaren- tegen aan zijn geheele verzameling belangeloos aan het Leidsche museum af te staan, en tevens al zijn ichthyologische geschriften en platen aan het Gouvernement ter publicatie aan te bieden. Na herhaald aandringen wordt hem .... een gratificatie van f 500 toegekend, nog wel in twee termijnen te betalen. Een dergelijk antwoord is voor een wetenschappelijk onderzoeker een beleediging. Toen nu BLEEKER in 1850 het verzoek van TEMMINCK kreeg, voor het Leidsche museum te willen verzamelen, was het voor hem eenigszins moeilijk, hieraan te voldoen. Dank zij echter de meer verlichte geest van de Regeering en van den nieuwen Gouverneur-Generaal DUYMAER v. TWIST, werd hem nu alle steun verleend en kon hij groote verzamelingen naar Leiden zenden. Zijn ,, Atlas ichthyologique" heeft hij niet voltooid gezien. Van de particulieren, die na BLEEKER dergelijk dier- kundig werk verrichtten, is in de eerste plaats te vermelden Dr. A. G. VORDERMAN, wien het Natuurk. Tijdschr. tot 1902, het jaar van zijn overlijden, belangrijke ornithologische bijdragen dankt, de vrucht van het werk op zijn reizen als Inspecteur van den Burgerlijken Geneeskundigen Dienst ; verder Dr. O. MOHNIKE en Dr. B. HAGEN, twee Duitsche geneesheeren, die beiden Indische natuurstudie als lief hebberij hadden, en van wie vooral de laatste aan het Leidsche Museum en de door dit Museum uitgegeven ,,Notes" belangrijke bijdragen uit Deli zond ; voorts de vlinder- verzamelaar Mr. M. C. PIEPERS, de zoogdieronderzoeker Dr. J. H. F. KOHLBRUGGE en de beoefenaar der algemeene faunistiek, vooral van Krakatau en Simaloer, EDWARD JACOBSON. 218 DE STUDIE DER DIERENVVERELD NA 1850. De Natuurkundige Vereeniging had een Museum gesticht, een vooral in de tropen eenigszins gevaarlijk waagstuk. Maar door de goede zorgen van Dr. C. P. SLUITER, die toen naast een leeraarswerkkring aan de H. B. S. te Batavia, ook het conservatorschap van dit Museum waarnam, was het omstreeks 1885 een bloeiende van een Aquarium voorziene instelling, vvaar vooral van de zeefauna, die Dr. SLUITER'S bijzondere voorliefde had, een belangrijke verzameling aanwezig was. Zijn pogen om behalve het Museum ook een zoologisch station in Tandjong Priok te stichten, mislukte helaas door finantieele bezwaren. Maar al spoedig zou de bloeitijd van dit museum voorbij zijn : Dr. SLUITER vertrok in 1891 als lector naar Amsterdam, waar hij thans hoogleeraar is; zijn opvolger, Dr. J. F. VAN BEMMELEN bleef slechts korten tijd, en in 1901 waren museum en aquarium door de afwezigheid van een vakzooloog te Batavia, vervallen. Hoe intusschen in 's Lands Plantentuin, op TREUB'S initiatief, ook zoologisch onderzoek was ter hand genomen, een zoologisch museum en later een visscherij-laboratorium gesticht werden, terwijl tegenwoordig ook aan de proefstations practisch-zoblo- gische studies gemaakt worden, zullen we later zien. Het probleem der Indische Zob'logie bij uitnemendheid, het vraagstuk, voor welks oplossing alle zoologische onderzoekings- tochten waren ondernomen, was de aardrijkskundige verspreiding der diersoorten in onzen Archipel, de zoogeographie. Een opvallend verschil in fauna tusschen het westelijk en oostelijk deel van den Indischen Archipel, het eerst duidelijk aangetoond door SALOMON MULLER '), die ons in zijn groot werk over de zoogdierfauna van den Indischen Archipel op- merkzaam maakte op het feit, dat Celebes en Timor het ooste- lijke grensgebied van de echte Indische fauna vormden, en ') Zie hierboven. p. 121. 219 DE STUDIE DER DIERENWERELD NA 1850. tegelijk de meest vvestelijke verspreidingsstreken van Australische dieren '), werd door dezen onderzoeker later nader onderzocht en als studieonderwerp voor een historisch zeer belangrijke verhandeling 2 ) gekozen. Daarin vinden we een uitspraak, die voor tallooze latere zoogeographische geschriften een punt van uitgang geweest is : ,,Der indische Archipel zerfallt demnach in geographisch-naturhistorischer Hinsicht, der Lange nach in zwei Halften von ungleicher raumlicher Ausdehnung. Die westliche grossere Halfte umfasst die Inseln Borneo, Sumbavva, Java, Sumatra und die Halbinsel Malakka ; die ostliche Halfte nur Inseln des zweiten und dritten Ranges, namlich Celebes, Flores, Timor, Gilolo und etwa Mindanao in der ausseren Umgrenzung" 3 ). Daaruit is afgeleid, wat later als ,,lijn van MULLER" bekend zou worden : een scheidingslijn dwars door onzen Archipel, beginnend ten N. van Mindanao, door de Soeloe-eilanden en den straat van Makassar naar net Zuiden en dan tusschen Soembawa en Flores door. De oorzaken, die SALOMON MULLER voor de verklaring van dit verschijnsel meende te kunnen opgeven, zijn weliswaar vermoedelijk onjuist, maar volkomen begrijpelijk, indien we bedenken, dat in zijn tijd geheel andere opvattingen omtrent het ontstaan van dieren- en plantensoorten gehuldigd werden, dan thans. Hij zegt : ,,Da die ostlichen Inseln durchgangig kleiner von Umfang, niedriger in ihrer Bodenerhebung, im allgemeinen unfruchtbarer, daher selten mit grossen VValdungen prangend, und dabei viel unregelmassiger in ihren klimatischen Verhaltnissen sind, als SALOMON MULLER, 1839. Over de Zoogdieren van den Indischen Archipel. (Verhand. o. d. natuurl. gesch. der Nederl. Overz. Bezittingen. 18391844. Zoologie. i e stuk. p. 157). p. 9. 2 ) SALOMON MULLER, 1846. Ueber den Charakter der Thierwelt auf den Inseln des Indischen Archipel. (Archiv. f. Naturgeschichte, XII. p. 109128). 3) SALOMON MULLER, 1846. t. a. p. p. 109. 22O DE STUDIE DER DIERENWERELD NA 1850. die mit den grossten europaischen Konigrei chen in Ausdehnung wetteifernden westlichen, ist auf ersteren auch die Zahl der hauptsachlich von vegetabilischer Nahrung lebenden Thiere verhaltnissmassig nur gering" '). Geheel andere oorzaken, dan de door MULLER aangenomen physiolooqsche factoren, werden door W. EARLE 2 ) voor de ver- klaring der dierenverspreiding aangegeven : de geologische structuur der Indische eilanden, waaraan volgens hem Borneo, Sumatra en Java met Zuidoost-Azie door een groote bank ver- bonden waren, die misschien zelfs tot de Zuidwestelijke punt van Celebes reikte, terwijl aan den anderen kant Australie met Nieuw-Guinea en de Aroe-eilanden door een bank vereenigd waren. Het daartusschen liggende gebied zou dan door vul- kanische uitbarsting-en de merkwaardip--orrillio;e vormen orekreo;en o o o o o o hebben. EARLE'S groote verdienste ligt dus voornamelijk hierin dat hij de eerste was, die de beteekenis van geologische factoren voor de verspreiding der diersoorten over de aarde, begreep. Van MULLER'S lijn werd gebruik gemaakt door SCLATER (1858)3), die op grond van de verspreiding der vogels trachtte de geheele aarde in zes ,,regiones" te verdeelen; de lijn van MULLER vormde in zijn stelsel de grens tusschen het Indisch of Orientaalsch gebied, waartoe het westelijk gedeelte van den Archipel dus behoorde, en het Australische gebied, waartoe het oostelijk deel gerekend worden moest. SCLATER toont zich eenigszins sceptisch ten opzichte van de zuiverheid dezer grens ; vooral de fauna van Celebes geeft hem groote moeilijkheden. De in zijn tijd heerschende star-dogmatische opvattingen hadden J ) SALOMON MULLER, 1846. t. a. p. p. m. 2 ) W. EARLE, 1845. On the physical structure and arrangement of the islands of the Indian Archipelago. (Journ. Roy. Geogr. Soc. London, XV. p. 358365). 3) P. L. SCLATER, 1858. On the general geographical distribution of the members of the class Aves. (Journ. Linn. Soc. Zool. II. p. 130-145). 221 DE STUDIE DER DIERENWERELD NA 1850. natuurlijk tengevolge, dat SCLATER tot deze, voor ons eigen- aardige conclusie kvvam ') : ,,Biit I suppose few philosophical zoologists, who have paid attention to the general laws of the distribution of organic life, would now-a-days deny that, as a general rule, every species of animal must have been created within and over the geographic area, which it now occupies". De nieuwere meeningen over het ontstaan van soorten, die na 1859 begonnen veld te winnen en waarvan A. R. WALLACE zelf een der voorvechters was, deden de geologische theorie van EARLE meer tot haar recht komen, zoodat WALLACE dan ook veel scherper dan door EARLE geschied was, geologische factoren voor de verspreiding der soorten aansprakelijk stelde. Na zijn voorloopige verhandeling uit het jaar 1859 2 ), werkte hij zijn theorie voornamelijk uit in zijn ,,Malay Archipelago" (1864)3). Daaruit is voortgekomen, wat gedurende langen tijd in de zoologische litteratuur als ,,lijn van WALLACE" zou bekend zijn, een scheidingslijn, die met de lijn van MULLER in zooverre overeenstemt, dat ze Borneo en Celebes scheidt, maar in het Noorden en Zuiden aanmerkelijk verschilt: waar de lijn van MULLER Hep ten Noorden van Mindanao, ligt de lijn van WALLACE tusschen Mindanao en de Sangi- en Talaut-eilanden, terwijl in het Zuiden MULLER de schejding nam tusschen Soem- bawa en Flores, WALLACE echter tusschen Bali en Lombok. De dierenwereld van deze beide eilanden zou dan meer verschil vertoonen, dan die van Japan en Engeland. Voortbouwend op EARLE'S meening, nam WALLACE ter verklaring aan de vroegere aanwezigheid van een landverbinding tusschen het Indische J ) P. L. SCLATER, 1858. t. a. p. p. 131. 2 ) A. R. WALLACE, 1859. On the zoological Geography of the Malay Archi- pelago. (Journ. Linn. Soc. Zob'l. IV. p. 172 - 184). 3) A. R. WALLACE, 1864. t. a. p. 222 DE STUDIE DER DIERENWERELD NA 1850. vasteland en de westelijke Archipelhelft, terwijl het oostelijk gedeelte met Australia een groot continent gevormd zou hebben. Verspreiding door zeestroomingen zou de afwijkingen veroor- zaakt hebben; mogelijk waren ook de uitzonderingsgevallen relicten van een nog oudere fauna, die ten tijde van een land- verbinding tusschen Australie en Azie geleefd had. Ook WALLACE gevoelde de grootste moeilijkheden in de fauna van Celebes ; van zijn oorspronkelijke meening, dat Celebes tot het Austra- lische Continent zou behoord hebben, is hij nooit geheel terug- gekomen, al meent hij wel later dit merkwaardige eiland als een abnormaal eiland te kunnen karakteriseeren J ). Zooals echter vanzelf spreekt, is WALLACE'S meening gedurende de meer dan dertig jaren, die hij aan de Zoogeographie van Nederlandsch-Indie werkte, vaak veranderd, telkens rekening houdend met nieuw ontdekte feiten. Een overzicht hiervan vinden we in het schitterend werk van P. en F. SARASIN 2 ), die de gedachtenontwikkeling van WALLACE zeer kenmerkend als volgt samenvatten : ,,Man kann somit sagen, dass sich durch die sammtlichen, spateren WALLACE'schen Schriften zwei sich widersprechende Gedankengange hindurchziehen, einmal das Suchen nach einer wirklichen Grenze einer australischen und einer orientalischen Region und das Festhalten an seiner Linie als einer solchen, anderseits die Erkenntniss, dass Celebes in keine der beiden Regionen eingereiht werden kann oder mit anderen Worten, dass die Regionen keine Grenzen haben" 3 ). Deze laatste opvatting, die bij WALLACE slechts zoo nu en J ) A. R. WALLACE, 1876. The geographical distribution of animals. (London, 1876). vol. II. p. 177- 2 ) P. und F. SARASIN, 1901. Materialien zur Naturgeschichte der Insel Celebes III. Ueber die geologische Geschichte der Insel Celebes auf Grund der Thierverbreitung. (Wiesbaden, 1901). 3) P. und F. SARASIN, 1901. t. a. p. p. 148. 223 DE STL'DIE DER DIERENWERELD NA 1850. dan om den hoek komt kijken, is reeds vroeg verdedigd door ED. VON MARTENS'), die in 1867 tot de conclusie kwam: ,,So mochte ich denn hier so wenig wie anderwarts eine bestimmte Grenze ziehen, sondern nur im allgemeinen eine westliche und eine ostliche Halfte, und einen allmahlichen Uebergang einer Fauna in die andere annehmen" 2 ). Bijzonder scherp definieert VON MARTENS dan zijn standpunt in 1889: ,,Fast jede Thier- gattung ergiebt wieder eine andere Grenze, eine scharfe Ge- sammtgrenze existiert in der Natur auch hier nicht" 3 ). Bij deze beschouwingen van VON MARTENS, die zijn meening vooral op de bestudeering van land- en zoetwatermollusken baseert, sluit zich in 1894 MAX WEBER 4 ) aan, die in de bewerking van de door hemzelf bijeengebrachte verzameling van zoet- watervisschen gelegenheid vindt, uitvoerige zoogeographische beschouwingen te geven. Ook hij komt sterk op tegen het schematische karakter van de ,,lijn van WALLACE" ; een alge- meen geldende grenslijn is niet te trekken; ieder genus, j a eigenlijk iedere soort heeft zijn eigen grenslijn, zoodat we tusschen beide oorspronkelijke regiones een uitgestrekt over- gangs- of menggebied vinden. Een uiteenzetting van de bereikte resultaten op zoogeo- graphisch gebied naast deze algemeene beschouwingen, zou wegens de buitengewone ingewikkeldheid van het probleem te oppervlakkig worden ; men zou kunnen zeggen : ieder eiland, vooral in het overgangsgebied, heeft zijn eigen fauna (opvallend ') ED. VON MARTENS, 1867. Die Preussische Expedition nach Ost-Asien, Zoolog. Theil. Band II. Landschnecken. (Berlin, 1867). 2 ) ED. VON MARTENS, 1867. t. a. p. p. 422. 3) ED. VON MARTENS. Banda, 1889. Timor und Flores. Tagebuchnotize. (Ztschr. Ges. f. Erdkunde. Berlin, XXIV, 1889. p. 83-131). p. 104. 4) MAX WEBER, 1894. Die Siisswasser-Fische des Indischen Archipels, nebst Bemerkungen iiber den Ursprung der Fauna von Celebes. (Zoolog. Ergebnisse. III. 1894. p. 405476, vooral p. 459476). 224 DE STUDIE DEK DIERENWERELD NA 1850. is bijy. het principieele verschil in zoetwatervischfauna tusschen de zoo dicht bij elkaar gelegen eilanden Aroe- en Hoog Kei, zooals MAX WEBER aantoonde), iedere diersoort haar eigen verspreidingsgrens, en zoo zou het een onuitvoerbaar voornemen zijn, daarvan in de beperkte ruimte van dit geschiedkundig overzicht een resume te geven. Vervvijzen wij daarom naar de historisch-kritische samenvattingen van NIERMEYER (1897 r ), MEYER en WIGGLESWORTH 1898 2 ), P. en F. SARASIN (1901 3 ), G. BREDDIN (1901 4 ), MAX WEBER (1902 5 ), VAN KAMPEN (1909 6 ) en DE BEAUFORT (191 1 7 ) en naar de belangrijke in den jongsten tijd verschenen verhandelingen van MAX WEBER over Nieuw-Guinea 8 ), van VAN KAMPEN over Nieuw-Guinea 9 ), van MAX WEBER over de Aroe- en Kei-eilanden I0 ), van MAX WEBER en DE BEAUFORT, over Timor en Babber ri ), van DE BEAUFORT over J ) J. F. NIERMEYER, 1897. De geschiedenis van de lijn van WALLACE. (Tijdschr. Kon. Ned. Aardr. Gen. 2 e serie XIV. p. 758765). 2 ) A B. MEYER and L. W. WIGGLESWORTH, 1898. The Birds of Celebes and the Neighbouring islands. 2 vols. (Berlin, 1898). s) P. und F. SARASIN, 1901. t. a. p. p. 141162. 4) G. BREDDIN, 1901. Die Hemipteren von Celebes. Ein Beitrag zur Faunistik der Insel. (Abhandl. naturf. Gesellsch. Halle, XXIV, 1901. p. 1213). P- T 35 JQ 1 - s) MAX WEBER, 1902. Der Indo-Australische Archipel und die Geschichte seiner Tierwelt. (Jena, 1902). 6 ) P. N. YAN KAMPEN, 1909. De Zoogeografie van den Indischen Archipel. Bijbl. Nat. Tijdschr. Ned. -Indie, 1909. 3 p. 819 en 4 p. 1021). ?) L. F. DE BEAUFORT, 1911. De zoogeographie van het oostelijk deei van den Indo-Australischen Archipel. (Hand. XIII e Ned. Nat. Gen. Congr. 1911. p. 242248). 8 ) MAX WEBER 1908 Siisswasserfische von Neu-Guinea. Ein Beitrag zur Frage nach dem friiheren Zusammenhang von Neu-Guinea und Australia. (Nova Guinea, V, 1908. p. 201267). P- 201225. 9) P. N. VAN KAMPEN, 19091913. Amphibien. (Nova Guinea, IX. p. 3149 en p. 453-465). I0 ) MAX WEBER, 1911. Die Fische der Aru- und Kei-Inseln. Ein Beitrag zur Zoogeographie dieser Inseln. (Abh. Senck. Naturf. Ges., XXXIV. p. 149). p. 120, TI ) MAX WEBER and L. F. DE BEAUFORT, 1912. On the freshwater fishes of Timor and Babber. (Proc. K. A. W. Amsterdam. June 1912. p. 235240). 225 15 DE STUDIE DER DIERENVVERELD NA 1850. Waigeoe in verband met andere Molukken z ), van MAX WEBER over Celebes 2 ) en de daar aangegeven meer speciale litteratuur. Dank zij de nauwkeurige systematische bestudeering van alle diergroepen, en wel vooral van de zoetwaterfauna (Amphibien, Visschen en Mollusken) is het nu mogelijk, zich ongeveer een beeld te vormen van het ontstaan der Indische dierenwereld ; van hoe groote beteekenis voor onze kennis der geschiedenis van den Archipel deze studies op zoogeographisch gebied zijn, zal uit het bovenstaande duidelijk zijn. Maar tevens moeten wij crop wijzen, hoe groote en hoe moeilijke problemen hier nog op een oplossing wachten, en hoe ook het nauwkeurig onderzoek der verschillende eilandenfauna's een zaak van dringenden aard is. Wij zijn op den goeden weg; een toe- komstig geschiedschrijver moge naast de beantwoording dezer belangrijke vraagstukken kunnen vermelden, dat Nederland de voornaamste onderzoekingen over de zoogeographie van zijn Archipel verricht heeft. ') L. F. DE BEAUFORT, 1913. Fishes of the eastern part of the Indo-Australian Archipelago with remarks on its Zoogeography. (Bijdragen Dierkunde. Artis, XIX. p. 93164). p. 153164. 2 ) MAX WEBER, 1913. Neue Beitrage zur Kenntnis der Siisswasserfische von Celebes. (Bijdragen Dierkunde. Artis, XIX. p. 195213). p. 195201. 226 HOOFDSTUK IX. Scheikundige arbeid na 1850. ,,Practische scheikunde is langs verschillende wegen naar Java gekomen, niet als weeldevak, doch overeenkomstig de behoeften van het leven, bepaaldelijk in het belang der cul- tures". In deze woorden van GRESHOFF J ) ligt opgesloten, dat vrijwel alle scheikundig onderzoek, in Indie verricht, betrekking heeft op de practijk : phytochemie en agricultuurchemie nemen de voornaamste plaats in ; theoretische vraagstukken, als bijv. de rol van cyaanwaterstof bij eiwitvorming in planten, zijn van groot belang, maar worden vaak door practische onderzoekingen op den achtergrond gedrongen. Omstreeks 1850 waren het de beide scheikundigen P. J. MAIER ^n P. F. H. FROMBERG, door wier werk het chemisch onderzoek in Indie voornamelijk verricht werd. MAIER heeft zich in het bijzonder groote verdiensten verworven ten opzichte van het scheikundig onderzoek der op Java zoo talrijke heete bronnen en geneeskrachtige wateren, een nog te veel verwaarloosde richting van studie, waaraan later o. a. ook J. J. ALTHEER ( 1860), J ) M. GRESHOFF, 1906. Scheikundige arbeid in Nederlandsch-Indie. (Indische Gids. XXVIII, 1906. II. p. 14891495). p. 1490. 22' SCHEIKUNDIGE ARBEID NA 1850. A. G. VELTMAN( 1860), J. B. NAGELVOOKT( 1870), H. CRETIER ( 1880) en P. A. A. F. EIJKEN ( 1895) meegewerkt hebben. Juist in den tegenwoordigen tijd, nu vooral radioactieve bron- wateren hoe langer hoe meer gewaardeerd worden, en jodium- houdende bronnen voor jodiumwinning sterk in beteekenis toenemen, wordt het nauwkeurig scheikundig onderzoek van deze minerale wateren van steeds toenemend belang. Het was G. J. MULDER'S invloed, die de regeering ertoe bracht, in 1848 P. F. H. FROMBERG ') naar Indie te zenden, ten einde daar landbouwscheikundige onderzoekingen te doen. En nadat FROMBERG een drietal jaren over Java gereisd had, stichtte hij (1851) te Buitenzorg een agricultuurchemisch laboratorium, waar zijn voornaamste scheikundige geschriften de chemie van het suikerriet behandelden ; daarnaast verschenen van zijn hand ook enkele mededeelingen over cassavewortel, muscaatnoot- schillen, koffiecultuur, guano als meststof, gesteentenanalyse enz. Het laboratorium-onderzoek nam geen vlucht, wel was K. W. VAN GORKOM nog eenigen tijd assistent, maar toch werd het eerste scheikundige laboratorium nog geen tien jaar na zijn oprichting, in 1860, opgeheven. De directeur FROMBERG was in 1858 ge- storven. MULDER achtte de zaak belangrijk genoeg om door te zetten; in 1850 was reeds een scheikundig laboratorium van den geneeskundigen dienst opgericht, waar dan militair- apothekers gelegenheid konden vinden voor wetenschappelijk onderzoek. Maar toch : ,,De scheikundige wetenschap heeft daar echter niet zooveel van geprofiteerd, als de Utrechtsche hoog- leeraar (G. J. MULDER), die zelf nooit militair geweest was r wel verwachtte : de hospitaal-practijk bleek met beoefening der chemie moeilijk vereenigbaar, en een militair regime is niet gunstig voor wetenschappelijk onderzoek. Niettemin zij met 3 ) Zie p. 134. 228 SCHEIKUNDIGE ARBEID NA 1850. eere vermeld, dat er toch uit Indische militaire apotheken niet zelden chemische bijdragen zijn gekomen" '). Belangrijke resultaten dankt de scheikunde aan de hopelooze verwarring en strijd, die in JUNGHUHN'S tijd over de kina-cultuur heerschte. JUNGHUHN begreep, dat de scheikundige kennis van de kina van het grootste belang was, en het kostte hem weinig moeite, den Gouverneur-Generaal PAHUD, die reeds als Minister van Kolonien HASSKARL'S zending naar Zuid-Amerika bewerkt had, te bewegen een scheikundige aan te stellen, speciaal voor het onderzoek der verschillende kinabastsoorten. G. J. MULDER, meestal in scheikundige zaken regeeringsadviseur, beval daarvoor sterk aan den nog jongen, maar zeer begaafden K. W. VAN GORKOM, militair-apotheker. Maar JUNGHUHN en PAHUD vvilden een ander: den .leeraar aan de Rotterdamsche klinische school J. E. DE VRIJ, die reeds vroeger zich met kina-onderzoek had beziggehouden. DE VRIJ werd benoemd, ondanks MULDER'S tegenwerking. JOHAN ELIZA DE VRIJ Z ) was reeds op iQ-jarigen leeftijd (hij was geboren 31 Januari 1813) genoodzaakt de Rotterdamsche apotheek zijns vaders, na diens overlijden zelfstandig te drijven. Grondig onderlegd door de lessen van G. J. MULDER, die in dien tijd leeraar aan de klinische school was, ging hij in 1835 naar de Leidsche universiteit over, terwijl hij nog steeds het beheer der apotheek voerde. Den 25stenJ U ni 1838 promoveerde hij daar tot Magister Matheseos et Doctor philosophiae naturalis op een physiologisch-chemische dissertatie. Bij MULDER'S vertrek naar de Utrechtsche hoogeschool bleek reeds, hoe de verhouding tusschen beide mannen geworden was : DE VRIJ had voor zijn J ) M. GRESHOFF, 1906. t. a. p. p. 1490. 2 ) F. A. FLUCKIGER, 1893. Dr. JOHAN ELIZA DE VRY. (In: Gallerie hervor- ragender Therapeutiker und Pharmakognosten, herausbegeben von B. REBER. Genf, 1892. Sonderabdruck 18 pp.). 229 SCHEIKUNDIGE ARBEID NA 1850. leermeester grooten eerbied, maar was volstrekt niet geneigd, iedere meening van MULDER als een evangelic te beschouwen ; MULDER beval dan ook niet DE VRIJ, maar een medicus als zijn opvolger aan ; toch werd DE VRIJ benoemd (1841). Zestien jaar lang bleef DE VRIJ in dit ambt werkzaam ; kreeg intusschen ook in het buitenland groote bekendheid door zijn talrijke chemische publicaties van den meest uiteenloopenden aard, begon na de wereldtentoonstelling te Parijs in 1855 met kina- studien, en maakte daar kennis met de meest bekende kina- onderzoekers, o. a. WEDDELL. Toen nu JUNGHUHN in 1856 de kinacultuur van HASSKARL overgenomen had, leek DE VRIJ wel de aangewezen man, om hem daarbij op chemisch gebied ter zijde te staan. In den zomer van 1857 volgde DE VRIJ zijn bestemming en kwam 8 Januari 1858 te Batavia aan. De vijf jaar, die DE VRIJ in Indie, grootendeels in Bandoeng, bleef, besteedde hij voornamelijk aan het chemisch onderzoek van kinaschors, o. a. aan het bereiden van kinine-oxalaat. Na afloop van deze periode moest DE VRIJ om gezondheidsredenen Indie verlaten, waarbij zijn kinologische studien echter nog geen einde vonden. Tot zijn dood toe heeft hij over dit belangwekkend onderwerp gearbeid en geschreven. Ongeveer zeventig ,,Kinologische Studien" zagen het licht, en daarnaast publiceerde hij nog de resultaten van ander, in Indie uitgevoerd chemisch werk: over de suiker uit de suikerpalm, Arenga Saccharifera ; over glyco- siden in Citrus-bloesems, enz. DE VRIJ verliet Indie met verlof, maar verkreeg na afloop van dit verlof op zijn verzoek ontslag, zoodat JUNGHUHN thans weer alleen de kina-cultuur te leiden had. En na JUNGHUHN'S dood (1864) was de kinacultuur geheel zonderleiding; teeltkundige en vooral scheikundige fundamenteele vragen wachtten op beantwoording, en thans werden de zware verantwoordelijkheid voor het welslagen van deze cultuur, 230 J. E. DE VRIJ. SCHEIKUNDIGE ARBEID NA 1850. waarvan groote belangen der menschheid afhankelijk zijn, op de schouders gelegd van den 28-jarigen K. W. VAN GORKOM, den jongen militair apotheker, die reeds negen jaar te voren door MULDER voor scheikundige aanbevolen was. Nu kon het blijken, dat MULDER zich in VAN GORKOM niet vergist had. KAREL WESSEL VAN GORKOM '), geboren 22 Augustus 1835 te Zutphen, studeerde onder MULDER, later ook bij de VRIESE en BLUME. en vertrok in 1855 a ^ s niilitair-apotheker naar Indie, waar de door MULDER voor hem bestemde plaats aan DE VRIJ toegewezen was. Na een korten werktijd aan het militair hos- pitaal te Weltevreden, werd VAN GORKOM aan het landbouw- scheikundig laboratorium geplaatst, dat echter spoedig na FROMBERG'S dood opgeheven werd. Van hier ging hij als con- troleur naar Rembang, werd in 1863 benoemd tot secretaris der enquete-commissie voor de Gouvernements-koffiecultuur en kreeg het volgend jaar, nog voor JUNGHUHN'S overlijden, het aanbod de inspectie der kinacultuur op zich te willen nemen. De felle bestrijding, die JUNGHUHN'S methoden gevonden hadden, maakte zijn taak niet licht ; toch aarzelde hij niet zich beschik- baar te stellen. En van het oogenblik af, dat VAN GORKOM de leiding aanvaardde, gaf de kina geen stof meer voor zoo talrijke strijdschriften van bevoegden en onbevoegden. Onder meewerking van enkele gunstige omstandigheden (in dezen tijd werd het zaad van Cinchona Ledgeriana, de beste van alle kinasoorten, ingevoerd), wist VAN GORKOM de kina- cultuur tot groote hoogte op te voeren. leder jaar gaf hij verslag van den stand der aanplantingen in het Nat. Tijdschrift. Als scheikundige stond VAN GORKOM lang niet gelijk met DE VRIJ of met MOENS, zijn kracht lag in zijn juisten blik op J ) P. v. D. WIELEN, 1910. Dr. KAREL WESSEL VAN GORKOM. (Eigen Haard. 36= Jaargang. 1910. p. 184186). 231 SCHEIKUNDIGE ARBEID NA 1850. landbouvvtoestanden en vraagstukken betreffende de kinateelt. Tot 1875 bleef VAN GORKOM voor de kina werkzaam; in dat jaar werd hij benoemd tot Hoofdinspecteur der suiker- en rijst- cultuur, en droeg hij het bestuur der Gouvernementskina-onder- neming over aan J. C. BERNELOT MOENS, voor wien de richting, vvaarin gewerkt moest worden, thans aangegeven was. VAN GORKOM keerde in 1880 naar Europa terug, vestigde zich te Baarn, en bleef hier nog dertig jaar met groote toewijding werkzaam in het belang der Indische cultures. Reeds een jaar later verscheen zijn standaard-werk : ,,Oost-Indische cultures in betrekking tot Jiandel en nijverheid" '), getuige van een veel- zijdigheid van kennis en een ruim inzicht, een werk, thans, na ruim dertig jaar, door een aantal speciale onderzoekers onder redactie van Dr. H. C. PRINSEN GEERLIGS 2 ) in een nieuw kleed gestoken. VAN GORKOM, sedert 1886 Dr. pharmaciae honoris causa aan de Universiteit te Utrecht, overleed 10 Maart 1910 te Baarn. Nu de kinacultuur geregeld was, en zich op den goeden weg bevond, was de taak voor VAN GORKOM'S opvolger, BERNELOT MOENS, aanmerkelijk lichter. J. C. BERNELOT MOENS, geboren 4 Januari 1837 te Kralingen, werd 20 Juli 1857 als militair- apotheker 36 klasse aangesteld, eerst voor West-Indie, daarna (3 Mei 1858) voor Oost-Indie. In November te Batavia aange- komen, werkte hij hier tot 1866 in het chemisch laboratorium van den geneeskundigen dienst vooral aan het analytisch onder- zoek van mineralen en aardsoorten. Overgeplaatst naar het militair-hospitaal te Weltevreden, legde hij zich hier toe op drinkwateronderzoek en ook op scheikundige bestudeering van J ) K. W. VAN GORKOM, 18801881. Oost Indische cultures in betrekking tot handel en nijverheid. (Amsterdam, 1880 81 en Supplement 1890). 2 ) Idem. 2 e druk. 2 din. Amsterdam, 1884. Idem. Opnieuw uitgegeven onder leiding van Dr. H. C. PRINSEN GEERLIGS. Amsterdam, 1913. 232 SCHEIKUNDIGE ARBEID NA 1850. kinabast. Dit was aanleiding, dat hij in 1872 eerst als schei- kundige, daarna als adjunct-directeur der kina-cultuur aan VAN GORKOM toegevoegd werd, en dezen in 1875 als directeur op- volgde. In 1883 verliet MOENS Indie met verlof naar Europa, nam twee jaar later ontslag uit den dienst, en overleed 2 October 1886 te Haarlem, nog geen vijftig jaar oud. Een aantal verspreide mededeelingen over scheikundig kina-onder- zoek verschenen van zijn hand. BERNELOT MOENS zelf kenmerkte de beteekenis der scheikunde in zijn prachtige monographische arbeid : ,,De Kina-cultuur in Azie" 1 ) aldus: ,,Nooit vvellicht is het nut der scheikunde bij een tak van landbouw zoo schitterend uitgekomen als bij de cultuur van kina". Werkelijk is er geen cultuuropkomst zoozeer afhankelijk geweest van den steun der scheikundige wetenschap, als deze eerste van regeerings- wege met kracht aangevatte teeltproeven. Maar daartegenover heeft ook de scheikunde van deze cultuur veel voordeel genoten ; de juiste kennis van de verschillende kina-bestanddeelen is vooral door het werk van DE VRIJ en MOENS krachtig bevorderd. Langzaarn begon zoodoende de beteekenis van scheikundig werk in de tropen ook in regeeringskringen gewaardeerd te worden en werd de behoefte merkbaar aan een stelselmatige chemische bestudeering der Indische planten ; de phytochemie had zich in Indie baangebroken. Ook door het werk van J. F. EIJKMAN 2 ) tijdens zijn korte verblijf in Buitenzorg, werd de aandacht der Regeering op het belang van phytochemisch onderzoek gericht. En als uiting hiervan vinden wij in 1888 de toevoeging van den militair-apotheker Dr. M. GRESHOFF aan 's Lands Plantentuin, met opdracht het onderzoek naar de waarde der inlandsche geneesmiddelen te organiseeren. J. C. BERNELOT MOENS, 1882. De Kina-cultuur in Azie, 18541882. (Batavia, 1882). Voorrede. 2 ) Zie pag. 205. 233 SCHEIKUND1GE ARBEID NA 1850. MAURITS GRESHOFF '), geboren n October 1862 te 's-Graven- hage, was van jongsaf met hart en ziel chemicus ; reeds als jongen vinden wij hem in het ouderlijk huis bezig met allerlei scheikundige proeven. Na de driejarige H. B. S. te hebben doorloopen, waar hij de niooie lessen van Dr. L. BLEEKRODE genoot, werd hij apothekersleerling, deedexamen voor apothekers- bediende, en slaagde erin, een plaats te vinden bij de opleiding voor militair-apotheker voor Indischen dienst. Zoo kwam hij met Prof. WEFERS BETTINK in aanraking. Uit GRESHOFF'S stu- dententijd zijn reeds een paar artikelen in het ,,Pharmaceutisch Weekblad", het Album der Natuur en HAAXMAN'S Tijdschrift voor Pharmacie. In 1885 werd hij tot apotheker bevorderd, en promoveerde ruim een jaar later (30 Augustus 1887) te Jena tot Doctor philosophiae. Kort daarna naar Indie vertrokken, werd hij hier aan het hospitaal te Weltevreden werkzaam gesteld, waar hij zich op hygienisch-chemische studien toelegde. Het volgend jaar, na TREUB'S terugkeer, werd GRESHOFF bij Gouver- nementsbesluit voor den tijd van een jaar aan den Directeur van 's Lands Plantentuin toegevoegd; in 1889 werd deze toe- voeging met een jaar verlengd, totdat hij in 1890 voorgoed aan den tuin verbonden werd, al zou het slechts voor korten tijd zijn: in 1892 ging hij met ziekte-verlof naar Europa, bracht een tijd op Madeira door en werd spoedig na zijn aankomst in ons land als scheikundige aan het Koloniaal Museum ver- bonden. Hoewel het Museum oorspronkelijk geen chemisch laboratorium bezat, wist hij toch ook hier zijn onderzoekingen voort te zetten en zag in 1898 een naar zijn wenschen ingericht laboratorium voltooid worden. Inmiddels had hij (1896) voor een hem aangeboden hoogleeraarsambt bedankt en werd hem het onder-directeurschap van ,,zijn" museum opgedragen. J. E. Q. Bosz en F. K. VAN ITERSON, 1910. Dr. M. GRESHOFF t- (Chem. Weekbl. VII, 1910. p. 231249. m. bibliographic). 234 M. GRESHOFF. SCIIEIKUNDIGE ARBEID NA 1850. Na VAN EEDEN'S overlijden (1901) volgde GRESHOFF hem als directeur op, en bleef aan dezen werkkring zijn geheele arbeids- kracht wijden, totdat 8 December 1909 zijn levenseinde kwam. De aan GRESHOFF bij zijn detacheering aan 's Lands Plan- tentuin opgedragen taak omvatte ,,het instellen van een chemisch- pharmacologisch onderzoek naar de plantenstoffen van Neder- landsch-Indie, in het bijzonder met het oog op hare beteekenis voor de geneeskunde". En vooral waren het de alcaloiden, die zijn aandacht boeiden ; reeds in het ,,Eerste verslag" J ), dat hij over zijn werkzaamheden te Buitenzorg uitbracht, kon hij de ontdekking melden en een beschrijving geven van zijn ,,lievelings- alkaloid" carpame, een bestanddeel van papaya-blaren. Ook de algemeene vergiftleer had zijn aandacht; als resultaat daarvan verscheen in .1893 het eerste gedeelte van zijn ,, Beschrijving der giftige en bedwelmende planten bij de vischvangst in gebruik'', waarvan in 1900 het tvveede gedeelte en in 1913 het derde gedeelte volgde. Vooral dit laatste deel geeft veel meer dan de titel zegt; eigenlijk is het als een handboek voor phytochemie te beschouwen. Ook zijn Indische Vergiftrapporten (I, 1899; II 1900; III 1914) zijn een getuige voor GRESHOFF'S algemeene phytochemische kennis ; de warme beoordeeiingen, die dit werk ten deel zijn gevallen, geven hiervoor het bewijs. En zijn ontdekking van cyaanwaterstof in de blaren van Pangium edule, die aanleiding gaf tot TREUB'S werk van buitengewone beteekenis voor het onderzoek naar eiwitvorming in planten, is reeds vroeger vermeld. GRESHOFF'S groote verdienste ligt vooral in het systematische van zijn onderzoekingsmethode ; door zijn stelselmatigen arbeid is hij de grondlegger geworden van de Indische phytochemie, de vergelijkende studie van de scheikundige samenstelling der tropische planten. J ) Zie voor de titels van GRESHOFF'S verhandelingen de bibliographic bij Bosz en VAN ITERSON. 235 M 1IEIKUND1GE ARBEID NA 1850. Slechts een viertal jaren heeft GRESHOFF in Indie door- gebracht, maar deze jaren waren van beslissende beteekenis voor zijn verdere leven ; GRESHOFF heeft Indie liefgekregen en heeft zijn gansche leven gevvijd aan wat hij als zijn ideaal beschouwde: het Nederlandsche Volk te doordringen van het gevoel van verantwoordelijkheid jegens onzen Oost, het iets te doen gevoelen van wat in hem zelf leefde als warme belang- stelling voor de natuur onzer tropen. Zoo is hij ook na zijn vertrek uit Indie werkzaam gebleven in het belang onzer kolonien, zoo is hij door zijn werkkring te Haarlem tot zegen geweest voor velen, die op zijn raad steunend, zich in Indie een positie hebben weten te vervverven. Maar naast den maat- schappelijken kant van zijn nieuwe werk, bleef ook de wetenschap hem boeien ; dat chemisch onderzoek van Indische planten in vele gevallen evengoed buiten de tropen kan geschieden, is ook weer door GRESHOFF'S arbeid gebleken. Uit zijn talrijke onderzoekingen, in Europa verricht, noemen wij, behalve de scheikundige bestudeering van Indische voedingsmiddelen, die over alkaloiden in Composieten, over echinopsine, over coca- alkalo'iden. Zijn regulatieven voor voedingsmiddelonderzoek (1903) en dat voor handelswaren (1909) hebben veel opgang gemaakt. Vragen van groot maatschappelijk belang waren het suiker- of saccharinevraagstuk, waarbij hij zich een groot voor- stander van afschaffing van den suikeraccijns toonde, en de papier- controle, waarvoor hij krachtig streed, teneinde het toenemend gebruik van houtslijp bij papiervervaardiging tegen te gaan. GRESHOFF was ongetwijfeld een onzer beste phytochemische onderzoekers en de grondlegger van de vergelijkende phy- tochemie in Ned. -Indie; niet een koude, nuchtere man van wetenschap, maar een persoonlijkheid, die in vuur kon raken voor wat hem na aan het hart lag: zijn strijd tegen de ,,leugen- suiker" saccharine, het populariseeren van natuurwetenschap, 236 SCHEIKUNDIGE ARBEID NA 1850, cle studie van volksnamen voor planten, geschiedkundig onder- zoek naar den ontwikkelingsgang der natuurstudie, dat alles vond in GRESHOFF een warm aanhanger en verdediger. Van een door hem gehouden voordracht: ,,Gedanken liber Pflanzen- krafte und phytochemische Verwandtschaft" werd in de Siid- deutsche Apothekerzeitung getuigd: ,,eine Arbeit, die erfullt war von einer Flille tiefer philosophischer Gedanken liber ein Arbeitsgebiet, dessen einstiger Ausbau einst zu den ersten Errun- genschaften des menschlichen Geistes zahlen wird". GRESHOFF leefde in zijn werk en zijn werk werd levend door hem. Wat van hem kwam, hetzij gesproken of geschreven, kon niet anders dan indruk maken ; waar hij zich gaf, daar werd met vrucht gearbeid. Nog een ander phytochemicus moet hier vermeld worden : P. C. PLUGGE, hoogleeraar in de pharmacie te Groningen. PLUGGE'), geboren 12 April 1847 te Middelburg, studeerde voor apotheker in Amsterdam en Groningen, promoveerde 29 Sep- tember 1876 op een dissertatie : ,,Bijdragen tot de kennis der photochemie", en werd, na een korte werkzaamheid in Japan, benoemd tot hoogleeraar te Groningen, waar hij 24 Sept. 1878 zijn intreerede hield. PLUGGE'S belangrijke onderzoekingen be- troffen voornamelijk Indische plantenstoffen ; toen hij in 1897 te Buitenzorg kwam om ook daar zijn phytochemisch werk tijdelijk voort te zetten, overleed hij eenige weken na zijn aankomst aldaar (29 Juni 1897). Door de talrijke onderzoekingen van het Buitenzorgsche laboratorium voor pharmacologisch werk 2 ), dat sedert GRESHOFF'S vertrek (1892) onder leiding staat van Dr. W. G. BOORSMA, is ') D. HUIZIN-GA, 1895. P. C. PLUGGE. (In: Gallerie hervorragender Thera- peutiker und Pharmakognosten der Gegenwart, herausgegeben von B. REBER. Genf, 1895). 2 ) Publikaties in de uitgaven van 's Lands Plantentuin. 237 SCHEIKUNDIGE ARBEID NA 1850. de phytochemie in Indie een vruchtdragende wetenschap ge- worden. In de eerste plaats waren het natuurlijk de cultuur- planten : thee, koffie, kina, tabak, rubber, die scheikundig onderzocht werden. Landbouwscheikundig werk werd verricht in het agri- cultuurchemisch laboratoriurn '), dat eerst door Dr. P. VAN ROMBURGH, na 1903 door Dr. W. R. TROMP DE HAAS en Dr. A. W. K. DE JONG geleid werd. Thans vormt dit labora- toriurn een der technische afdeelingen van het Departement van Landbouw. De praktische richtingen, waarin de scheikunde in Indie nog meer toepassing kon vinden, vatte GRESHOFF in 1906 aldus samen 2 ) : ,,Het toezicht op de zuiverheid en onvervalschtheid van levensmiddelen, een vak, waarin de scheikunde thans zoo groote diensten aan de maatschappij kan bewijzen, is in Indie nog niet terhand genomen. Ook de controle op geneesmiddelen en op geheimmiddelen en kwakzalverijen, waarin in de kolonien zeer levendige handel gedreven wordt, ontbreekt er geheel. Evenmin biedt de chemie daar de hand bij de waardebepaling van kunstmeststoffen, enz. Ook voor physiologisch- en toxico- logisch-chemische onderzoekingen ligt op Java het veld nog nagenoeg geheel braak". Een deel van deze praktische onder- zoekingen is echter sedert 1909 ter hand genomen door het Laboratoriurn voor Landbouw- en Handelsanalyses, gevestigd te Buitenzorg; het werk van meer wetenschappelijken aard wordt in het pharmacologisch laboratoriurn verricht. Samenvattend zien wij dus de scheikunde in Indie als een vrijwel uitsluitend practische wetenschap : de bestudeering van bouwgrond en haar bemesting, controle en verbetering van de *) Mededeelingen van het Agricultuur-Chemisch Laboratorium. Buitenzorg, I .... (1912 heden). 2 ) M. GRESHOFF, 1906. t. a. p. p. 1494. ^1 SCHEIKUNDIGE ARBEID NA 1850. bereiding van verschillendelandbouwproducten (kina, suiker, thee, enz.), waardebepaling van het product, handelsonderzoekingen. Maar ook blijven nieuwere stroomingen in de ,,theoretische" chemie niet zonder invloed op de onderzoekingen ten behoeve der practijk : naast bodem-analyse, zooals ze vroeger uitsluitend verricht werd, is de studie der kolloidale eigenschappen van den bouwgrond, waarover J. M. VAN BEMMELEN belangrijke bijdragen gepubliceerd heeft, van beteekenis geworden; de bepaling van bodemvruchtbaarheid wordt thans voor een deel langs kolloidchemischen weg geleid. Trouwens de grootsche vooruitzichten, die de kollo'idchemie ons opent, vinden wij ook op ander gebied: de aanwezigheid van tairijke kolloiden in levende planten is oorzaak van de groote rol, die deze nog altijd min of meer geheimzinnige rubriek van scheikundige stoffen speelt, men denke bijv. aan de belangrijke functie der kolloiden bij de caoutchouc-fabricatie. Daarnaast is de studie der enzymen, eveneens een vrij sterk mystieke groep van stoffen, van verreikende strekking; ook het onderzoek der looistoffen, die bij de bereiding van landbouwprodukten een zoo gewichtige rol spelen. Scheikundige arbeid valt in Indie dus nog veel te verrichten ; door het onafhankelijk karakter der scheikunde, waardoor in vele gevallen landstreek en klimaat van ondergeschikt belang zijn, zal haar studie in Indie altijd in de eerste plaats practisch zijn. Moge de voorspelling van GRESHOFF : ,,Rijke vruchten voor chemie en physiologic, zoowel als voor het practische leven, zullen niet uitblijven", steeds meer bewaarheid worden ! 239 HOOFDSTUK X. Geologische ontdekkingen na 1850. Geologic is in nog sterker mate dan zoologie een vak van onderzoek, veel minder aan een vaste plaats gebonden en ook veel minder geschikt voor beoefening op een enkele plek in den uitgebreiden Archipel, dan de studie van plantenleven, Buitenzorg heeft wel zijn laboratorium voor geologische bodem- studie, waarvan de leiding in handen is van Dr. E. C. J. MOHR^ maar de hier verrichte arbeid is, evenals het aan het bacte- riologisch laboratorium, waar Dr. E. DE KRUYFF de studie der bodembacteriologie leidde, uit den aard der zaak in het bijzonder op de practijk gericht. De beteekenis van de structuur en de samenstelling van den bodem voor de cultures is daar hoofdpunt van onderzoek, en zoo raakt het strengwetenschappelijk karakter dier geologische studies wel wat op den achtergrond. Geologic is een studierichting, die vooral door reizigers beoefend moet worden, en indien het bekende gezegde: ,,als de berg niet naar Mohammed komt, dan moet Mohammed wel naar den berg komen", ooit juist is, dan is het dit in letterlijken zin voor geologen. Veldarbeid is voor geologen hoofdzaak, laboratorium- en studeerkamerarbeid bijzaak. 240 GEOLOGISCHE ONTDEKKINGEN NA 1850. Het systematise!! onderzoek door het Mijnwezen, vvaaraan N. WING EASTON, R. FENNEMA, J. A. HOOZE, C. J. VAN SCHELLE en R. D. M. VERBEEK krachtig medewerkten en de reizen der Nederlandsche hooMeeraren K. MARTIN. G. A. F. MOLENGRAAFF o en A. WICHMANN en der buitenlanders G. BOEHM, A. TOBLER, W. VOLZ en J. WANNER schonken resultaten van zoo groote beteekenis, dat de gangbare meeningen omtrent de geologische geschiedenis onzer kolonien daardoor een ingrijpende verandering hebben ondergaan. Vooral de hoofdingenieur van het Mijnwezen R. D. M. VERBEEK, wiens Indische periode de jaren 1867 1901, een vierendertigjarig tijdvak, omvat, heeft zich op dit gebied groote verdiensten verworven. VERBEEK'S geschriften handelen over Borneo, Sumatra, Java, Banka, Billiton en de Molukken. In het bijzonder verdienen vermelding zijn uitvoerige onder- zoekino'en over de Oembilien-kolenvelden, over Sumatra's West- o kust (in samenwerking met de ingenieurs FENNEMA en VAN SCHELLE), over Krakatau, over Java (samen met FENNEMA ') en over de Molukken. Ook zijn omvangrijke litteratuuropgave van alle op Ned. -Indische geologic betrekking hebbende geschriften 2 ) is een zeer nuttige arbeid voor alien, die zich met de geologische gesteldheid van onzen Oost-Indischen Archipel bezighouden. De aan VERBEEK toegevoegde mijningenieurs ontwikkelden eveneens een groote werkzaamheid ; vooral de mijningenieur FENNEMA, met wien VERBEEK veel samenwerkte, en die in 1897 in het Posso-meer op Celebes op zoo droevige wijze het leven verloor 3 ), heeft veel onderzoekingswerk verricht. ') R. D. M. VERBEEK en R. FENNEMA, 1896. De geologische bouw van Java en Madoera. 2 din. (Amsterdam, 1896). 2 ) R. D. M. VERBEEK, 19121914. Opgave van geschriften over geologic en mijnbouw van Ned. Oost-Indie. (Verh. geol. mijnb. Gen. v. Ned. en Kol. Geol. Serie I, (1912). p. 31248 en i e vervolg. Ibid. I, (1914). p. 294318). 3) R. D. M. VERBEEK, 1903. Levensbericht van REINDER FKNNEMA. (Jaarb. v. h. Mijnw. 1903. p. 123147). 241 16 GEOLOGISCHE ONTDEKKINGEN NA 1850. En als palaeontologisch werk, door een niet-vakman ver- richt, maar met resultaten van bijzonder verre strekking, moeten de onderzoekingen van den toenmaligen officier van gezondheid Dr. E. DUBOIS, thans hoogleeraar te Amsterdam, vermeld worden. Zijn ontdekking te Trinil op Java van skeletgedeelten van Pithecanthropus erectus DUBOIS '), een overgangsvorm tusschen aap en mensch, is ongetwijfeld van de grootste beteekenis, hoe ook de beslissing omtrent den ouderdom der lagen, waarin deze fossiele resten werden gevonden, namelijk of deze al dan niet tot het tertiaire tijdvak te rekenen zijn, moge uitvallen. In JUNGHUHN'S tijd, en zelfs nog tot 1880, heerschte onder geologen vrij algemeen de opvatting, dat de in den Indischen Archipel gevonden sedimenten alle tot het tertiaire tijdvak be- hoorden, of nog jonger waren. Alleen voor Timor werd een uitzondering gemaakt, in zooverre dat hier naast tertiaire ook veel oudere lagen moesten voorkomen. Reeds in 1829 vond H. MACKLOT 2 ), een lid van de voor JUNGHUHN in Indie werkzame ,,Natuurkundige Commissie", versteeningen op Timor, die later als oud herkend werden. In 1858 kwamen door R. F. DE SEYFF versteeningen van Timor naar Batavia, waaronder zich een ammoniet en encrinieten bevonden 3 ). In 1862 zag F. VON RICHT- HOFEN bij JUNGHUHN eenige fossielen, die deze van Dr. C. F. A. SCHNEIDER op Timor ontvangen had, en waarover hij opmerkt : ,,Es sind Brachiopoden und Crinoidenstiele, unter ersteren zwei grosse Spiriferen, welche an Arten aus dem Bergkalk erinnern. Das Vorkommen einer so alten Formation in diesen Georenden *) E. DUBOIS, 1894. Pithecanthropus erectus aus Java. (Batavia, 1894. Ook Jaarb. v. h. Mijnw. Wet. Ged. 1895. p. 577). 2 ) Zie hierboven p. 117. 3) Mineralen van Timor, aangeboden door den heer DE SEYFF. (Nat. Tijdschr. v. Ned.-Indie. XVI. 185859. p. 87). 242 GEOLOGISCHE ONTDEKKINGEN NA 1850. \var meines Wissens bisher unbekannt" *). (De mededeeling over de collectie-DE SEYFF in het Nat. Tijdschr. v. N. -Indie is hierbij over het hoofd gezien). In 1864 werd door E. BEYRICH een suite versteeningen van Timor beschreven, die eveneens af komstig was van den reeds bovengenoemden Dr. SCHNEIDER. Ook BEYRICH rekende deze fossielen tot de kolenkalk, zoodat aan het voorkomen van palaeozo'ische lagen op dat eiland niet meer te twijfelen was 2 ). Latere onderzoekingen van A. ROTHPLETZ hebben intusschen o aangetoond, dat deze fossielen iets jonger zijn en tot de perm- formatie, dus tot het jongste palaeozoicum moeten gerekend worden 3 ). Tien jaren later, in 1874, werden door het Mijnwezen (VERBEEK, VAN SCHELLE, pENNEMA) op Sumatra, in de Padangsche Bovenlanden lagen met versteeningen (Phillipsia, Fusulinen enz.) ontdekt, die eveneens palaeozo'isch waren 4 ). Zij werden door FERD. ROEMER als kolenkalk beschreven 5 ) ; G. FLIEGEL heeft echter waarschijnlijk gemaakt, dat ook deze fossielen iets jonger F. VON RICHTHOFEN, 1862. Bericht liber einen Ausflug in Java. (Zeitschr. d. d. geol. Gesellsch. XIV, 1862. p. 327356) p. 356. 2 ) E. BEYRICH, 1864. Ueber eine Kohlenkalk- (Conchylien-) Fauna von der Insel Timor. (Abhandl. d- Berl. Akad. d. Wissensch. 1864 (gedruckt 1865). p. 5Q-98. Mit 3 Tafeln). 3) A. ROTHPLETZ, 1892. Die Perm.-, Trias- und Jura-Formation auf Timor und Rotti im Indischen Archipel. (Palaeontographica XXXIX, 1892. p. 57106. Mit 6 Tafeln. Ook in Jaarb. v. h. Mijnw., 1894. Wet. Ged. p. 598). R. D. M. VERBEEK, 1875. Over den ouderdom der steenkolen van het Oembilienkolenveld in de Padangsche Bovenlanden en van de sedimentaire vormingen van Sumatra in het algemeen. (Jaarb. v. h. Mijnw., 1875. 1. p. 135146). R. D. M. VERBEEK, 1875. De fossielen in den kolenkalksteen van Sumatra's Westkust. (Jaarb. v. h. Mijnw., 1875. II. p. 186189). s) F. ROEMER, 1880. Ueber eine Kohlenkalkfauna der Westkiiste von Sumatra. ( Palaeontographica XXVII, 1880. p. i n. Mit 3 Tafeln. Ook in Jaarb. v. h. Mijnw., 1881. I. p. 289305). 243 GEOLOGISCHE ONTDEKKINGEN NA 1850. zijn, dat ze namelijk niet tot de kolenkalk, maar tot het opper- carboon behooren J ). Behalve de genoemde palaeozoische lagen van Timor en van Sumatra waren geen andere bekend ; men bleef nog 9 jaren lang in de meening verkeeren, dat overigens slechts tertiaire sedimenten in den Indischen Archipel voorhanden waren ; de geheele mesozoische periode scheen te ontbreken ! In 1883 vond de mijningenieur C. J. VAN SCHELLE eenige fossielen in mergels van de Wester-afdeeling van Borneo, die door H. B. GEINITZ als cretaceisch bepaald werden 2 ). Dit was de eerste ontdekking van mesozoische lagen in den Archipel. Hierop volgde in 1889 de ontdekking door A. WICHMANN van triassische lagen >op het eiland Rotti en van jurassische gesteenten op hetzelfde eiland, deze laatste echter niet in vaste lagen, maar als uitwerpsels van slikbronnen (zgn. slik- vulkanen 3 ). En hiermede was de aanwezio^heid van de drie / O hoofdgroepen van het mesozo'icum (trias, jura, krijt) in den Archipel vastgesteld. Na het jaar 1889 volgen de ontdekkingen van mesozoische, gedeeltelijk ook van palaeozoische, formaties met verrassende snelheid op elkaar, zoodat in de laatste 25 jaren een volkomen G. FLIEGEL, 1898. Die Verbreitung des marinen Obercarbon in Slid- und Ost-Asien. (Zeitschr. d. d. geol. Gesellsch. L. 1898. p. 385408. Mit Tafel). G. FLIEGEL, 1901 1902. Ueber obercarbonische Faunen aus Ost- und Siid- Asien. (Palaeontographica XLVIII, 1901 1902. p. 91 136. Mit 3 Tafeln). 2 ) R. D. M. VERBEEK, 1883. Over het voorkomen van gesteenten der Krijt- formatie in de residentie Wester-afdeeling van Borneo. (Versl. en Med. Kon. Akad. v. Wet. Amsterdam. Afd. Natuurk. 2 e Reeks XVIII, 1883. p. 3943). H. B. GEINITZ, 1883. Ueber Kreide-Petrefakten von West-Borneo. (Zeitschr. d. d. geol. Gesellsch. XXXV. 1883. p. 205). 3) A. WICHMANN, 1892. Rotti. p. 222 255. A. ROTHPLETZ, 1891. On the Permian, Triassic and Jurassic Formations in the East Indian Archipelago. (American Naturalist, 1891. p. 959). A. ROTHPLETZ, 1892. t. a. p. 244 GEOLOGISCHE ONTDEKKINGEN NA 1850. wijziging plaats had in de tot dien tijd heerschende meaning over den (reolomschen bouw en het successieve ontstaan van o o onzen Archipel. Een samenvatting van die nieuvvste ontdekkingen gaf VERBEEK in verschillende geschriften, het uitvoerigst in zijn Molukken-verslag *), meer verkort in Labberton's Geillustreerd Handboek van Insulinde 2 ) en in den Catalogus van de Koloniaal- Aardrijkskundige Tentoonstelling te Amsterdam in 1913 3 ). Wanneer wij nu de op de Indische eilanden tot heden ge- vonden formatie's met VERBEEK in 13 groepen onderbrengen, dan kunnen wij den stand onzer kennis van de verspreiding dier verschillende groepen als volgt samenvatten: 1. Oude leigesteenten (Schiefers). Zonder versteeningen, van onbekenden ouderdom. Hieronder zijn waarschijnlijk zoowel archaeische (= azo'ische), als verschillende oud-palaeozo'ische gesteenten. Tot de laatste behooren vermoedelijk de kleileien met goudhoudende kwartsgangen der Padangsche Bovenlanden, maar totnogtoe is zelfs geen spoor van versteeningen in deze leien aangetroffen. Deze gesteenten zijn zeer verspreid en komen waarschijnlijk overal in den ondergrond voor. Men kent ze van Sumatra, Banka, Billiton, Karimon-Djawa, Borneo, Celebes en talrijke eilanden van de Molukken (deze laatste in ruimen zin genomen, dus met inbegrip van Nederlandsch Nieuw- Guinea, de Timor-archipel en de Kleine-Soendaeilanden). 2. Groep der oude basische eruptief gesteenten, van grooten- J ) R. D. M. VERBEEK, 1908. Molukken- Verslag. Met kaarten en profielen. (Jaarb. v. h. Mijnw., 1908. Wet. Ged. Ook met franschen tekst verschenen). -) R. D. M. VERBEEK, 1910. Geologic van den Nederlandsch Oost-Indischen Archipel. (LABBERTONS ,,Geillustreerd Handboek van Insulinde". Amsterdam, 1910. p. 1622). 3) R. D. M. VERBEEK, 1913. De vermeerdering onzer geologische kennis van den Nederlandsch Oost-Indischen Archipel in de laatste 40 jaren. (Catal. Kol. Aardr. Tent. Amsterdam, 20 Sept. 31 Oct. 1913. p. 72 78). 245 GEOLOGISCHE ONTDEKKINGEN NA 1850. deels prae-permischen ouderdom; een gedeelte is wellicht jonger (mesozoisch). Hiertoe behooren peridotiet, gabbro, serpentijn, diabaas en diabaasporfieriet, met hun tuffen, breccien en schaal- steenen, die met de oude leigesteenten opgericht en geplooid zijn. Zeer verspreid in de Molukken, ook op Sumatra, Celebes en Borneo. 3. Granietgesteenten. Deze zijn in de Molukken jonger dan groep 2, daar ze o. a. op Ambon, Lirang en Wetar gangvormig in peridotiet, diabaas en gabbro optreden. Ze zijn echter tevens ouder dan triassisch, omdat gruis van granieten in de opper- palaeozo'ische, of waarschijnlijker triassische zandsteenen |van Ambon voorkomt. Andere granieten, namelijk sommige van Djambi en het noordelijk gedeelte van Palembang (de Rawas) zijn echter zeker jonger, daar zij mesozoische (waarschijnlijk jurassische) sedimenten contact-metamorph veranderd hebben. Gevonden op Sumatra, Banka, Billiton, Borneo, Celebes, Molukken. 4. Opper-palaeozoische lagen (opper-carbonisch en perm) zijn gevonden op Sumatra, Timor en in de Molukken. De door F. ROEMER beschreven palaeozoische versteeningen van de Padangsche Bovenlanden (Sumatra) en ook die, welke TOBLER in 1908 in Djambi vond, zijn opper-carbonisch en verschillen natuurlijk van die van Timor, welke tot de perm-formatie be- hooren. De zandsteenen van Ambon, die voorloopig als waar- schijnlijk opper-palaeozoisch werden bepaald (1900 G. BOEHM), zijn vermoedelijk niet ouder dan triassisch. 5. Trias- f or matie. Deze is volgens de laatste onderzoekingen in de Molukken zeer verbreid. (Rotti 1889 A. WICHMANN; ver- schillende Moluksche eilanden 1899 R. D. M. VERBEEK, 1900 G. BOEHM, 1907 J. WANNER en H. HIRSCHI; Boeroe 1909 L. KRUMBECK), maar komt ook voor op Timor (1891 TEN KATE), op Sumatra (Noord-Sumatra 1899 W. VOLZ; Padangsche boven- landen 1912 L. KRUMBECK) en Borneo (West-Borneo 1902 WING- 246 GEOLOGISCHE OXTDEKKINGEX NA 1850. EASTON en VOGEL). Nagenoeg alle gevonden steenen zijn uit de opper-trias af komstig ; versteeningen uit de onder-trias komen ook voor, maar zijn totnogtoe uiterst zeldzaam. De kalksteenen dezer formatie, gedeeltelijk verkiezeld, bevatten talrijke radiolarien, ook echte radiolarieten zijn voorhanden. De opper-triassische versteeningen komen gedeeltelijk ook in den Himalaya en in de Alpen voor. De voor rhatisch gehouden plaatkalken van de Padangsche bovenlanden (1908, Miss M. HEALEY), welke fossielen bevatten, die ook op Boeroe en op Misool voorkomen, behooren zeer waarschijnlijk ook tot de opper-trias ; evenzoo de oorspronkelijk als opper-cretaceisch beschouwde donkere kalksteenen van Boeroe met ammonieten, die eerst voor Tissotia's gehouden zijn, maar tot de echte Ceratieten behooren. Daarentegen komen wel rhatische lagen voor in het Maleische schiereiland en in opper-Burma. 6. Jura- formatie. Jurassische lagen zijn bekend van ver- schillende Molukken-eilanden (Rotti 1 889 WICHMANN ; Boeroe 1892 MARTIN; andere Moluksche eilanden 1899 VERBEEK; 1900 G. BOEHM), verder van Borneo (West-Borneo 1895 96 MARTIN, VOGEL en KRAUSE; Noord-Borneo 1897 BULLEN-NEWTON) en Sumatra (Djambi 1908 TOBLER). Verschillende etage's der drie jura-afcleelingen (lias, dogger, malm) zijn gevonden, met talrijke ammonieten en belemnieten, die gedeeltelijk groote gelijkenis vertoonen met de Jurassische van Britsch-Indie, benevens van Zwitserland en van Zwaben. 7. Krijt- formatie. In de Molukken zijn onder-cretaceische lagen met ammonieten enz. gevonden op Misool, Taliabo, Mangoli en Nieuw-Guinea (1899 VERBEEK; 1900 G. BOEHM). Van Borneo's Westkust (1883 GEINITZ) zijn kalksteenen met orbitolinen (cenomaan?) bekend; terwijl op Sumatra zoovvel neocoom-lagen met hoplieten in Djambi (1906 TOBLER), als jong-cretaceische sedimenten in Langkat voorkomen. 247 GEOLOGISCIIE ONTDEKKINGEN NA 1850. 8. Ertiptief gesteenten der mesozdische periode, hoofdzakelijk melafieren (die wellicht gedeeltelijk nog permisch zijn), kwarts- porfieren, kwartsporfierieten, diabazen en diabaasporfierieten, benevens enkele granieten. Men vindt ze vooral in de Zuider- o en Oosterafdeelingen van Borneo en in de Molukken (Ambon o.a.), maar ook op Java en Sumatra. 9. Oud-tertiaire (eoceene en oligoceene) afzetiingen zijn reeds lang bekend van Borneo en Java, maar zijn ook in de Molukken zeer verbreid (1899 eoceen VERBEEK). Zij behooren tot den grooten gordel van nummulieten-gesteenten, die zich van Zuid- Europa en Noord-Afrika door Britsch-Indie en Nederlandsch- Indie tot aan Nieuw-Caledonie uitstrekt. Mergelschiefers van de Padangsche Bovenlanden met fraaie fossiele visschen en planten, worden door sommigen voor eoceen, door anderen voor opper- cretace'isch gehouden. Nummulieten zijn van Sumatra merk- waardigerwijze nog niet bekend. Tot de eoceene formatie behooren de goede steenkolenlagen van Sumatra (Oembilien) en van Borneo. 10. De mioceene formatie bestaat gedeeltelijk uit eruptief- gesteenten, gedeeltelijk uit grof en fijn, zanderig, mergelig en kalkhoudend gruis van deze gesteenten in zee afgezet en met talrijke fossielen. Niet alleen de zandsteenen en mergels, maar zelfs de schijnbaar zuivere kalksteenen dezer formatie bevatten steeds een belangrijke hoeveelheid andesietisch of basaltisch materiaal, afkomstig van de mioceene eruptiefgesteenten. Dit gruis wordt in de eoceene nummulietenkalken geheel gemist, hetgeen bewijst, dat de andesieten en bazalten eerst na de vorming van dien kalksteen ontstonden. Naast andesiet en bazalt, die veelvuldig voorkomen, vindt men ook enkele leuciet- en nepheliengesteenten, welke de oudste zijn onder de mioceene eruptiefgesteenten. Mioceene gesteenten komen op de meeste eilanden van den Archipel voor, maar niet op Banka, Billiton, 248 GEOLOGISCHE ONTDEKK1NGEN NA 1850. Ambon en enkele andere. De ligging van de totnogtoe ge- noemde sedimenten is zelden horizontaal, meestal door plooiing en oprichting gestoord. 11. Plioceene sedimenten. De jongste tertiaire sedimenten bestaan op Sumatra en Java uit zandsteenen, op de Molukken daarentegen uit kalksteen; zij vormen hier de oudste, in ter- rassen optredende koraalkalken, terwijl de jongere kalkterrassen tot de kwartaire periode behooren. De plioceene lagen ver- toonen nog geringe hellingen ; hoe jonger de laag, hoe meer de ligging tot de horizontale nadert. 12. De kwartaire periode omvat vooreerst de groote vul- kanische kegelbergen, die wel reeds in den jong-tertiairen tijd ontstonden en gedeeltelijk ook in de hedendaagsche periode werkten of nog werken, maar hoofdzakelijk in den kwartairen tijd door ophooping van eruptie-produkten om een krater werden opgebouwd. Kwartaire sedimenten op Java en Sumatra bestaan uit gruis van jong-vulkanische gesteenten, op Borneo uit gruis van oudere gesteenten en op de Molukken deels uit vulkanisch materiaal (losse zandsteenen), deels uit terrasvormige koraal- kalken. Hun ligging is vrijwel horizontaal. 13. De recente of hedendaagsche vormingen bestaan hoofd- zakelijk uit kalksteen, die voortdurend nabij de kusten en ook verder van de kusten in ondiepe zee door den bouw van koralen, foraminiferen en kalkalgren ontstaan. Yerder uit vul- o kanische uitvverpselen, uit afzettingen van rivieren aan hun uit- monding in zee, waar ze soms belangrijke delta's vormen ; eindelijk uit afzettingen van warme bronnen. Tot zoover een uiteenzetting van de door het geologisch na 1880 ontdekte feiten, in hoofdzaak aan VERBEEK'S overzichten ontleend. De conclusies, waartoe deze gegevens leiden, stellen ons in staat in grove trekken een wordingsgeschiedenis van den Indischen Archipel op te bouwen. Kalkafzetting wijst op 249 <^EOLOGISCHE ONTDEKKINGEN NA 1850. ondiepte der zee of op zoetwater; in diepe zeeen vvordt kalk R. verving den man. wien deze wetenschappelijke instelling, het eerste geophysisch instituut in de tropen, inrichting en levens- 257 17 NATUURKUNDIGE AARDRIJKSKUNDE NA 1850. kracht dankt, en tevens werd in dit jaar het Observatorium losgemaakt van den geographischen dienst en onmiddellijk onder het Marine-Departement gebracht. Het oordeel van ambtenaren en bestuurders over BERGSMA'S arbeid was niet gunstig; een der Gouverneurs-Generaal (Oct. 1870) meende hem zelfs te mogen verwijten, dat hij nog niet alle in Engeland aangekochte instrumenten in gebruik genomen had, terwijl hij naar de meening van Zijne Excellence ,,het eigenlijke doel der zending ter zijde gesteld had". En dat terwijl de regeering hem voortdurend moeilijkheden in den weg legde en hem nog steeds geen gelegenheid gaf, zijn werkzaamheden te regelen ! Maar daartegenover staat het oordeel van een bevoe^d o o persoon, als den directeur van het ,,Centralanstalt fur Meteoro- logie und Erdmagnetismus" te Weenen HANN, die na het verschijnen van het eerste deel der Observations verklaarde : ,,Dr. BERGSMA hat eine riesige Arbeit geliefert", en later in zijn ,,Klimatologie ' *) dit getuigenis geeft : ,,Es giebt nur ganz wenige Punkte der Erde von denen wir so detaillierte Kennt- nisse liber alle meteorologischen Elemente haben, sowohl in Bezug auf die Mittelwerthe als auch auf die periodischen und unperiodischen Veranderungen, wie dies fiir Batavia der Fall ist". En dat is toch aan de werkkracht van BERGSMA en zijn opvolgers te danken. Alle met meteorologie samenhangende richtingen van onder- zoek worden door het Observatorium beoefend ; behalve de meteorologische studies en regenwaarnemingen door BERGSMA begonnen, werd na hem onder de leiding van Dr. J. P. v. D. STOK (1882 1899), Dr. S. FIGEE (1899 1908) en Dr. W. v. BEMMELEN (1908 thans) een aanvang gemaakt met seismologische waar- J. HANN, 1897. Handbuch der Klimatologie II. i. Tropenzone. (2 e Ed. p. 236). - 258 - P. A. BERGSMA. NATUURKUNDIGE AARDRIJKSKUNDE NA 1850. nemingen, met onderzoek der hoogere luchtlagen, met oceano- graphie en getijdenstudie enz. Het onderzoek van de bewe- gingen der aardkorst werd oorspronkelijk door een afzonderlijke seismologische commissie behartigd (1883 1898), terwijl de resultaten een plaats vonden in het Natuurkundig Tijdschrift van Ned. -Indie ') maar na 1898 door het Observatorium, dat dan ook sedert Juli 1898 aan deze waarnemingen een plaats in zijn ,, Observations" verleende. Het zgn. wolkenjaar 1896 97 was aanleiding, dat met het onderzoek der hoogere luchtlagen door internationale samen- werking een begin gemaakt kon worden, waartoe HILDEBRANDSSON het initiatief genomen had. Batavia's Observatorium verleende hieraan krachtige medewerking. Met behulp van twee photogra- phische theodolieten werden hoogte en drift van de verschillende wolkensoorten gemeten. De in 1896 gedane waarnemingen en de berekeningen door v. D. STOK en FIGEE werden eerst veel later door FIGEE gepubliceerd 2 ). En thans, na 1909 wordt dit onderzoek voortgezet door Dr. VAN BEMMELEN en zijn onder- directeur Dr. C. BRAAK, die daarbij de nieuwste hulpmiddelen : vliegers, loodsballons en ballons met registreerinrichting tot hun beschikking hebben. De waarnemingen op dit gebied worden gepubliceerd in een nieuwe uitgave van het Observatorium : ,,Verhandelingen" 3 ), terwijl Dr. VAN BEMMELEN kort geleden een samenvattend overzicht 4 ) over de verkregen resultaten gegeven heeft. Belangrijk is bijvoorbeeld het aantreffen van een lucht- J ) Natuurkundig Tijdschrift voor Ned.-Indie. Deel 4671. (18831912). 2 ) S. FIGEE, IQIO. Report on Cloud-Observations at Batavia, made during the International Cloud year, 18961897. s) Verhandelingen van het Koninklijk Magnetisch-Meteorologisch Observato- rium. N. i. (1890) en N. z (1912). ) W. VAN BEMMELEN, 1913. Die Erforschung des tropischen Luftozeans in Niederlandisch-Ost-Indien. (In: Luftfahrt und Wissenschaft, herausgegeben von J. STICKER. Berlin, 1913). 259 NATUURKUNDIGE AARDRIJKSKUNDE NA 1850. temperatuur van 87 C. op een hoogte van 16 K. M. boven de aarde; verder de waarneming van verschillende luchtstroo- mingen boven elkander, o. a. van een sterke oostenwind met een snelheid van 34 M. per seconde, ongeveer 30,5 K. M. boven de aarde. Bovendien werd in de jaren 1903 1907 een nieuwe magne- tische opneming van den Indischen Archipel door Dr. VAN BEMMELEN verricht, ten einde de waarnemingen te kunnen ver- gelijken met de door Dr. v. RYCKEVORSSEL (1874 1877 ') verkregen resultaten. Dat het werk, door het Observatorium tot stand gebracht, niet louter wetenschappelijk belang heeft, maar ook aan de practijk goede diensten bewijst, is gebleken zoowel door een aan het Observatorium gevraagd advies (1890) over een gunstige legerplaats voor troepen in de Preanger, als door de krachtige medewerking van landbouw-inrichtingen, door het Observatorium ondervonden bij de samenstelling der Regenwaarnemingen. Ook hier heeft de samenwerking tusschen theoretische onderzoekers en practische werkers het wetenschappelijk en het publiek belang zeer gebaat. En in den jongsten tijd is Dr. BRAAK, in navolging van het- geen reeds voor 30 jaar in Engelsch-Indie verricht was, begonnen met een studie van de grondslagen, waarop een weersvoorspel- ling, voornamelijk tijdens den Oost-Moesson zou kunnen worden gebaseerd. Voorloopig zijn hiermede nog geen belangrijke resultaten bereikt; het heeft er echter alien schijn van, dat binnenkort eenige der voornaamste weerbepalende factoren ontdekt zullen worden. Oceanographie en getijdenstudie werd aan het Observatorium vooral door Dr. v. D. STOK beoefend, wiens publicaties over dit ') Zie p. 257. 260 NATUURKUNDIGE AARDRIJKSKUNDE NA 1850. onderdeel in verschillende tijdschriften ') te vinden zijn, tenvijl kort geleden een tvveetal samenvattende werken 2 ) van zijn hand verschenen. Voortbouwend op de door den bekenden oceano- graaf G. H. DARWIN aangegeven methode van getijderegistreering \verd door v. D. STOK een getijbepaling ingevoerd en een getij- dienst ingesteld, die omstreeks 80 stations van waarneming om- vatte. Sedert 1908 worden door het Observatorium getijtafels samenoresteld voor Pontianak, Belawan Deli, Oost- en Westorat > O van Soerabaja, Oedjoeng Panka, Bandjermasin, Moeara-djawa en Palembang. Zoodoende is de verticale beweging der Indische zeeen thans voldoende bekend, de horizontale bewegingen, d. w. z. getij- en moessonstroomingen zijn echter nog bijna niet onderzocht. Daarentegen is het met de kennis van den vorm der zee veel beter gesteld ; de vertikale vorm, d. w. z. de diepte der verschillende Indische zeeen, had voor 1870 nog een eenigszins mystiek waas over zich ; alleen die wateren, waar schepen ankeren konden, werden onderzocht en hun diepte gemeten. ,,Diepten boven 100 vademen ( 180 Meter) komen op de zeekaarten dezer streken van voor 1870 slechts sporadisch voor. Betrouwbare gegevens omtrent de vraag of de diepten in de binnenzeeen van den archipel bij honderden, dan wel bij cluizenden vademen waren te rekenen, had men nog slechts op enkele punten" 3 ). Daarin is nu na 1870 een ingrijpende en *) Versl. en Med. K. A. W. Amsterdam, 1889; Tijdschr. Kon. Inst. v. Inge- nieurs, 18901896; Natuurk. Tijdschr. v. N.-I., 1896. -) J. P. v. D. STOK, 1897. Wind and Weather, Currents, Tides and Tidal- Streams in the East-Indian Archipelago. Batavia, 1897. J. P. v. D. STOK, 1910. Elementaire Theorie der Getijden. Getijconstanten in den Indischen Archipel. (Kon. Ned. Met. Inst. N. 102. Med. en verh. 8) Utrecht, 1910. 3) G. F. TVDEMAN, 1913. De oceanographie van den Oost-Indischen Archipel. Catalogus Kolon. Aardrijksk. Tent. Amsterdam, 20 Sept. 31 Oct. 1913. p. 57-65). p. 59)- 261 NATUURKUNDIGE AARDRIJKSKUNDE NA 1850. gunstige verandering gekomen: de expeditie van de ,,Lightning" onder bevel van WYVILLE THOMSON (1868) was hier de baan- breker; de ,,Challenger" (1872 1876) volgde, en daarna tal van andere schepen en expedities, niet het minst door de ,,Siboga", het Nederlandsche expeditieschip onder leiding van den Luitenant t. Zee ie klasse (thans Vice-Admiraal) G. F. TYDEMAN r ) en MAX WEBER. Na het succesvolle Siboga-werk waren het vooral kabelleggers en schepen met wetenschappelijk doel uit- gerust, maar ook wel opnemingsvaartuigen van onze Marine (H. M. Opnemingsvaartuigen ,,Bali", ,,Borneo" en ,,van Gogh", H. M. Flottieljevaartuig ,,Edi", het Duitsche Onderzoekingsschip ,, Planet", de Engelsche Kabellegger ,, Magnet" en het Engelsche Oorlogsschip ,,Fantome"), aan wier waarnemingen belangrijke gegevens omtrent de diepte der Indische zeee'n ontleend konden worden. Met hoe groote moeilijkheden het dieplooden vroeger aan boord van daartoe niet speciaal uitgeruste schepen te kampen had, blijkt wel uit het feit, dat de Siboga een diepte van 4000 Meter vond op een plek in de Banda-zee, nabij welke vroeger door een oorlogschip de zeediepte op 7200 Meter bepaald was. De moderne onderzoekingen, waarbij geen touw, maar staaldraad gebruikt werd en waarbij loodingswerktuigen dienst deden, geconstrueerd volgens het door den Amerikaanschen zeeofficier BROOKE aangegeven beginsel, zoodat het grootste deel van het gewicht op den zeebodem achterblijft, hebben in oudere waar- nemingen tal van fouten doen zien en hebben thans een vrij goed overzicht over de ligging van den zeebodem tot resultaat gehad. Oceanographisch werk heeft o. a. de aanwezigheid ge toond van twee onderzeesche plateau's, waarop Java en Sumatra met Borneo en Nieuw-Guinea met Australie gemeenschappelijk J ) G. F. TYDEMAN, 1903. Hydrographic results of the Siboga-expedition. (Uitkomsten der Siboga-expeditie. Monographic HI, 1903. 93 pp.). 262 NATUURKUNDIGE AARDRIJKSKUNDE NA 1850. rusten. TYDEMAN *) vat het resultaat als volgt samen: ,,In zijn westelijk gedeelte maakt de zeebodem van den archipel deel uit van een uitgestrekt ondiep plateau, samenhangend met het aziatisch vastland en aan zijn west- en zuidzijde begrensd door de groote diepte van den indischen oceaan ; in het oostelijk gedeelte van den archipel een afwisseling van hoogte en diepte, met opvallend smalle, langgerekte en in vele gevallen gebogen bodemverheffincren. De daartusschen besloten inzinkino'en van o den bodem hebben over het algemeen groote diepten en zijn, hoewel aan de oppervlakte overal met elkaar en met de oceanen in verbinding staande, op bepaalde diepten van elkaar en van de oceanen geisoleerd door onderzeesche ruggen". De temperatuurwaarnemingen door de ,, Challenger", de ,,Valdivia", de ,,Siboga" e. a. verricht hebben aangetoond, dat de tempe- ratuur van het water dezer bekkens slechts afneemt tot aan de diepte, waarop zij van den oceaan zijn afgesloten en daar- beneden constant blijft. Evenzoo is door de onderzoekingen in onzen archipel de waarneming van clen ,, Challenger" beves- tigd, dat op ongeveer 200 Meter beneden het zeeoppervlak een plotselinge snelle daling van temperatuur plaats vindt en daarna in een zeer langzame daling overgaat. De oceanograaf der ,.Valdivia", G. SCHOTT, heeft voor dit verschijnsel een verklaring 2 ) gegeven : het water aan de oppervlakte verdampt, zoodat het meer zouthoudend wordt, daardoor in soortelijk gewicht toeneemt en zoover daalt, dat het kouder water van gelijk soortelijk gewicht ontmoet. Zoodoende heeft in de opper- vlakkige laag ter dikte van ongeveer 200 Meter warmte-uitwis- seling door vermenging plaats, daarbeneden alleen door de zeer J ) G. F. TYDEMAN, 1913. p. 62. 2 ) G. SCHOTT, 1902. Die Sprungschicht dcr tropischen Meere. (In: Wiss. Ergebn. d. Deutschen Tiefsee-Expedition auf dem Dampfer Valdivia, 18981899. Herausgeg. von C. CHUN. Band I, 1902. 36. p. 178185). 263 NATUURKUNDIGE AARDRIJKSKUNDE NA 1850. langzaam werkende geleiding. Dicht boven de grenslijn van ongeveer 200 Meter heeft het zeewater dus een veel hoogere temperatuur dan daar dicht onder. De overgang van tempe- ratuur vindt dus in een betrekkelijk dunne waterlaag plaats, de ,,Sprungschicht". Belangrijk is ook nog de waarneming der Siboga, dat de Lombok-straat weliswaar de diepste der zee- straten tusschen eilanden der Bali-Ombaai-reeks is, maar vol- strekt niet een diepte bereikt, waardoor de scherpe scheiding, door WALLACE *) gemaakt, gerechtvaardigd zou worden. De opneming van het horizontale beeld 2 ) der Indische zeeen is steeds in handen der Marine geweest; oorspronkelijk door toevallige waarnemingen van zeeofficieren, later door daarvoor speciaal uitgeruste zeilschepen (als eerste in 1858 de schoener- brik ,,Pylades'') ; nog later werd een stoomschip speciaal voor opnemingen gebouwd (,,Hydrograaf", 1874), totdat in het begin van de 2oe eeuw het systematische karteeringswerk der Indische zeekusten met kracht werd ter hand genomen, eerst met om- gebouwde flottieljevaartuigen later ook met bijzondere ,,Opne- mingsvaartuigen". Aan dit onderzoek hebben vooral deelgenomen H. M. schepen ,,Bali", ,, Borneo", ,,Lombok", ,,Soembawa", ,,Van Doom" en ,,Van Gogh". Het grootste gedeelte der zeeen van den Indischen Archipel is thans in kaart gebracht, vooral door het werk tusschen 1900 en 1910; dat de vordering thans niet meer zoo vlug gaat, vindt zijn oorzaak in het feit, dat steeds weer het reeds onderzochte herzien moet worden; hoe meer het bekende gebied zich uitbreidt, des te hooger ook zijn de eischen, door de herziening gesteld. 1 ) Zie p. 163 en 222. 2 ) J. M. PHAFF, 1913. De hydrographie van den Oost-Indischen Archipel. (Catalogus Kolon. Aardr. Tent. Amsterdam, 20 Sept. 31 Oct. 1913. p. 4056). 264 HOOFDSTUK XII. Toegepaste natuurwetenschap. Het Proefstationwezen. Landbouvvpractijk en natuurwetenschap zijn als twee tand- raderen van eenzelfde machine ; door dezelfde stuwkracht worden ze voortgedreven, steeds grijpen ze in elkaar en helpen elkaar vooruit; wel verwijderen de onderdeelen zich van elkander en trachten ze vaak een tijdlang zelfstandig, zonder met de andere rekening te houden, vooruit te komen, maar na korter of langer tijd drijft de noodzaak hen weer tot elkaar, zoodat ze weer onder wederkeerigen invloed komen. Zoo is het ook in Indie gegaan. Ontwikkeling van natuur- onderzoek doet zich ge.voelen ook in landbouwkringen ; vooruit- gang van den landbouw slaat terug op den natuuronderzoeker en prikkelt hem tot nieuwen arbeid. De gestadige uitbreiding van 's Lands Plantentuin, van welke uitbreiding de steeds meer dringende vraagstukken der praktijk grootendeels oorzaak waren, had de reorganisatie tot Departement van Landbouw tengevolge (1905). Maar deze nieuwe stichting en de daaruit voortvloeiende centralisatie van alle natuurwetenschappelijk onderzoek ten behoeve der cultures had haar eigenaardige be- 265 TOEGEPASTE NATUURWETENSCHAP. zwaren : iedere cultuur stelt bijzondere eischen, vooral wat de ligging van het laboratorium, waar het onderzoek verricht moet worden, betreft. Vandaar dat TREUBS pogen, om Buitenzorg als centrum van alle proefstations te houden, niet met succes bekroond is-, de onderzoekers, belast met bestudeering der Deli- tabak bijv. waren veel te ver verwijderd van de cultuurlanclen en ondervonden hierdoor groote moeilijkheden bij hun werk. Het is een onmogelijkheid in een beknopt overzicht als dit, alle cultures met hun wetenschappelijke vraagstukken, zelfs maar kort, te bespreken. En bovendien bevindt zich een deel van het proefstationwezen nog dermate in een staat van wording en is de groote ontwikkeling van deze toegepaste natuurweten- schap van nog zoo jongen datum, dat een geschiedenis ervan moeilijk geschreven kan worden. Toch mag aan den anderen kant een uiteenzetting van de voornaamste der problemen niet geheel ontbreken ; voor verdere mededeelingen met be- trekking tot bevordering van den landbouw door natuurweten- schappelijk onderzoek verwijs ik naar TREUB'S ,, Landbouw" ') en naar de in het volgende aangehaalde litteratuur. Het opgeven van de namen der werkers is uit den aard der zaak zeer moeilijk; ik zal mij daarom beperken tot enkele van de meest vooraanstaande onderzoekers, en hoop, dat hier- door niet de indruk worde gewekt, als zouden slechts weinige mannen hun werkkracht aan deze voor ons Indie zoo uiterst gewichtige taak gegeven hebben en nog altijd geven. Wilde ik alien vermelden, die in meerdere of mindere mate hieraan meegewerkt hebben, dan zou dit hoofdstuk een adresboek gelijk worden. J ) M. TREUB, 1910. ,,Landbouw", Januari 1905 October 1910. Beredeneerd overzicht der verrichtingen en bemoeiingen met het oog op de praktijk van land-, tuin en boschbouw, veeteelt, visscherij en aanverwante aangelegenheden. (Amsterdam, 1910). 266 TOEGEPASTE NATUURWETENSCHAP. Twee cultures zijn er, die eigenlijk van den aanvang af buiten Buitenzorg om, de hulp van natuuronderzoekers hebben ingeroepen , dit is eenigszins het geval geweest met kina, maar in veel aanzienlijker mate met de suiker. Het samentreffen van de suikercrisis en van het heftig optreden der zoo schadelijke serehziekte was voor de planters aanleiding, de handen ineen te slaan; samenwerking tusschen de mannen der praktijk, had de oprichting van drie proef- stations ten^evolo-e: in 1886 het Proefstation Midden-lava te o o J Semarang en het Proefstation West-Java te Kagok-Tegal, in 1887 volgde het Proefstation Oost-Java te Pasoeroean. Het eerste zou slechts korten tijd blijven bestaan -, van Semarang werd het naar Klaten en vandaar naar Bojolali verplaatst en in 1893, voornamelijk om finantieele redenen opgeheven. In de weinige jaren van zijn bestaan werden ,Jaarverslagen" en ,,Mededeelingen" gepubliceerd '). Een veel gelukkiger leven was beschoren aan de beide andere proefstations West-Java en Oost-Java. Het eerste in 1886 gesticht te Kagok-Tegal, werd i Nov. 1900 als ,, Proef- station West-Java, Kagok" naar Pekalongan overgebracht ; het Proefstation Oost-Java bleef van het begin (1887) af in Pasoe- roean gevestigd. En met ingang van i Jan. 1907 werden beide proefstations vereenigd tot ,,Het Proefstation voor de Java- Suikerindustrie" onder de leiding van een algemeen bestuur. Het station te Pasoeroean werd hervormd tot een cultuur- afdeeling, terwijl het station te Pekalongan gereorganiseerd werd, en nu een chemische en een technische afdeelinor omvat. o De publicaties dier beide proefstations geschiedden eerst Jaarverslag van het Bestuur van het Proefstation Midden-Java, I VI. (18871892). Mededcelingen van het Proefstation Midden-Java 20 stuks. (18901893). I 267 T( 'KGEI'ASTE NATUURWETENSCHAP. alzondcrlijk l ): na 1893 warden de ,,Mededeelingen" opge- nomen in het ,,Archief voor de java-Suikerindustrie van Ned. -Indie", terwijl na de samensmelting gemeenschappelijke . Jaarverslagen" en ,,Mededeelingen" verschijnen 2 ). De kosten der Proefstations vvorden geheel door bijdragen van de aan- gesloten suikerfabrieken bestreden, waarbij de contributie be- rekend wordt naar de grootte van den aanplant, voor 1912 per bouvv / 2.50. De enorme omvang van het suikerproefstation- wezen in Indie blijkt wel uit de finantieele verantwoording der vereeniging, die over 1912 meer dan f 260.000 beliep. In 1912 werd de Vereeniging opgenomen in het ,,Algemeen Syndicaat van Suikerfabrikanten", zoodat het Bestuur van dit Syndicaat thans ook de leiding van het proefstation in handen heeft. Van het omvangrijk werk, in de 25 jaar van hun bestaan door de suikerproefstations verricht, kan hier uit den aard der zaak slechts het allervoornaamste vermeld worden. Het eerste, wat bij de oprichting te doen viel, was een overzicht te krijgen over de talrijke ziekten van het suikerriet, waarbij vooral de sereh-ziekte een punt van uitvoerig onderzoek geweest is. De *) Proefstation West-Java. Verslag v. h. Proefstation voor suikerriet in West- Java. (1891 1906). Bulletin v. h. Proefstation voor suikerriet in West-Java. Kagok, I VII. (1887-1889) en I-X. (1902-1906). Mededeelingen v. h. Proefstation voor suikerriet in West-Java. Kagok, I C- (1892-1907). Proefstation Oost-Java. Mededeelingen v. h. Proefstation voor suikerriet in Oost-Java. (Jaarverslagen hierin opgenomen). i e serie i 50 (1887 1893), 2 e serie 150 (18931898), 3 e serie 150 (1898-1903), 4 e serie 139 (1903-1907). -) Proefstation voor de Java-Suikerindustrie. Jaarverslag van het Proefstation voor de Java-Suikerindustrie 1907 heden (waarin: Verslag der Vereeniging, Verslag der cultuurafdeeling Pasoeroean, Verslag der chemische afdeeling Peka- longan en Verslag der technische afdeeling Pekalongan). Mededeelingen van het Proefstation voor de Java-Suikerindustrie, I -heden (1907 heden). 268 TOEGEPASTE NATUURWETENSCHAP. meest uiteenloopende oorzaken zijn door de verschillende onder- zoekers voor deze ziekte aansprakelijk gesteld : sommigen meenden met een aaltjes-(nematoden) ziekte te maken te hebben ; anderen namen bacterien als ziekteverwekkend a^ens aan ; weer O anderen zochten de oorzaak in schimmels, terwijl er ten slotte onderzoekers waren, die de parasitische natuur der ziekte als onbevvezen beschouwden, of zelfs haar besmettelijkheid met de meeste beslistheid ontkenden. En in den laatsten tijd is ge- poogd, de sereh-ziekte langs geheel anderen weg te verklaren : in 1907 meende een onderzoeker de parasitische en besmettelijke natuur der ziekte eveneens te kunnen ontkennen en de schadelijke gevolgen uitsluitend te kunnen toeschrijven aan zgn. tusschenras- variabiliteit, een verklaring, die naar alle waarschijnlijkheid onjuist is, terw.ijl later (1911) een ander werker de sereh-ziekte wel degelijk als infectieus beschouwt, en meent in de aan- tastbaarheid voor sereh-ziekte een aan tusschenras-variabiliteit onderworpen kenmerk te mogen zien. In hoeverre deze laatste opvattingen juist zijn, zal de toekomst ons moeten leeren ; in ieder geval is een ziekteverwekkend organisme nog niet met zekerheid bekend. Over de verdere belangrijke ziekten van het suikerriet, zooals roodrot, roodsnot, ananasziekte, marasmiusziekte, wortel- ziekten, dongkellanziekte enz., geeft ons een samenvattend overzicht het door WAKKER en WENT samengestelde handboek 1 ), vvaarvan het tweede deel, dat de door dieren veroorzaakte ziekten behandelt, door VAN DEVENTER bewerkt is 2 ). Behalve dit phytopathologisch werk (J. H. WAKKER, F. A. *) J. H. WAKKER en F. A. F. C. WENT, 1898. De ziekten van het suikerriet op Java, die niet door dieren veroorzaakt worden. (Leiden, 1898). 2 ) W. VAN DEVKNTKK, 1906. De dierlijke vijanden van het suikerriet en hunr.e parasieten. (Handboek ten dienstc van de suikerrietcultuur en de rietsuiker- fabricage op Java. II. Amsterdam, 1906). 269 T< (EGEl'ASTK NATUURWETENSCIIAl'. F. C. WENT, L. ZEHNTNER) danken wij aan de proefstations anatomische studien over den bouw van het suikerriet (J. D. KOBUS), physiologisch-chemische over suikervorming, suiker- vervoer en suikerophooping in de planten (WENT) ; verder bemestingsproeven, waarbij het merkwaardige feit voor den dag kwam. dat kali- en phosphorzuurbemesting in het algemeen geen vergrooting van suikeropbrengst gaf, aangezien het met het irrigatiewater op de sawahs gebrachte vulcanische slib zooveel kali en phosphorzuur bevat, dat deze meestal voldoende zijn voor den rijstoogst, voor de in het volgend jaar gekweekte tweede gewassen en voor het in het derde jaar gekweekte suikerriet, terwijl stikstofbemesting steeds noodig is (H. C. PRINSEN GEERLIGS). Zaaiproeven (F. SOLTWEDEL, KOBUS, WAKKER) met het oog op selectie van de meest suikerhoudende riet- varieteiten en van sereh-immune rassen, werden veelal met medewerking van practische planters ondernomen en gaven vaak uitstekende resultaten (o. a. het beroemde ras O. J. no. 100). Verder waren technische problemen op te lessen, sommige van algemeenen aard, andere meer speciaal, zooals het onderzoek der methoden van suikervvinning, teneinde deze zoo voordeelig mogelijk te maken (PRINSEN GEERLIGS). Ook het productief maken van de noodzakelijke onverwerkbare z.g.n. afloopstroop (arakwinning, PRINSEN GEERLIGS en WENT) is nog altijd aan de proefstations een punt van onderzoek. De beide proefstations hebben wel in de eerste jaren van hun bestaan, toen nog pas enkele suikerfabrieken aan de be- strijding der kosten deelnamen, groote moeilijkheden te over- winnen gehad, maar toch werd de door TREUB aangeboden hulp, op voorwaarde, dat ze onder den Directeur van 's Lands Plantentuin zouden komen te staan en naar Buitenzorg over- gebracht zouden worden, niet aanvaard en wel vooral omdat de laatste bepaling naar de meening der planters, en waar- 270 TOEGEPASTE NATUURWETENSCHAP. schijnlijk terecht, te bezvvarend was. Dat echter ook de suiker- planters voor TREUB'S werk ten dienste van den landbouw grooten eerbied koesterden, blijkt uit de hulcliging, door het Algemeen Syndicaat van Suikerfabrikanten na TREUB'S aftreden georganiseerd. En ten slotte zijn de beide overgebleven proef- stations bloeiende instellingen geworden ; dank zij het aan die inrichtingen verrichte werk is de suikercultuur thans een der meest welvarende, zoodat getuigd kan worden : ,,Op het oogen- blik zouden de suikerindustrieelen zeker niet gaarne him beide proefstations missen" '). Evenals de suikercultuur, heeft ook de Gouvernements-Kina- cultuur, buiten 's Lands Plantentuin om, aanraking met en steun bij de natuurwetenschap gezocht 2 ). De grondvesting en lotgevallen van het wetensehappelijk kina-onderzoek, dat zoo nauw samen- hangt met de scheikundige kennis der kinaplant, hebben we grootendeels leeren kennen. Na BERNELOT MOENS' vertrek kwam de leiding in handen van P. VAN LEERSUM, die als chemicus en als directeur thans reeds 20 jaar de belangen van de Gouvernements- kinaonderneming behartigt. Onder zijn leiding is met talrijke onderzoekingen ten behoeve der kinacultuur een aanvang gemaakt ; het oude schaduwsysteem werd verlaten ; de grond- bewerking werd meer en meer verbeterd, waardoor krachtiger wortelontwikkeling en grooter productie van wortelbast bereikt werd; verder nam selectie een belangrijke plaats in, terwijl door enten van de beste soort Cinchona Ledgeriana, die echter zeer sterk aan witte wortelschimmel onderhevig is, op onder- ') F. A. F. C. WENT, 1911. p. 24. 2 ) Bericht omtrent de Gouvernementskinaonderneming. Preangerregent- schappen. Tjinjiroean. (Elk kwartaal uitgegeven, extra-bijvoegsel van de Java- Bode. 1873 heden). Jaarverslag van de Gouvernementskinaonderneming. (Thans opgenomen in Jaarb. Dept. v. Landb., Nijverh. en Handel. 1892 heden). 271 TOEGEPASTE NATUUR\VETENSCHAP. stammen van de tegen schimmel resistente, maar overigens weinig bruikbare C. succirubra, uitnemende resultaten werden verkregen. De zeer zorgvuldige keuze van entmateriaal heeft in sommige aanplantingen in vier jaar tijds een toename aan kinine-sulfaat-opbrengst van meer dan 60 % ten gevolge gehad. Uit de aanstelling van een botanicus (J. P. LOTSY, 1896 1898), vooral belast met de bestudeering van de physiologische betee- kenis der scheikundige kinabestanddeelen, is later (1911) een speciaal kina-proefstation te Tjinjiroean voortgekomen x ). De voornaamste punten van onderzoek betreffende de kinacultuur zijn behalve de selectie van die kinaboomen, wier schors het hoogste gehalte aan kinine bevat, de localisatie dier kina, alcaloiden en hun beteekenis voor het leven der plant, de verschillende ziekten, waaraan kina-aanplantingen onderhevig zijn, de oorzaken dezer ziekten : schimmels en insekten en hun bestrijding. Het verband tusschen Plantentuin, later Departement van Landbouw, en de andere groote cultures was veel nauwer. Als belangrijkste hiervan zijn te noemen getah-pertjah en caout- chouc, koffie, tabak, thee en inlandsche landbouwproducten, voornamelijk rijst. De door BURCK in 1882 ondernomen reis